ECLI:NL:RBROT:2025:9751
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van de Opiumwet
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege vermoedelijke betrokkenheid bij drugshandel. De burgemeester baseerde dit besluit op een bestuurlijke rapportage waarin politieobservaties en vondsten in de woning werden beschreven.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of er een spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel in de woning geen drugs zijn aangetroffen, zijn wel versnijdingsmiddelen en drugspers aangetroffen, en was verzoeker betrokken bij een vermoedelijk mislukte drugsdeal.
De rechter concludeerde dat de burgemeester bevoegd was en dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om de openbare orde te herstellen en drugshandel te bestrijden. De duur van zes maanden sluiting is passend, ook gezien de beleidsregel en de omstandigheden.
Verzoekers psychische problemen en therapiebehoefte wegen niet zwaarder dan het belang van de sluiting. De voorzieningenrechter achtte de sluiting evenwichtig en wees het verzoek af, waardoor de woning gesloten blijft gedurende de opgelegde termijn.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de woning gesloten blijft voor zes maanden.