Uitspraak
[naam 1]uit [plaatsnaam] (derde-belanghebbende)
Naar aanleiding van de reacties van partijen heeft de STAB een nader deskundigenverslag uitgebracht.
De varkenshouderij is een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 5 maart 2009 een omgevingsvergunning (revisievergunning) verleend. Met het bestreden besluit heeft het college ook een ambtshalve besluit genomen om de vergunningvoorschriften te wijzigen. Het college heeft dit gedaan op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Met het stellen van de voorschriften heeft het college vooral willen verzekeren dat in de inrichting ten minste de ‘beste beschikbare technieken’ (bbt) worden toegepast. Het gaat daarbij in het bijzonder om het beperken van geurhinder.
Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 4.4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een ambtshalve besluit waarbij op de voorbereiding van dat besluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is en waarvan het ontwerp van dat besluit vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 december 2020 en het ontwerpbesluit is op 12 oktober 2021 ter inzage gelegd. Dit betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Het college betoogt dat eiseres alleen tegen het eerste besluit beroep heeft ingesteld, maar daartegen geen beroepsgronden heeft aangevoerd. De aangevoerde beroepsgronden hebben volgens het college betrekking op de twee ambtshalve besluiten, maar daartegen heeft eiseres geen (tijdig) beroep ingesteld. Volgens het college moet het beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het college heeft ook gesteld dat eiseres alleen beroep heeft ingesteld tegen de ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften, voor zover daarmee de grondslag van de aanvraag is verlaten. De rechtbank begrijpt het college zo dat de beroepsgronden over de ambtshalve wijziging alleen kunnen worden behandeld als ze over verlating van de grondslag gaan. Het college heeft in het bijzonder gesteld dat de beroepsgronden over de voorschriften 4.1.1, 4.1.3 en 4.2 om die reden niet kunnen worden opgevat als gericht tegen deze voorschriften. De rechtbank deelt ook dit standpunt niet. Uit het beroepschrift, het aanvullende beroepschrift en de daarin aangevoerde beroepsgronden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiseres de ambtshalve wijziging van de voorschriften alleen heeft willen bestrijden voor zover daarmee de grondslag van de aanvraag is verlaten. Bovendien zijn de voorschriften 4.1.1, 4.1.3 en 4.2 in het bestreden besluit opgenomen in bijlage B, waarover het college ter zitting heeft gesteld dat dit de voorschriften in het kader van de aangevraagde omgevingsvergunning zijn.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal de aangevoerde beroepsgronden dus inhoudelijk behandelen.
Volgens het college geeft artikel 2.31a van de Wabo het bevoegd gezag de mogelijkheid om voorschriften die strekken tot toepassing van andere technieken dan zijn aangevraagd aan de omgevingsvergunning te verbinden. Dat is volgens het college de omgevingsvergunning in het algemeen, dus ook voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Volgens het college bevat artikel 2.31a van de Wabo dan ook de bevoegdheid om de grondslag van de aanvraag te verlaten voor alle activiteiten die in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo zijn vermeld. Het college wijst daarbij ook op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.31a van de Wabo. Daarin is het staltype genoemd als voorbeeld voor het voorschrijven van een andere techniek. Volgens het college volgt daaruit dat hierbij ook de activiteit bouwen aan de orde kan zijn.
Voor zover de bevoegdheid uit artikel 2.31a van de Wabo om de grondslag van de aanvraag te verlaten wel alleen betrekking zou hebben op de activiteit milieu, is artikel 21 van Pro de RIE – dat tot actualisatie van de vergunningvoorwaarden verplicht – volgens het college niet correct geïmplementeerd. In dat geval moet artikel 2.31a van de Wabo richtlijnconform worden geïnterpreteerd dan wel moet artikel 21 van Pro de RIE rechtstreeks worden toegepast.
