6.2.Eiser heeft tegen deze afwijzende besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten onherroepelijk zijn en de afwijzingen van de aanvragen in rechte vaststaan.
7. Eiser heeft eerder, op 9 maart 2023, een bijstandsuitkering voor een alleenstaande aangevraagd. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 12 december 2023 afgewezen, kort weergegeven, op de grond dat eiser, gelet op zijn huwelijk met mevrouw [naam] ( [naam] ), geen recht heeft op bijstand. In de beslissing op bezwaar van 6 februari 2024 heeft het college het besluit van 12 december 2023 gehandhaafd op de grond dat eiser niet duurzaam gescheiden leeft van [naam] als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Pw en daarom voor de Pw geen alleenstaande is.
Met de uitspraak van 22 november 2024, bij partijen bekend onder zaaknummer
ROT 24/2850, heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van 6 februari 2024 ongegrond verklaard.
8. De rechtbank deelt het standpunt van het college dat de door eiser gestelde verwijzingen naar zijn verklaringen in 2023 betrekking hebben op de periode 9 maart 2023 tot en met 12 december 2023. Deze periode is thans niet in geding. De rechtbank heeft in de uitspraak in de procedure ROT 24/2850 in rechtsoverwegingen 11.1. en 11.3. uitgebreid gemotiveerd dat in die periode geen sprake was van duurzaam gescheiden leven van eiser en [naam] . Pas bij de aanvraag van 22 oktober 2024 is gebleken van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden. Uit de verklaringen die eiser naar aanleiding van die aanvraag heeft afgelegd heeft het college mogen afleiden dat de contacten van eiser met [naam] alleen nog betrekking hebben op de kinderen in het kader van een omgangsregeling, zodat thans wel sprake is van duurzaam gescheiden leven.
Voorts kan in aanmerking worden genomen dat uit de relatie tussen eiser en [naam] drie kinderen zijn geboren, en wel op 11 maart 2013, 23 maart 2019 en 4 december 2022.
Dit is bezwaarlijk te verenigen met eisers stelling dat zijn situatie sinds 2015 niet wezenlijk is gewijzigd.
9. Eisers betoog dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onrechtmatig is, slaagt niet. Het college heeft terecht vastgesteld, en voldoende gemotiveerd, dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die betrekking hebben op deze perioden.Van evidente onredelijkheid is de rechtbank niet gebleken.
10. Eisers betoog dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept of artikel 44, eerste lid, van de Pw onrechtmatig is, kan evenmin slagen. Artikel 44, eerste lid, van de Pw bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
11. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroepkan van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of dat hij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene
niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen. Eisers stelling dat het college eerdere besluiten onjuist heeft beoordeeld is geen bijzondere omstandigheid. Eerdere afwijzende besluiten waartegen geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld krijgen formele rechtskracht (worden onherroepelijk) en worden in een latere procedure niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld.
12. Zover eiser heeft verwezen naar de transcripties van de gesprekken die hij heeft gevoerd met de behandelend ambtenaar kan hem dat niet baten. Deze gesprekken lijken niet te handelen over de periode in geding. Overigens kan niet worden vastgesteld dat deze transcripties waarheidsgetrouw zijn. Wel kan worden vastgesteld dat eiser zijn handtekening heeft gezet onder de verklaringen van 5 december 2024 en 16 januari 2025, zodat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat eiser het eens is met wat in de verklaringen staat.
13. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.