De rechtbank Rotterdam behandelde op 29 juli 2025 een zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, een revolver en een pistool, op of omstreeks 8 augustus 2024 in Dordrecht. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 20 maanden.
De verdediging voerde aan dat de doorzoeking onrechtmatig was en dat er geen bewijs was dat verdachte wist van en beschikte over de wapens die buiten zijn kelderbox waren aangetroffen. De rechtbank stelde vast dat de tenlastelegging Dordrecht als pleegplaats vermeldde, terwijl de wapens nabij de kelderbox in Rotterdam waren gevonden.
Omdat de tenlastelegging niet vermeldde dat de wapens ook in Nederland konden zijn aangetroffen en de feitelijke vondstplaats niet Dordrecht was, kon de rechtbank de feiten niet bewezen verklaren. Hierdoor volgde vrijspraak. De overige verweren behoefden geen bespreking meer.