Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord;
- bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en van het onder 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.
4.Waardering van het bewijs
5.Strafbaarheid feit
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;
[benadeelde 1]te betalen een bedrag
van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande uit € 17.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
[slachtoffer]te betalen een bedrag van
€ 269.640,50 (zegge: tweehonderdnegenenzestigduizend zeshonderdveertig euro en vijftig cent), bestaande uit € 19.640,50 aan materiële schade en uit € 250.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
[slachtoffer]meer gevorderde dan is toegewezen ten aanzien van de immateriële schade;
[slachtoffer]niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[benadeelde 1]te betalen
€ 17.500,-(hoofdsom,
zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 17.500,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
122 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[slachtoffer]te betalen
€ 269.640,50(hoofdsom,
zegge: tweehonderdnegenenzestigduizend zeshonderdveertig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 269.640,50 niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
365 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 1]en [benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.