ECLI:NL:RBROT:2026:1161

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 3851
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:58 AwbArt. 44 PwArt. 3 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum bijstandsuitkering

Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 12 december 2023, maar het college heeft deze aanvraag afgewezen en de uitkering toegekend vanaf 22 oktober 2024. Eiser betoogt dat eerdere afwijzingen onrechtmatig zijn en dat zijn situatie sinds 2015 ongewijzigd is, wat een eerdere ingangsdatum rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere besluiten onherroepelijk zijn omdat er geen rechtsmiddelen tegen zijn ingesteld en dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De rechtbank wijst ook het beroep van eiser af op grond van het ontbreken van bijzondere omstandigheden die afwijken van de wettelijke regel dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag van aanvraag.

Verder is vastgesteld dat eiser pas vanaf de aanvraag van 22 oktober 2024 duurzaam gescheiden leeft van zijn partner, wat de grondslag vormt voor de toekenning van de bijstand vanaf die datum. De rechtbank vindt geen schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op 22 oktober 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, het college
(gemachtigde: mr. N.D. Fritz-Pierik).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiser. Eiser is het niet eens met de door het college vastgestelde datum. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht de bijstandsuitkering vanaf 22 oktober 2024 heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot oordeel dat er geen reden is de bijstandsuitkering eerder in te laten gaan dan 22 oktober 2024. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 30 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college eiser een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend per 22 oktober 2024.
2.1.
Met het besluit van 28 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 22 oktober 2024 een bijstandsuitkering aangevraagd. Eiser heeft verzocht de uitkering vanaf 12 december 2023 te krijgen. Met het primaire besluit heeft het college eiser een bijstandsuitkering toegekend vanaf 22 oktober 2024. Een bijstandsuitkering over de periode van 12 december 2023 tot 22 oktober 2024 heeft het college afgewezen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de perioden van 12 december 2023 tot en met 23 april 2024 en van 3 mei 2024 tot en met 11 juli 2024 is terugwerkende kracht afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder verwijzing naar de eerdere besluiten van 23 april 2024, 2 juli 2024 en 11 juli 2024. Er is niet gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.
Voor de perioden van 24 april 2024 tot 3 mei 2024 en van 12 juli 2024 tot 22 oktober 2024 is terugwerkende kracht afgewezen onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, van de Pw. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een eerdere ingangsdatum van de bijstand zouden rechtvaardigen.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt - kort weergegeven - dat de bijstandsuitkering per 12 december 2023 dient te worden toegekend. Volgens eiser is zijn feitelijke leefsituatie sinds medio 2015 ongewijzigd en blijkt met de toekenning van de uitkering per 22 oktober 2024 dat de eerdere afwijzingen onjuist waren. Eiser betoogt dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onrechtmatig is, nu de eerdere besluiten zelf ondeugdelijk zijn en met miskenning van cruciale, tijdig aangeleverde informatie tot stand zijn gekomen. Eiser betoogt dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept op artikel 44, eerste lid, van de Pw onrechtmatig is, nu de stelselmatige en aantoonbaar onjuiste beoordeling door het college zelf de bijzondere omstandigheid vormt.
Eiser betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende en innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd en van een onzorgvuldige en bevooroordeelde handelwijze getuigt.
Het oordeel van de rechtbank
5. Voordat de rechtbank tot bespreking van de beroepsgronden overgaat, dient zij allereerst te beoordelen of zij met het oog op de goede procesorde de door eiser op 12 januari 2026 ingediende schriftelijke reactie bij de beoordeling van de beroepsgronden kan betrekken. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. De door eiser op 12 januari 2026 ingezonden stukken zijn buiten deze termijn ingediend. Het college heeft er niet meer adequaat op kunnen reageren, zodat deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zullen moeten blijven.
