Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
[bedrijf], uit [plaats 2] , de werkgeefster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker meldde zich op 24 september 2024 ziek bij zijn werkgever en kreeg behandeladviezen van de bedrijfsarts. De werkgever stelde passende werkzaamheden bij PostNL vast en verzocht verzoeker op 14 maart 2025 contact op te nemen, maar verzoeker verscheen niet. De werkgever meldde dit aan het UWV, dat op 27 maart 2025 de Ziektewetuitkering beëindigde. Verzoeker betwist de beëindiging en vraagt om een voorlopige voorziening.
Hoewel er geen spoedeisend belang is, acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen omdat de rechtmatigheid van het besluit niet goed kan worden beoordeeld. Er is onduidelijkheid over de communicatie tussen verzoeker en werkgever, en het UWV heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het besluit tot beëindiging niet kon worden uitgesteld.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en kent een voorschot op de Ziektewetuitkering toe totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt het griffierecht en de proceskosten aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker ontvangt een voorschot op zijn Ziektewetuitkering totdat op het bezwaar is beslist.