ECLI:NL:CRVB:2021:713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang bij WAO-uitkering
Verzoeker ontvangt sinds 8 september 2007 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 10 oktober 2019 heeft hij verzocht om verhoging van deze uitkering, maar het UWV wees dit verzoek op 11 oktober 2019 af. Ook het bezwaar werd op 8 november 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond.
Verzoeker stelde dat hij en zijn partner niet kunnen rondkomen van de huidige uitkeringen en dat er sprake is van een spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening. Hij overhandigde financiële stukken ter onderbouwing. De voorzieningenrechter overwoog dat volgens vaste rechtspraak het verzoek om een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de hoofdzaak te bespoedigen zonder spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter concludeerde dat ondanks de financiële problemen, zoals betalingsregelingen en herinneringen, geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Daarom is het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt en is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend financieel belang.