Naar aanleiding van wat eiseres hierover heeft aangevoerd, stelt het college zich op het standpunt dat er geen twijfel kan zijn over de (constructieve) uitvoerbaarheid van de vereiste aanpassingen. In het deskundigenverslag wordt geconcludeerd dat de aanpassingen aan de ventilatiekanalen technisch uitvoerbaar zijn. Het college is in beginsel bereid om medewerking te verlenen.
De rechtbank is echter van oordeel dat voor de genoemde activiteiten geen sprake is van verlating van de grondslag van de aanvraag. Het gaat eiseres om de voorschriften 10.1.3 en 10.1.4. Daaruit volgt volgens haar dat alle huisvestingssystemen in stal 2 op een luchtwasser moeten worden aangesloten en dat de afvoerbuis moet worden verhoogd. Eiseres stelt op zich terecht dat de bouwkundige aanpassingen die hiervoor nodig zijn niet (volledig) in overeenstemming zijn met de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. De genoemde voorschriften gelden echter alleen voor de milieuactiviteit. Voor bouwen en planologisch strijdig gebruik zijn deze voorzieningen niet voorgeschreven. De omgevingsvergunning voor die activiteiten staat toe wat eiseres heeft aangevraagd. De grondslag van de aanvraag is daarom niet verlaten. Het gevolg is wel dat eiseres voor het aansluiten van alle huisvestingssystemen van stal 2 op een luchtwasser of het verhogen van de afvoerbuis een nieuwe omgevingsvergunning voor bouwen en planologisch strijdig gebruik nodig heeft. Overigens is het verhogen van de afvoerbuis wellicht niet de enige mogelijke manier om aan voorschrift 10.1.4 te voldoen, nu is voorgeschreven dat de wijze waarop afvoerlucht uit stal 2 wordt verwijderd moet worden geoptimaliseerd door één of een combinatie van de technieken genoemd in BBT 13 onderdeel C te gebruiken. De beroepsgrond slaagt niet.
In de uitspraak van 1 juli 2009 heeft de Afdeling overwogen dat het bevoegd gezag er bij het verlenen van een vergunning voor een veehouderij van moet uitgaan dat wanneer de huisvestingsystemen waarop het – destijds geldende – Besluit huisvesting van toepassing is voldoen aan de in deze algemene maatregel van bestuur gestelde eisen, tevens wordt voldaan aan het vereiste dat de geuremissie van het huisvestingsysteem moet overeenkomen met toepassing van de bbt.
In de uitspraak van 21 juni 2023 heeft de Afdeling overwogen dat het feit dat de bestaande stallen niet over luchtfilters beschikken, niet betekent dat niet voldaan wordt aan de bbt. Op grond van artikel 3 van Pro het Beh is het namelijk toegestaan om gebruik te maken van intern salderen door verdergaande technieken voor nieuwe stallen toe te passen, waardoor het niet nodig is om de bestaande stallen aan te passen. De hogere emissie van de bestaande stallen wordt daardoor gecompenseerd door een verdergaande reductie in een andere stal.
Uit deze laatste uitspraak kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat ook voor geur de bbt worden toegepast als – door middel van intern salderen – aan de eisen van het Beh wordt voldaan. In de uitspraak van 1 juli 2009 heeft de Afdeling dat wel uitdrukkelijk geoordeeld. Uit andere, recentere uitspraken van de Afdeling leidt de rechtbank echter af dat in het geval dat voor ammoniak de bbt worden toegepast omdat aan het Beh wordt voldaan, daarnaast toch afzonderlijk moet worden beoordeeld of ook voor geur sprake is van de toepassing van de bbt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2460, waarin in zo’n geval is beoordeeld welke bbt-maatregelen er voor geur in de inrichting kunnen worden toegepast.
Gelet hierop betekent het feit dat aan de maximale emissiewaarden uit het Beh wordt voldaan en daarom voor ammoniak de bbt worden toegepast niet dat ook voor geur sprake is van toepassing van de bbt. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiseres wijst ook op de toelichting bij de wijziging van artikel 2, tweede lid, van de Wgv. Volgens haar volgt daaruit dat op grond van deze bepaling alleen voorschriften kunnen worden gesteld om te bereiken dat ten minste de bbt worden toegepast. Het voorschrijven van een geurnorm in afwijking van de Wgv valt daar niet onder.
