Uitspraak
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 mei 2017.
Hoge Raad
Prijsvrij, een online aanbieder van pakketreizen, vorderde een klantenvergoeding van Corendon, een touroperator, na beëindiging van hun agentuurovereenkomst. De vordering was gebaseerd op artikel 7:442 lid 1 BW Pro, waarbij Prijsvrij aanspraak maakte op vergoeding van haar gemiddelde provisie over twaalf maanden.
De kantonrechter kende de vergoeding toe, maar het gerechtshof vernietigde dit en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat Prijsvrij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Corendon na het einde van de agentuurovereenkomst nog substantieel voordeel ontleent aan de klantenrelaties die Prijsvrij had aangebracht of uitgebreid.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat de agent aannemelijk moet maken dat de principaal nog in relevante mate voordeel kan verwachten van de aangebrachte klanten. Het enkele feit dat klanten herhaaldelijk reizen boeken, is onvoldoende bewijs voor het vereiste voordeel. De Hoge Raad vond de motivering van het hof begrijpelijk en voldoende.
De Hoge Raad veroordeelde Prijsvrij tot betaling van de proceskosten. Hiermee blijft de afwijzing van de klantenvergoeding in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de klantenvergoeding.