ECLI:NL:RBROT:2025:9757

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
12 augustus 2025
Zaaknummer
NL:TZ:0000182414:B001
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 8 Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bewindvoerder tot verlenging hogere beloning na schuldenvrijverklaring

De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de bewindvoerder om het hoge schuldentarief gedurende een jaar na het bereiken van schuldenvrijheid door een nulaanbod te mogen blijven berekenen. De bewindvoerder baseerde dit verzoek op artikel 1 lid 8 van Pro de Regeling Beloning, dat voorziet in een hogere beloning in uitzonderlijke omstandigheden vanwege de extra werkzaamheden in de beginfase van het schuldenbewind.

Het bewind was ingesteld vanwege problematische schulden en liep sinds 2 maart 2021. De hogere beloning was vastgesteld per 3 maart 2021. Op 23 mei 2025 was betrokkene schuldenvrij door acceptatie van een nulaanbod, een schuldregeling zonder afloscapaciteit. De bewindvoerder verzocht daarop om het hoge tarief nog een jaar te mogen rekenen.

De rechtbank hanteert het beleid dat bij een nulaanbod de hogere beloning maximaal 18 maanden na aanmelding bij schuldhulpverlening geldt, met een uiterste limiet van 24 maanden vanaf het begin van het bewind. Deze periode was in deze zaak al verstreken op het moment van schuldenvrijverklaring. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De beslissing is genomen zonder mondelinge behandeling en is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025 door kantonrechter C.J. Frikkee. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek om het hoge schuldentarief nog een jaar na schuldenvrijverklaring te mogen berekenen is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Toezicht
Locatie Rotterdam
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000182414:B001
CBM-nummer
:
[nummer]
beschikkingsnummer
:
2
datum
:
7 augustus 2025

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:

Fidinda CBM B.V.,[postadres],Kamer van Koophandel-nummer [kvk-nummer],

hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:

[betrokkene],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,wonende te [adres], [postcode] [woonplaats],hierna te noemen: betrokkene.

Het verzoek

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 2 maart 2021 is bewind ingesteld vanwege een lichamelijke of geestelijke grond.
In een beschikking van 6 mei 2021 heeft de kantonrechter de beloning van de bewindvoerder met ingang van 3 maart 2021 vastgesteld conform het hoge schuldentarief, in verband met de problematische schulden van betrokkene.
Op 27 mei 2025 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend om het hoge schuldentarief nog gedurende een jaar in rekening te mogen brengen, vanaf het moment dat betrokkene schuldenvrij is geraakt door een nulaanbod (28 april 2025).
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Beoordeling

De bewindvoerder vraagt om voor een periode van 12 maanden na acceptatie van een nulaanbod – dat is een schuldregeling zonder afloscapaciteit – het hogere schuldentarief te mogen rekenen. De kantonrechter wijst het verzoek af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De Rechtbank Rotterdam hanteert bij verzoeken om in deze situatie toch een hogere beloning te mogen rekenen het volgende beleid. De bewindvoerder heeft bij een geaccepteerd nulaanbod in beginsel recht op de hogere beloning voor een periode van 18 maanden na het moment waarop betrokkene is aangemeld bij schuldhulpverlening, met een maximum van 24 maanden vanaf datum waarop het bewind is gestart. Dit geldt voor de situatie dat het bewind nog doorloopt nadat de problematische schulden zijn opgelost. Dat kan zijn omdat er nog een zelfredzaamheidstraject moet worden gevolgd, of omdat de grond van het bewind is gewijzigd naar lichamelijk/geestelijke grond, zoals bij betrokkene.
De grondslag voor deze tijdelijke hogere beloning is artikel 1 lid 8 van Pro de Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling Beloning). Er is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 1 lid 8 van Pro de Regeling Beloning, omdat de bewindvoerder in de beginfase van het schuldenbewind relatief veel werk moet verzetten en door het geaccepteerde nulaanbod ineens terugvalt naar de lagere beloning. Met een tijdelijk hoger tarief is het mogelijk om te voorzien in een adequate vergoeding ook voor de werkzaamheden die in de periode voor het nulaanbod door de bewindvoerder zijn verricht.
Op deze manier wordt de beloning voor de bewindvoerder in deze situatie in lijn gebracht met de situatie dat wél sprake is van afloscapaciteit. In die situatie zou de bewindvoerder gedurende het minnelijk of wettelijke schuldentraject van doorgaans 18 maanden, dat volgt op een periode waarin de bewindvoerder betrokkene begeleidt richting schuldhulpverlening, ook de hogere beloning in rekening mogen brengen. De bedoeling van de periode van 24 maanden na start bewind is om recht te doen aan de omstandigheid dat een bewindvoerder juist in de beginfase extra werkzaamheden moet verrichten in het kader van toeleiding naar schuldhulpverlening.
In deze zaak leidt dit toetsingskader tot het volgende oordeel. Betrokkene staat sinds 17 juni 2022 onder bewind wegens problematische schulden. Betrokkene is sinds 23 mei 2025 schuldenvrij, doordat zijn schuldeisers een nulaanbod hebben geaccepteerd. Hierdoor is het hogere schuldentarief niet langer van toepassing. Er is geen reden om na deze datum nog langer het hogere schuldentarief te mogen berekenen. De periode van 24 maanden is al geëindigd.

Beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.