Het college betoogt verder dat als er geen ambtshalve voorschriften over geurhinder zouden kunnen worden gesteld, omdat de exclusieve werking van de Wgv wordt aangenomen en de BBT-conclusies geen BBT-GEN voor geur bevatten, intrekking van de omgevingsvergunning de enige optie is. Het college stelt dat de geurbelasting in de aangevraagde situatie hoger is dan 19,4 OUE/m3 en dat met voorschrift 10.1.1 wordt voorkomen dat een geurbelasting wordt toegestaan die in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9119). Verder wijst het college op een uitspraak van de rechtbank van Oost-Brabant van 16 juni 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2931, waarin is geoordeeld dat artikel 3, vierde lid, van de Wgv buiten toepassing moet worden gelaten omdat bij de totstandkoming daarvan geen plan-milieueffectrapport (plan-MER) is gemaakt. Dit geldt volgens het college ook voor artikel 3, derde lid, van de Wgv. Daarom moet volgens het college worden teruggevallen op de algemene norm van 8,0 OUE/m3 uit artikel 3, eerste lid, van de Wgv.
In de wetsgeschiedenis van de Wgv is volgens het college niet ingegaan op de relatie tussen artikel 3, derde lid, en de in de IPPC-richtlijn opgenomen verplichting om te zorgen voor een geïntegreerde aanpak en een hoog beschermingsniveau. Volgens het college is artikel 3, derde lid, van de Wgv in dit opzicht niet toereikend voor bestaande overbelaste situaties, omdat deze bepaling ertoe leidt dat dergelijke situaties voor onbepaalde tijd in stand kunnen worden gelaten. Het college stelt zich op het standpunt dat daarom op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo voorschriften moeten kunnen worden gesteld voor deze situaties. Dat sluit volgens het college aan bij artikel 2.33, eerste lid, onder d, van de Wabo, op grond waarvan bij intrekking van de omgevingsvergunning wegens ontoelaatbare gevolgen eerst moet worden beoordeeld of toepassing van artikel 2.31 daarvoor geen oplossing biedt.
In beginsel is voor de inrichting van eiseres op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wgv een geurnorm van 8,0 OUE/m3 van toepassing, omdat het dichtstbijzijnde geurgevoelige object zich buiten een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom bevindt. In dit geval is die norm niet van toepassing, omdat – zoals ook in het bestreden besluit is vermeld – een situatie als bedoeld in artikel 3, derde lid, aan de orde is, waarin de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.
Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de Wgv in artikel 2, tweede lid, een uitzondering maakt op de exclusieve werking van de wet. Die uitzondering geldt alleen voor het weigeren van de omgevingsvergunning omdat niet ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende bbt worden toegepast en voor het stellen van voorschriften om te bereiken dat ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende bbt worden toegepast.
