ECLI:NL:RBROT:2025:8822

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
C/10/684658 / FA RK 24-6253
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor erkenning van een minderjarige met internationale aspecten

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 8 juli 2025 een beschikking gegeven over vervangende toestemming voor de erkenning van een minderjarige. De man, die de Nederlandse nationaliteit heeft, verzoekt om erkenning van de minderjarige, die niet erkend is en waarvan de vrouw, die de Amerikaanse nationaliteit heeft, de moeder is. De vrouw verzet zich tegen de erkenning en stelt dat de man haar in het verleden heeft mishandeld, wat haar psychische klachten heeft bezorgd. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de raad voor de kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de situatie van de minderjarige en de belangen van beide ouders. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de erkenning, het gezag en de omgang, omdat de minderjarige in Nederland woont. De rechtbank heeft ook de informatieregeling tussen de partijen vastgelegd, waarbij de vrouw de man regelmatig op de hoogte moet houden van de minderjarige. De behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 februari 2026, waarbij de rechtbank de raad verzoekt om advies uit te brengen over de erkenning en het gezag.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/684658 / FA RK 24-6253
Beschikking van 8 juli 2025 over vervangende toestemming voor erkenning, het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de uitoefening van het omgangsrecht en de informatie- en consultatieregeling
in de zaak van:
[de man], hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. W.F. Boland-van Hal te Zutphen.
In deze zaak is belanghebbende:
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
[bijzondere curator], advocaat te [plaats 2] , hierna te noemen de bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op de griffie op
21 augustus 2024;
  • de beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2024, waarbij [bijzondere curator] is benoemd als bijzondere curator;
  • het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 3 december 2024;
  • het bericht van de man met bijlagen van 15 november 2024 en 12 maart 2025;
  • het bericht van de vrouw met bijlage van 24 maart 2025;
  • het bericht met bijlagen van de bijzondere curator van 27 maart 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Op [geboortedatum] 2022 is in [geboorteplaats 1] uit de vrouw geboren: [minderjarige] , hierna te noemen de minderjarige.
2.2.
De minderjarige is niet erkend.
2.3.
De vrouw is geboren in Pennsylvania ( de Verenigde Staten ).
2.4.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit . De vrouw en de minderjarige hebben beiden de Amerikaanse nationaliteit .

