Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord;
- de repliek, met een bijlage;
- de dupliek, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiseres nakoming van een vaststellingsovereenkomst mede ondertekend door gedaagde, die formeel geen partij was in de eerdere procedure maar wel als feitelijk verhuurder optrad. Eiseres huurde onzelfstandige woonruimte waarbij een onderhuurconstructie bestond. De vordering betreft betaling van een bedrag van € 672,- plus rente en kosten.
De kantonrechter stelt vast dat het gevorderde bedrag bestaat uit borg, griffierecht van een eerdere procedure en een koopsom voor meubels. Van de borg is slechts € 530,- toewijsbaar conform de vaststellingsovereenkomst. Gedaagde heeft onvoldoende bewijs geleverd voor aftrek van kosten voor een defecte lamp. Het griffierecht en de koopsom meubels zijn eveneens toewijsbaar omdat gedaagde deze niet heeft gemotiveerd betwist.
Na verrekening van een reeds betaalde som van € 573,67 resteert een bedrag van € 93,33 dat gedaagde moet betalen. Daarnaast wordt de wettelijke rente toegewezen over de hoofdsom vanaf 9 november 2024. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 573,64. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 93,33 met rente en proceskosten aan eiseres.