Het college heeft betoogd dat de exclusieve werking van de Wgv niet geldt voor een besluit tot ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften. Het college heeft de geurnorm voorgeschreven op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. Die bepaling maakt het mogelijk om in het belang van de bescherming van het milieu de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit ambtshalve te wijzigen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wgv heeft volgens de letterlijke tekst van die bepaling inderdaad alleen betrekking op de beoordeling van geurhinder bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij. Daarvan is bij een ambtshalve wijziging van de voorschriften, zoals in dit geval aan de orde, geen sprake. De rechtbank maakt echter uit het bestreden besluit op dat de aanleiding voor het ambtshalve voorschrijven van de geurnorm in voorschrift 10.1.1 in dit geval de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de verandering van de inrichting is geweest. In het kader daarvan zou artikel 3, derde lid, van de Wgv van toepassing zijn en zou het college daar vanwege de exclusieve werking van de Wgv alleen van kunnen afwijken op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wgv, dus in verband met de toepassing van de bbt. Gelet op wat de wetgever heeft beoogd met de exclusieve werking van de Wgv, is de rechtbank van oordeel dat het college bij de invulling van het begrip “het belang van de bescherming van het milieu” in artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo en artikel 2.22, vijfde lid, in samenhang met artikel 2.14, derde lid, van de Wabo aansluiting had moeten zoeken bij artikel 2 van Pro de Wgv. Dat wil in dit geval zeggen dat het college alleen ten behoeve van de toepassing van de bbt had mogen afwijken van artikel 3, derde lid, van de Wgv. Een andere uitleg zou betekenen dat het college naar aanleiding van de ingediende aanvraag voor de verandering van de inrichting via een omweg voorschriften zou kunnen stellen die het bij de beslissing op de aanvraag niet aan de omgevingsvergunning had kunnen verbinden en dat de bescherming die artikel 3, derde lid, van de Wgv biedt aan bestaande situaties teniet wordt gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat voorschrift 10.1.1 er niet toe strekt om te verzekeren dat ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende bbt worden toegepast. In de eerste plaats heeft het college ter zitting gesteld dat de geurnorm niet in verband met de bbt is voorgeschreven, maar meer in het algemeen vanwege het belang van de bescherming van het milieu. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de toepasselijke BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderij (hierna: de BBT-conclusies) geen concrete geurnormen of een range voor geurnormen bevat, maar zich wat betreft geuremissies in BBT 13 beperkt tot het noemen van technieken.
Gelet hierop heeft het college bij de toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo onvoldoende gemotiveerd dat voorschrift 10.1.1 noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
Eiseres is het oneens met voorschrift 2.1.1, waarin is bepaald dat de voor stal 2 aangevraagde huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 niet meer mogen worden toegepast vanaf één jaar na het van kracht worden van het besluit. Volgens haar beschouwt het college deze traditionele huisvestingssystemen ten onrechte niet als de bbt voor geur. Eiseres betoogt dat het onderdeel van de Oplegnotitie bij het BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij van 30 juli 2007 (hierna: de Oplegnotitie) waarop het college zich baseert, ziet op de beoordeling van de huisvesting voor ammoniak en niet op de beoordeling van geur. Daarnaast stelt zij dat in BBT-conclusie 12 en 13, in het bijzonder onderdeel C en D, van de BBT-conclusies, niet wordt gesproken over concreet te gebruiken of niet langer toegelaten huisvestingssystemen. Bij onderdeel D van BBT-conclusie 13 is bovendien vermeld dat deze techniek mogelijk niet algemeen toepasbaar is wegens de hoge uitvoeringskosten en dat dit alleen toepasbaar is op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt.
Daarnaast voert eiseres aan dat de voorschriften in paragraaf 10 verder gaan dan de toepassing van de bbt. Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wgv kunnen die voorschriften niet worden gesteld. Eiseres voert over deze voorschriften ook aan dat het college haar economische belangen onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken, mede gelet op de korte termijnen in de voorschriften 10.1.1 tot en met 10.1.5. Er is in afstemming met het college al een luchtwasser geplaatst. Volgens eiseres is geen sprake van redelijke eisen. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo gaat het bij de bbt om technieken die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar zijn in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort. In het bestreden besluit is het kostenaspect niet betrokken. Het college kon niet volstaan met een enkele verwijzing naar de algemene afschrijvingstermijnen. Omdat voor geur aan de bbt wordt voldaan, was eiseres niet verplicht om bij de aanvraag gegevens over te leggen op grond van artikel 2.31a, tweede lid, van de Wabo. Eiseres is het bovendien niet eens met de kostenberekening in het verweerschrift. Zij heeft een notitie van DLV van 27 februari 2025 overgelegd. Daarin zijn de extra kosten berekend op € 55.457 per jaar: € 35.257 per jaar voor de investering en € 20.200 per jaar voor inkomensschade.
