Eiser ontvangt een bijstandsuitkering waarop sinds juli 2020 beslag ligt. Tot oktober 2024 werd volgens een oude werkwijze maandelijks een deel van de uitkering ingehouden en direct aan de beslaglegger betaald, terwijl het vakantiegeld apart werd gereserveerd en jaarlijks werd uitbetaald. Met het besluit van 17 september 2024 wijzigde het dagelijks bestuur deze werkwijze, zodat het vakantiegeld vanaf oktober 2024 maandelijks werd uitbetaald en maandelijks een bedrag werd gereserveerd dat eenmaal per jaar aan de beslaglegger werd betaald.
Eiser is het eens met de nieuwe werkwijze maar stelt dat deze eerder had moeten worden toegepast, omdat hij anders moest rondkomen van minder dan het bestaansminimum. Hij maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht om schadevergoeding voor de extra kosten die de beslagleggers in rekening brachten. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar ongegrond en het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
De rechtbank oordeelt dat de oude werkwijze in strijd was met de wettelijke regels over de beslagvrije voet, waardoor eiser te weinig geld overhield. Het dagelijks bestuur had de nieuwe werkwijze eerder moeten invoeren en heeft dit onvoldoende gemotiveerd. Het verzoek om schadevergoeding is onterecht niet-ontvankelijk verklaard en moet alsnog inhoudelijk worden beoordeeld. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarnaast wordt het bestuur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser te vergoeden.