6. Het geschil betreft de periode van 12 december 2023, de verzochte ingangsdatum, tot 22 oktober 2024, de ingangsdatum van de bijstandsuitkering.
6.1.
Eiser heeft in deze periode de volgende drie bijstandsaanvragen ingediend, waarop het college heeft beslist:
- Op 8 maart 2024 (met verzochte ingangsdatum van 8 september 2022). Deze is afgewezen bij besluit van 23 april 2024 (waarbij de afwijzing in vier perioden is beoordeeld);
- Op 3 mei 2024. Deze is afgewezen bij besluit van 2 juli 2024;
- Op 27 juni 2024. Deze is afgewezen bij besluit van 11 juli 2024.
6.2.
Eiser heeft tegen deze afwijzende besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten onherroepelijk zijn en de afwijzingen van de aanvragen in rechte vaststaan.
7. Eiser heeft eerder, op 9 maart 2023, een bijstandsuitkering voor een alleenstaande aangevraagd. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 12 december 2023 afgewezen, kort weergegeven, op de grond dat eiser, gelet op zijn huwelijk met mevrouw [naam] ( [naam] ), geen recht heeft op bijstand. In de beslissing op bezwaar van 6 februari 2024 heeft het college het besluit van 12 december 2023 gehandhaafd op de grond dat eiser niet duurzaam gescheiden leeft van [naam] als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Pw en daarom voor de Pw geen alleenstaande is.
Met de uitspraak van 22 november 2024, bij partijen bekend onder zaaknummer
ROT 24/2850, heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van 6 februari 2024 ongegrond verklaard.
8. De rechtbank deelt het standpunt van het college dat de door eiser gestelde verwijzingen naar zijn verklaringen in 2023 betrekking hebben op de periode 9 maart 2023 tot en met 12 december 2023. Deze periode is thans niet in geding. De rechtbank heeft in de uitspraak in de procedure ROT 24/2850 in rechtsoverwegingen 11.1. en 11.3. uitgebreid gemotiveerd dat in die periode geen sprake was van duurzaam gescheiden leven van eiser en [naam] . Pas bij de aanvraag van 22 oktober 2024 is gebleken van nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden. Uit de verklaringen die eiser naar aanleiding van die aanvraag heeft afgelegd heeft het college mogen afleiden dat de contacten van eiser met [naam] alleen nog betrekking hebben op de kinderen in het kader van een omgangsregeling, zodat thans wel sprake is van duurzaam gescheiden leven.
Voorts kan in aanmerking worden genomen dat uit de relatie tussen eiser en [naam] drie kinderen zijn geboren, en wel op 11 maart 2013, 23 maart 2019 en 4 december 2022.
Dit is bezwaarlijk te verenigen met eisers stelling dat zijn situatie sinds 2015 niet wezenlijk is gewijzigd.
9. Eisers betoog dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onrechtmatig is, slaagt niet. Het college heeft terecht vastgesteld, en voldoende gemotiveerd, dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die betrekking hebben op deze perioden. [1] Van evidente onredelijkheid is de rechtbank niet gebleken.
10. Eisers betoog dat de afwijzing voor de perioden waarvoor het college zich beroept of artikel 44, eerste lid, van de Pw onrechtmatig is, kan evenmin slagen. Artikel 44, eerste lid, van de Pw bepaalt dat bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
11. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of dat hij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene
niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen. Eisers stelling dat het college eerdere besluiten onjuist heeft beoordeeld is geen bijzondere omstandigheid. Eerdere afwijzende besluiten waartegen geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld krijgen formele rechtskracht (worden onherroepelijk) en worden in een latere procedure niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld.
12. Zover eiser heeft verwezen naar de transcripties van de gesprekken die hij heeft gevoerd met de behandelend ambtenaar kan hem dat niet baten. Deze gesprekken lijken niet te handelen over de periode in geding. Overigens kan niet worden vastgesteld dat deze transcripties waarheidsgetrouw zijn. Wel kan worden vastgesteld dat eiser zijn handtekening heeft gezet onder de verklaringen van 5 december 2024 en 16 januari 2025, zodat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat eiser het eens is met wat in de verklaringen staat.
13. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug, terwijl van proceskosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:835.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2798 en 18 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1707.