Verder betoogt eiseres dat het bij de bbt niet alleen om geur gaat, maar ook om andere milieuaspecten zoals geluid en energie. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het aanvaardbaar is dat het energieverbruik toeneemt. Het kostenaspect is hierin niet meegewogen.
Volgens het college stelt eiseres op zich terecht dat BBT-conclusie 13 niet direct naar huisvestingssystemen verwijst, maar in het BREF zijn de huisvestingssystemen voor varkens wel beschreven. Het college stelt zich op het standpunt dat het hem bij de invulling van de bbt vrijstaat om aansluiting te zoeken bij de Oplegnotitie uit 2007 bij het BREF uit 2003. Dat de Oplegnotitie geen formele status meer heeft, doet daar niet aan af. Het uitgangspunt uit de Oplegnotitie dat huisvestingssystemen die in 2007 meer dan tien jaar oud waren in principe niet meer als de bbt kunnen worden aangemerkt, is volgens het college niet onjuist. Het college vindt dat de Oplegnotitie analoog kan worden toegepast op de emissie van geur, ook omdat de conclusie dat wel of geen sprake is van de bbt over de installatie als geheel gaat.
Het college heeft beoordeeld welke technieken gelet op de kosten in dit geval kunnen worden gevergd. Daarbij is betrokken dat de toepasselijke BREF-documenten uit 2003 en 2017 uitgaan van een afschrijftermijn van tien jaar voor technieken. Die termijn is voor de twee aanwezige traditionele huisvestingssystemen ruimschoots verstreken. Daarom kunnen volgens het college in dit geval luchtwassers als de bbt beschouwd worden. Van eiseres mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij de kosten daarvan draagt, omdat de aanwezige huisvestingssystemen oud zijn, op basis van de omgevingsvergunning uit 2009 al hadden moeten zijn vervangen en eiseres door dat niet te doen kosten heeft uitgespaard. Omdat de kosten afhangen van het type luchtwasser en eiseres kan kiezen met welk type luchtwasser zij aan voorschrift 10.1.3 zal voldoen, kan geen exacte kostenberekening gemaakt worden. Het college ziet echter een aanknopingspunt in paragraaf 4.9.6 van het BREF Intensief houden van pluimvee en varkens uit 2017. Het college komt op een bedrag van € 25.285,62 (excl. BTW) per jaar aan investeringskosten per jaar en jaarlijkse kosten.
Over de economische haalbaarheid stelt het college ook dat eiseres op grond van artikel 2.31a, tweede lid, van de Wabo desgevraagd inlichtingen moet verschaffen. Het college stelt dat om inlichtingen is gevraagd, maar dat eiseres geen onderbouwing heeft gegeven.
De huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 zijn traditionele huisvestingssystemen voor kraamzeugen respectievelijk gespeende biggen die al lange tijd in stal 2 aanwezig zijn. Het college beschouwt deze huisvestingssystemen niet als de bbt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Uit de BBT-conclusies volgt niet duidelijk dat de hier aan de orde zijnde traditionele huisvestingssystemen niet als de bbt zijn aan te merken. In BBT-conclusie 13 staat dat de bbt een combinatie is van de daar genoemde technieken. In onderdeel B worden als techniek stalsystemen genoemd die aan bepaalde criteria voldoen, maar het college heeft niet onderbouwd dat de huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 niet aan die criteria voldoen. Het college heeft zijn standpunt dat deze huisvestingssystemen niet langer als de bbt kunnen worden beschouwd ontleend aan de Oplegnotitie uit 2007 bij het BREF uit 2003, maar naar het oordeel van de rechtbank gaan de BBT-conclusies voor op de Oplegnotitie, die geen betrekking heeft op het meest recente BREF. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
De rechtbank overweegt verder dat uit het bestreden besluit blijkt dat voorschrift 2.1.1 is gesteld in het kader van de beslissing op de ingediende aanvraag om de omgevingsvergunning. Het college heeft dit ter zitting bevestigd. Hierop is artikel 2.22, tweede lid, in samenhang met artikel 2.14 van de Wabo van toepassing en niet artikel 2.31, eerste of tweede lid, van de Wabo voor ambtshalve voorschriften.
