ECLI:NL:RBROT:2025:8106

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
ROT 25/2216
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. van der Wal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475da RvWet vereenvoudiging beslagvrije voetArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over inhouding en afdracht vakantiegeld bij beslag op bijstandsuitkering

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering waarop sinds juli 2020 beslag ligt. Tot oktober 2024 werd volgens een oude werkwijze maandelijks een deel van de uitkering ingehouden en direct aan de beslaglegger betaald, terwijl het vakantiegeld apart werd gereserveerd en jaarlijks werd uitbetaald. Met het besluit van 17 september 2024 wijzigde het dagelijks bestuur deze werkwijze, zodat het vakantiegeld vanaf oktober 2024 maandelijks werd uitbetaald en maandelijks een bedrag werd gereserveerd dat eenmaal per jaar aan de beslaglegger werd betaald.

Eiser is het eens met de nieuwe werkwijze maar stelt dat deze eerder had moeten worden toegepast, omdat hij anders moest rondkomen van minder dan het bestaansminimum. Hij maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht om schadevergoeding voor de extra kosten die de beslagleggers in rekening brachten. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond en het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelt dat de oude werkwijze in strijd was met de wettelijke regels over de beslagvrije voet, waardoor eiser te weinig geld overhield. Het dagelijks bestuur had de nieuwe werkwijze eerder moeten invoeren en heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Het verzoek om schadevergoeding is onterecht niet-ontvankelijk verklaard en moet alsnog inhoudelijk worden beoordeeld. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarnaast wordt het bestuur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het dagelijks bestuur moet het verzoek om schadevergoeding inhoudelijk beoordelen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2025 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
[naam maatschap], het dagelijks bestuur
(gemachtigde: mr. J.G.H. Hartwijk).

Inleiding

1. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Sinds juli 2020 ligt er beslag op zijn uitkering vanwege een schuld. Daarom werd er tot oktober 2024 elke maand een deel van zijn uitkering ingehouden en aan de beslaglegger afgedragen. Ook werd zijn vakantiegeld maandelijks apart gezet en één keer per jaar aan hem uitbetaald. Deze werkwijze wordt verder ‘de oude werkwijze’ genoemd.
1.1.
Met het besluit van 17 september 2024 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat eisers vakantiegeld vanaf oktober 2024 niet meer maandelijks wordt gereserveerd, maar met de bijstandsuitkering wordt uitbetaald. Ook is meegedeeld dat eisers vakantiegeld vanaf oktober 2024 maandelijks wordt gereserveerd voor de beslaglegger en vervolgens éénmaal per jaar aan de beslaglegger wordt betaald. Hiermee wordt bedoeld – zo is later gebleken – dat eisers vakantiegeld nu elke maand wordt uitbetaald in plaats van één keer per jaar. Daarnaast wordt er elke maand een bedrag apart gezet voor de beslaglegger, maar dit bedrag wordt nu één keer per jaar aan de beslaglegger betaald in plaats van elke maand. Deze werkwijze wordt verder ‘de nieuwe werkwijze’ genoemd. Eiser krijgt door die nieuwe werkwijze elke maand meer geld op zijn rekening.
1.2.
Eiser is het eens met de nieuwe werkwijze, maar vindt dat het dagelijks bestuur deze werkwijze ook al had moeten toepassen in de maanden vóór oktober 2024. Omdat dat niet is gebeurd, heeft hij elke maand te weinig bijstandsuitkering gekregen en moest hij rondkomen van minder dan het bestaansminimum. Daarom heeft hij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2024 en verzocht om een schadevergoeding van € 1.999,39 voor de kosten die de beslagleggers in rekening brachten in de maanden vóór oktober 2024.
1.3.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 23 januari 2025 (het bestreden besluit). In dat besluit heeft het dagelijks bestuur eisers bezwaar tegen het besluit van 17 september 2024 ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur eisers bezwaar tegen de kosten die de beslagleggers in rekening hebben gebracht niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden deelgenomen. Eiser is niet verschenen.

