Eiser, die een diploma MBO niveau 2 behaalde en vervolgde met een MBO niveau 3 opleiding, kreeg een prestatiebeurs toegekend. Na een bindend studieadvies op basis van een capaciteitentest moest hij stoppen met de opleiding. Eiser verzocht om omzetting van de prestatiebeurs in een gift vanwege onvoldoende cognitieve capaciteiten, ondersteund door een verklaring van een orthopedagoog.
De minister wees het verzoek af omdat onvoldoende cognitieve capaciteiten geen structurele bijzondere omstandigheid vormen zoals bedoeld in artikel 4.14 van de Wet studiefinanciering 2000. De rechtbank bevestigt dit oordeel en verwijst naar vaste rechtspraak en eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
Eisers beroep op evenredigheid vanwege de financiële impact van terugvordering wordt eveneens verworpen. De rechtbank concludeert dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.