Verzoeker heeft op 27 januari 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een gedwongen schuldregeling af te dwingen jegens twee schuldeisers die niet instemden met het aangeboden akkoord. Het akkoord voorzag in een gedeeltelijke betaling aan preferente en concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en een afloscapaciteit die was gebaseerd op de voortzetting van een WW-uitkering.
Tijdens de zitting bleek dat verzoeker per 1 januari 2025 een fulltime dienstbetrekking had, terwijl het aanbod uitging van een lagere afloscapaciteit. Twee schuldeisers, met een gezamenlijk aandeel van bijna 80% in de schuldenlast, weigerden in te stemmen vanwege onvoldoende documentatie van het aanbod en het lage percentage van terugbetaling, mede gezien de recente leningen die verzoeker niet heeft terugbetaald.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tussen juli 2024 en januari 2025 actief heeft gesolliciteerd naar een fulltime baan, en dat het aanbod niet goed en controleerbaar was gedocumenteerd. Ook was het voorstel niet het uiterste waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Gezien het gewicht van de belangen van de weigeraars en de tekortkomingen in het voorstel, werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.