De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 4 juli 2025 een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009, vanwege ernstige zorgen over zijn schoolverzuim en thuissituatie. De kinderrechter behandelde dit verzoek op 10 juli 2025 gelijktijdig met de leerplichtzaak van de minderjarige. De moeder was niet aanwezig, maar de vader en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) waren wel aanwezig.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat er grote zorgen zijn over de thuissituatie en dat hulpverlening noodzakelijk is. De GI gaf aan dat er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is vanwege een forse wachtlijst, die varieert van enkele weken tot maanden afhankelijk van het cluster. De vader benadrukte dat de minderjarige zijn best doet en hulp zoekt, maar dat het belangrijk is dat hij weer naar school gaat.
De kinderrechter erkende de noodzaak van hulpverlening en het belang van de ondertoezichtstelling, maar oordeelde dat het toewijzen van de maatregel zonder beschikbare jeugdbeschermer een lege huls zou zijn. Dit zou in strijd zijn met de bedoeling van de maatregel. Daarom wees de kinderrechter het verzoek af. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak.