Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 april 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de repliek, met bijlagen;
- de dupliek.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiser herroeping van een verstekvonnis van januari 2012 waarin hij werd veroordeeld tot betaling aan ICS en het afgeven van zijn creditcard. Eiser stelt procedurele en materiële gronden aan zijn verzoek ten grondslag, waaronder onbevoegdheid van de rechter en schending van informatie- en zorgplichten door ICS.
De rechtbank oordeelt dat eiser reeds in september 2012 op de hoogte was van het verstekvonnis en de tenuitvoerlegging daarvan, waardoor de termijn van drie maanden voor herroeping volgens artikel 383 Rv Pro ruimschoots is verstreken. Daarnaast ontbreken inhoudelijke gronden voor herroeping, zoals bedrog of het achterhouden van beslissende stukken door ICS, zodat ook inhoudelijk geen reden bestaat om het vonnis te herroepen.
De rechtbank benadrukt dat procedurele gronden voor herroeping sinds 2002 niet meer gelden en dat de termijn voor verzet tegen het verstekvonnis niet meer kan worden opgerekt tot het jaar 2025. Ook het ontbreken van vergunningen door ICS vormt geen grond voor herroeping, aangezien eiser het krediet daadwerkelijk heeft gebruikt en het verschuldigde bedrag moet worden terugbetaald.
De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van ICS, begroot op €813,-.
Uitkomst: De vordering tot herroeping van het verstekvonnis wordt afgewezen wegens te late indiening en gebrek aan inhoudelijke gronden.