Standpunt van eiser in beroep

2. Eiser vindt dat het dagelijks bestuur te lang is doorgegaan met de oude werkwijze, ook nadat de Rechtbank Noord-Holland in de uitspraak van 23 maart 2023 (ECLI:NL:RBNHO:2023:2644) duidelijk heeft gemaakt dat deze werkwijze in strijd is met de wet en dat bijstandsontvangers daardoor veel nadeel hebben. Het dagelijks bestuur is pas vanaf 1 oktober 2024 overgestapt op de nieuwe werkwijze. Volgens eiser had het dagelijks bestuur die nieuwe werkwijze met terugwerkende kracht moeten toepassen, bijvoorbeeld vanaf 1 januari 2021 (toen de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) in werking is getreden) of vanaf 23 maart 2023 (de datum van de hiervoor genoemde uitspraak). Eiser vindt dat het dagelijks bestuur de schade moet betalen die hij door de late overstap heeft geleden.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beslagvrije voet en de keuze van afdragen
4. Volgens artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit betekent dat maximaal 5% van een bijstandsuitkering mag worden inhouden. Het doel van deze regel is dat iemand altijd genoeg geld overhoudt om van te leven, namelijk 95% van de bijstandsnorm (zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068). Volgens de wetgever is dit bedrag genoeg om rond te komen op een minimumniveau. Iemand mag dus niet minder overhouden dan die 95%.
5. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wvbvv volgt dat degene die het beslag uitvoert mag kiezen hoe hij die 5% die wordt ingehouden, verdeelt: ofwel elke maand 5% afdragen aan de deurwaarder, ofwel het vakantiegeld (5%) reserveren voor de deurwaarder en dit bedrag één keer per jaar afdragen in mei (zie
Kamerstukken II2016/17, 34 628, nr. 3, par. 3.8).
De oude werkwijze van het dagelijks bestuur
6. Volgens de oude werkwijze kreeg eiser een bijstandsuitkering, waarbij elke maand 5% werd gereserveerd voor vakantiegeld. Dat vakantiegeld kreeg hij elk jaar uitgekeerd. Daarnaast werd er elke maand 5% ingehouden, dat meteen aan de beslaglegger werd betaald.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de oude werkwijze in strijd is met de wet, want daardoor kreeg eiser maar 90% van zijn bijstandsnorm per maand, terwijl hij minimaal 95% zou moeten krijgen. De beslagvrije voet is juist in het leven is geroepen om ervoor te zorgen dat iemand voldoende middelen overhoudt om in de (basale) kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat volgt uit de MvT (zie
Kamerstukken II2016/17, 34 628, nr. 3, par. 1). Daar komt nog bij dat de kosten voor het maandelijks afdragen veel hoger zijn dan wanneer er één keer per jaar wordt afgedragen.
6.2.
Beide partijen zijn het eens dat het dagelijks bestuur met het besluit van 17 september 2024 de oude werkwijze heeft aangepast, in overeenstemming met de regels van de beslagvrije voet.
De nieuwe werkwijze van het dagelijks bestuur
7. In geschil is of het dagelijks bestuur de nieuwe werkwijze ten onrechte pas vanaf oktober 2024 heeft ingevoerd.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur niet goed heeft uitgelegd waarom is gekozen voor 1 oktober 2024 als ingangsdatum. Het dagelijks bestuur wist, of had moeten weten, dat de oude werkwijze niet in overeenstemming met de regels over de beslagvrije voet was. Uit zowel het besluit van 17 september 2024 als het bestreden besluit blijkt dat het dagelijks bestuur op de hoogte was van de in overweging 2 genoemde uitspraak en dat die uitspraak de reden was om de oude werkwijze aan te passen. De rechtbank vindt niet dat, zoals het dagelijks bestuur heeft gesteld, van eiser mocht worden verwacht dat hij eerder bezwaar had gemaakt, bijvoorbeeld tegen de uitkeringsspecificatie van april 2023, om daarmee (eerder) aanpassing van de oude werkwijze te bewerkstelligen. De rechtbank vindt dat het dagelijks bestuur de verantwoordelijkheid heeft om een werkwijze aan te passen die in strijd met de wet is. Volgens het dagelijks bestuur werd voor oktober 2024 een computersysteem gebruikt dat geen jaarlijkse afdracht kon verwerken. Dat verandert niets aan het oordeel van de rechtbank, nu dit voor rekening en risico van het dagelijks bestuur is. Bovendien heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur tijdens de zitting toegegeven dat de nieuwe werkwijze wel eerder had kunnen worden ingevoerd als eiser eerder bezwaar had gemaakt. Een individuele aanpassing was dan mogelijk geweest. Daarom concludeert de rechtbank dat het dagelijks bestuur de nieuwe werkwijze inderdaad eerder had kunnen en dus ook had moeten toepassen.
7.2.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser krijgt op dit punt dus gelijk. Deze beroepsgrond slaagt.
Schadevergoeding
8. Tot slot is de vraag of het dagelijks bestuur eisers verzoek om schadevergoeding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
8.1.
Eiser vindt dat de kosten die de deurwaarders vóór oktober 2024 in rekening hebben gebracht, door het dagelijks bestuur moeten worden vergoed. Volgens eiser is er in de afgelopen jaren totaal € 1.999,39 betaald, zoals te zien is in de tabel die hij op 1 oktober 2024 per e-mail met zijn bezwaarschrift heeft meegestuurd naar het dagelijks bestuur. Eiser stelt dat dit bedrag zijn schade is en vindt dat dit bedrag aan hem moet worden terugbetaald.
8.2.
Zoals hiervoor is overwogen, was de oude werkwijze in strijd met de regels over de beslagvrije voet. De rechtbank stelt vast dat eiser hierdoor elke maand te weinig bijstandsuitkering kreeg en dus moest rondkomen van minder dan het bestaansminimum. Omdat het dagelijks bestuur ervoor koos om elke maand geld af te dragen in plaats van één keer per jaar, had eiser elke maand extra kosten voor de inning van het beslag. Uit het dossier blijkt dat de kosten bij een maandelijkse afdracht veel hoger zijn dan de kosten bij een jaarlijkse afdracht. In sommige maanden was het dagelijks bestuur zelf de schuldeiser en werden er geen extra kosten of rente gerekend. In andere maanden gebeurde dat dus wel.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur eisers verzoek om schadevergoeding onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het dagelijks bestuur moet eisers verzoek daarom alsnog inhoudelijk beoordelen en daarop beslissen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep van eiser is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met wat in deze uitspraak staat. De rechtbank stelt daarvoor geen termijn, zodat partijen de tijd hebben om de nodige kennis te verzamelen over de relevante feiten en de af te wegen belangen.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het dagelijks bestuur het griffierecht (de kosten voor het indienen van het beroep) aan eiser vergoeden. Ook moet het dagelijks bestuur de proceskosten van eiser vergoeden. De vergoeding wordt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend. Omdat eiser bijstand door een gemachtigde had, krijgt hij 2 punten toegekend: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van zijn gemachtigde op de zitting. Elk punt is € 907,00 waard. Het totaal van de vergoeding komt op € 1.814,00.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het dagelijks bestuur opnieuw moet beslissen op eisers bezwaar en verzoek om schadevergoeding, met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het dagelijks bestuur op het betaalde griffierecht van € 53,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.