3.De beoordeling

3.1.
Vervangende toestemming, gezag en omgang
3.1.1.
De man verzoekt om aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige, om samen met de vrouw belast te worden met het gezag over de minderjarige en om vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) of van een uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt om te bepalen dat de man in de gelegenheid zal worden gesteld om de minderjarige te ontmoeten bij het Rotterdams Omgangshuis, waarbij de regie wordt gevoerd door de hulpverleners na overleg met de ouders.
3.1.3.
De bijzondere curator is van oordeel dat het verzoek van de man over de erkenning kan worden toegewezen.
3.1.4.
De raad heeft geadviseerd partijen te verwijzen naar omgangsbegeleiding. Het gezag moet worden afgewezen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht vervangende toestemming erkenning
3.1.5.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat verzoeker woonplaats in Nederland heeft.
3.1.6.
Op grond van artikel 10:95 BW wordt de vraag of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. De peildatum is het tijdstip van de erkenning. Omdat de man de Nederlandse nationaliteit bezit is Nederlands recht van toepassing op de erkenning. Volgens ons recht is erkenning mogelijk na toestemming van de vrouw of vervangende toestemming door de rechtbank.
3.1.7.
Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW is het recht van Pennsylvania van toepassing op de toestemming van de vrouw tot erkenning, omdat op de toestemming van de moeder en de minderjarige tot de erkenning het recht van de staat (in de Verenigde Staten ) waarvan de moeder en de minderjarige de nationaliteit bezit van toepassing is. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of deze bij gebreke van toestemming kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.
3.1.8.
Artikel 23 PA Cons Stat § 5103 (2024) bepaalt onder meer dat voor erkenning ‘consent’ van de moeder van het kind nodig is. Vervanging van deze toestemming van de moeder door een rechterlijke beslissing is naar het recht van Pennsylvania niet mogelijk. In een dergelijk geval is een ‘claim of paternity’ mogelijk op grond van sub b). Op een dergelijk verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap zou de Nederlandse rechter Nederlands recht toepassen. Bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de vrouw moet namelijk op grond van artikel 10:97 lid 1 in verbinding met lid 3 BW worden aangeknoopt bij de gewone verblijfplaats van de man en de vrouw. Artikel 1:207 BW kent echter aan de vader geen ingang toe om zijn vaderschap gerechtelijk vast te laten stellen.
3.1.9.
Het voorgaande betekent dat er geen juridische toetsing kan plaatsvinden waarin de belangen van de moeder, het kind en de vermoedelijke vader afgewogen kunnen worden. Dit is niet wenselijk (vgl. HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1428). De rechtbank zal daarom één en dezelfde conflictregel toepassen op artikel 10:95 lid 1 en 3 BW. Het met artikel 10:95 BW beoogde doel wordt namelijk het meest gediend door aan te nemen dat het recht dat ingevolge artikel 10:95 lid 1 BW van toepassing is op de erkenning tevens van toepassing is op de toestemming van de moeder tot de erkenning. Dat recht is in dit geval het Nederlandse recht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de man, de vrouw als het kind in Nederland wonen en deze zaak dus een nauwe betrokkenheid heeft bij de Nederlandse rechtsorde.
Rechtsmacht en toepasselijk recht gezag en omgang
3.1.10.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige en op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling
.
Inhoudelijk
3.1.11.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan vervangende toestemming worden verleend, tenzij de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt, mits de man de verwekker is van de minderjarige. De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen in een ongestoorde verhouding met de vrouw als in het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man. Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake als ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.
3.1.12.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man de biologische vader is van de minderjarige. Uit het verslag van de bijzondere curator volgt dat partijen zelf een DNA-test hebben gedaan, waaruit is gebleken dat de man de biologische vader is van de minderjarige.
3.1.13.
De vrouw heeft stevige beschuldigingen geuit aan het adres van de man. In het gesprek met de bijzondere curator heeft zij verteld dat de man veelvuldig middelen gebruikt, hij zich bezig heeft gehouden met loverboypraktijken en gedetineerd is geweest. Hij zou haar op enig moment hebben opgesloten waarna zij seksuele handelingen moest verrichten met een vriend van hem. De man zou hiervoor geld hebben gekregen. De man zou ook iets in haar drankje hebben gedaan, vervolgens seksuele handelingen met haar hebben verricht waarna zij zwanger bleek te zijn. De vrouw stelt door de gedragingen van de man trauma’s te hebben gekregen waarvoor zij tot voor kort werd behandeld bij een psycholoog. Erkenning leidt er volgens haar toe dat dat haar belangen bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige worden geschaad en/of dat door erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt. De man betwist de stellingen. Volgens hem ligt de oorzaak van trauma’s van de vrouw gelegen in haar kindertijd.
3.1.14.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vrouw psychische klachten heeft of heeft gehad vanwege haar verleden. De oorsprong van de klachten verdeelt partijen. De man verwijst naar de kindertijd van de vrouw. De vrouw geeft aan dat ook de contacten met de man traumatisch zijn geweest. Gelet op de aard en de ernst van de beschuldigingen door de vrouw acht de rechtbank zich nu onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over het verzoek van de man om de minderjarige te erkennen en de verzoeken over het gezag en de omgang. De raad heeft ook aangegeven dat het moeilijk in te schatten is wat passend is voor de minderjarige, gelet op de tegenstrijdigheid van de verhalen van partijen. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de raad over de voorliggende onderwerpen onderzoek doet en de rechtbank adviseert. Om deze reden zal de behandeling van de verzoeken worden aangehouden en zal de raad worden verzocht nader te rapporteren over deze onderwerpen.
3.1.15.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man graag omgang wil met de minderjarige, zal er, in afwachting van het raadsonderzoek, geen omgangsregeling worden vastgelegd. Gelet op de ernst en de aard van de beschuldigingen is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de minderjarige moet worden geacht om eerst het onderzoek van de raad af te wachten. De vrouw heeft ook aangegeven – in afwijking van haar verzoek – dat zij geen vertrouwen heeft in een omgangstraject. Dit biedt ook geen basis voor deze vorm van hulpverlening.
3.2.
Informatie- en consultatieregeling
3.2.1.
Partijen zijn het eens geworden over een informatieregeling zoals deze door de man is verzocht. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de informatieregeling hebben getroffen, te weten dat de vrouw de man per 1 juli 2025 één keer in het kwartaal informeert over hoe het gaat met de minderjarige (inclusief recente foto), hem de meest recente gegevens van het consultatiebureau verstrekt en dat zij hem direct zal informeren wanneer er ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de minderjarige spelen (zoals een ziekenhuisopname);
en voordat verder wordt beslist:
4.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de erkenning, het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de uitoefening van het omgangsrecht wordt aangehouden tot
1 februari 2026 PRO FORMA;
4.3.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over de erkenning, het ouderlijk gezag over de minderjarige en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht of de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
4.4.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;
4.5.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. E.M. Moerman, rechter tevens kinderrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 8 juli 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.