Door voor te schrijven dat de huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100, die voor 187 kraamzeugen respectievelijk 2016 gespeende biggen zijn aangevraagd en vergund, binnen een jaar moeten worden vervangen heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten. De rechtbank acht daarbij van belang dat deze huisvestingssystemen voorzien in de huisvesting van een substantieel deel van het vergunde aantal dieren (5224 in totaal) en van de meerderheid van het aantal vergunde kraamzeugen en gespeende biggen. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het systeem van de Wabo.
Met betrekking tot de geurnorm in voorschrift 10.1.1 verwijst de rechtbank naar wat onder 9.4 is overwogen.
In de andere voorschriften in paragraaf 10 zijn in verband met geurhinder een plan van aanpak, het aansluiten van de huisvestingssystemen in stal 2 op een luchtwasser en het optimaliseren van de wijze waarop afvoerlucht uit stal 2 wordt verwijderd voorgeschreven. Deze voorschriften zijn gebaseerd op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo. Uit artikel 2.31a, eerste lid, van de Wabo volgt dat het bevoegd gezag bij de toepassing van artikel 2.31, eerste lid, onder b, voor zover nodig voorschriften aan de omgevingsvergunning kan verbinden die strekken tot toepassing van andere technieken dan die waaromtrent ingevolge artikel 2.8, eerste lid, tweede volzin, in of bij de aanvraag om de vergunning gegevens of bescheiden zijn verstrekt. De exclusieve werking van de Wgv staat hieraan niet in de weg, nu op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wgv de uitzondering geldt dat voorschriften mogen worden gesteld om te bereiken dat ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende bbt worden toegepast.
Bij het stellen van de voorschriften heeft het college zich gebaseerd op BBT-conclusie 12 en BBT-conclusie 13. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit BBT 12 dat het voorschrijven van een plan van aanpak (voorschrift 10.1.2) kan worden beschouwd als bbt-maatregel.
Het plaatsen van een luchtwasser (voorschrift 10.1.3) volgt uit BBT 13, onderdeel D.
Over het gebruiken van een luchtzuiveringssysteem is in onderdeel D van BBT-conclusie 13, voor zover hier van belang, wel het volgende vermeld: “Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt.” In voorschrift 10.1.4 is voorgeschreven dat de wijze waarop afvoerlucht uit stal 2 wordt verwijderd moet worden geoptimaliseerd door één of een combinatie van de technieken genoemd in BBT 13 onderdeel C te gebruiken. Omdat ook deze maatregelen uit de BBT-conclusies volgen, zijn ze in beginsel aan te merken als bbt-maatregel. Volgens het deskundigenverslag van de STAB zijn maatregelen in de sfeer van BBT 13, onderdelen C en D, waaronder luchtwassers, gangbaar binnen de bedrijfstak. In het deskundigenverslag staat wel dat uit de toelichting bij de BBT-conclusies naar voren komt dat het toepassen van de BBT-conclusies voor geur in een specifieke kwestie maatwerk is. Volgens het deskundigenverslag moet de opmerking in onderdeel D van BBT 13 dat een luchtzuiveringssysteem alleen toepasbaar is op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt niet te strikt worden uitgelegd. Anders zou nooit een luchtwasser kunnen worden verlangd bij een bestaand stalgebouw zonder centrale afzuiging, terwijl centrale afzuiging zonder luchtwasser meestal niet nodig of zinvol is en een centrale afzuiging doorgaans juist wordt aangelegd vanwege de aanleg van een luchtwasser. Binnen de varkenshouderij is een luchtwasser de meest voor de hand liggende technische oplossing om geurreductie te realiseren. Een te strikte interpretatie van de toelichting op BBT 13, onderdeel D, zou volgens het deskundigenverslag betekenen dat een relevante geurreducerende oplossing veelal buiten beeld blijft op bestaande stallen zonder centrale afzuiging.
