Partijen hadden een gezamenlijke woning waarvan zij ieder voor de helft eigenaar waren. Na het beëindigen van hun relatie ontstond een geschil over sieraden en dwangsommen. De vrouw legde conservatoir en executoriaal beslag op het aandeel van de man in de overwaarde van de woning.
Het vonnis van 24 mei 2024, waarin de man werd veroordeeld tot afgifte van sieraden en betaling van dwangsommen, werd in hoger beroep vernietigd. Het hof wees de vorderingen van de vrouw af, waardoor het oorspronkelijke vonnis haar werking verloor en de vrouw verplicht was tot ongedaanmaking van verrichte prestaties.
De rechtbank oordeelde dat het conservatoir beslag op de overwaarde van rechtswege verviel na intrekking van de vordering in hoger beroep. De vrouw werd veroordeeld om binnen drie werkdagen opdracht te geven aan de notaris om het volledige depotbedrag aan de man uit te keren en om € 9.507,27 aan ten onrechte geïncasseerde dwangsommen te restitueren, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor niet-nakoming en werd de vrouw veroordeeld in de proceskosten.