De zaak betreft een geschil tussen Oude Binnenweg Vastgoed B.V. (OBV) en Rotterdam Apartments B.V. (RA) over de beëindiging van een agentuurovereenkomst die RA had voor de verhuur van appartementen van OBV. OBV beëindigde de overeenkomst per 1 oktober 2023, maar de kantonrechter oordeelde dat deze beëindiging onregelmatig was omdat geen tussentijdse opzegmogelijkheid was overeengekomen en geen dringende redenen voor beëindiging waren die onverwijld waren meegedeeld.
OBV eiste een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig was geëindigd en schadevergoeding van RA wegens tekortkomingen, terwijl RA dit betwistte en een tegenvordering instelde. De kantonrechter wees de verklaring voor recht af en oordeelde dat RA niet schadeplichtig is omdat de beëindiging niet op een dringende reden berustte. OBV is zelf schadeplichtig en moet RA €4.250,00 betalen als vergoeding voor gemiste courtage in het vierde kwartaal van 2023.
RA moet na verrekening €11.534,14 aan niet-afgedragen huurpenningen aan OBV betalen. De overige vorderingen, waaronder een klantenvergoeding van RA en schadevergoeding voor vermeende dubbele courtage in 2022, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of gebrek aan juridische grondslag.
De proceskosten worden door beide partijen zelf gedragen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De kantonrechter benadrukte dat OBV geen dringende redenen had voor tussentijdse beëindiging en dat de wettelijke bepalingen omtrent agentuurovereenkomsten strikt zijn toegepast.