De rechtbank leidt verder uit het deskundigenverslag af dat de benodigde aanpassingen aan stal 2, in het bijzonder de aanleg van een (bovendaks) centraal afzuigkanaal of een tweede luchtwasser, in dit geval technisch mogelijk zijn.
Het college heeft bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen berekening van de kosten gemaakt. In het deskundigenverslag is hierover vermeld dat het college zich heeft beperkt tot het doorrekenen van enkele verkennende scenario’s zonder specifieke onderbouwing van de technische en financiële haalbaarheid of kosteneffectiviteit.
Pas in het verweerschrift is een kostenberekening gemaakt, waarvan de juistheid door eiseres met een eigen berekening is bestreden. Dat de kosten in de berekening van eiseres hoger zijn, heeft onder meer te maken met het feit dat eiseres uitgaat van inkomensschade. Volgens eiseres kan de inrichting niet volledig in werking blijven tijdens de werkzaamheden voor de aanleg van het centrale afzuigkanaal. Dit geldt in het bijzonder voor het houden van kraamzeugen met hun biggen. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.
Het college heeft weliswaar gesteld dat eiseres in het kader van artikel 2.31a, tweede lid, van de Wabo gegevens had moeten verschaffen, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt welke gegevens van eiseres er nog nodig waren om een afweging over de economische aspecten te maken. De rechtbank betrekt daarbij dat het college heeft gesteld dat de financiële positie van het bedrijf zelf geen rol speelt in de afweging.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de kosten, en daarmee naar de economische haalbaarheid, van de in de voorschriften 10.1.3 en 10.1.4 voorgeschreven maatregelen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
Met betrekking tot het energieverbruik heeft eiseres alleen gewezen op de extra kosten die aan een hoger energieverbruik verbonden zijn. De rechtbank is het met het college eens dat ervan kan worden uitgegaan dat deze kosten in de BBT-conclusies al zijn meegewogen bij de vaststelling van de bbt voor geur (BBT 13). Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verder gaat het om de termijn van één jaar om de huisvestingssystemen in stal 2 aan te sluiten op een luchtwasser in voorschrift 10.1.3. Uit wat onder 10.5 is overwogen volgt dat ook dat voorschrift niet in stand kan blijven. Daarom hoeft de haalbaarheid van de termijn in voorschrift 10.1.3 evenmin te worden beoordeeld.
in de plaats treedt van het in het vorige voorschrift genoemde document.
In de uitspraak van 10 november 2022 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de rechtbank in de uitspraak op het beroep een beslissing zal nemen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten. Het gaat om de kosten die op het overgelegde formulier proceskosten met de daaraan gehechte facturen zijn vermeld. Uit de facturen blijkt dat dit gedeeltelijk kosten betreft van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvoor heeft de voorzieningenrechter al een proceskostenveroordeling uitgesproken, op basis van de forfaitaire bedragen uit het Bpb. Voor het overige gaat het om de kosten van een deskundige van DLV die zijn gemaakt in de periode van 4 februari 2021 tot 8 november 2022.
Uit de facturen blijkt dat een deel van de kosten niet is gemaakt in verband met het verzoek om voorlopige voorziening en/of het beroep, maar in verband met onder meer de aanvraag om de omgevingsvergunning, de zienswijze over het ontwerpbesluit en de aanvraag om een natuurvergunning. Voor zover de facturen betrekking hebben op kosten die wel verband houden met het verzoek om voorlopige voorziening en/of het beroep, is er geen sprake van een schriftelijk verslag van DLV dat door eiseres als processtuk is ingebracht. Het gaat ook niet om kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. In de beroepsprocedure heeft eiseres niet opnieuw om vergoeding van deskundigenkosten verzocht.
Gelet hierop is er in zoverre geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
(…)
beste beschikbare technieken:voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld;
(…)
Artikel 2.11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
e. 1°. het oprichten,
(…)
(…)
c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
Artikel 2.30
(…)
Wet geurhinder en veehouderijArtikel 21. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9.
Artikel 31. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:
3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.