Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1178

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/10/692909 / FA RK 25-419
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 4 BWArt. 1:397 lid 1 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie wegens gewijzigde draagkracht en verdiencapaciteit

De man verzoekt wijziging van de kinderalimentatiebeschikking van 15 mei 2024 wegens gewijzigde omstandigheden, met name het wegvallen van zijn inkomen als zzp’er en het ontvangen van een uitkering sinds oktober 2024.

De rechtbank stelt vast dat de man vanaf 1 oktober 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en geen draagkracht heeft tot 1 mei 2026. Vanaf die datum wordt uitgegaan van een verdiencapaciteit gelijk aan het minimumloon, waaruit een draagkracht van €172 per maand volgt.

De behoefte van de minderjarige kinderen is vastgesteld op €1.607 per maand, met een zorgkorting van 25%. Omdat de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de behoefte, wordt de bijdrage van de man beperkt tot zijn draagkracht.

De rechtbank wijzigt de alimentatiebeschikking zodanig dat de bijdrage van de man nihil is tot 1 mei 2026 en daarna €86 per maand per kind, met jaarlijkse wettelijke indexering. Proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie naar nihil tot 1 mei 2026 en €86 per maand per kind vanaf die datum.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/692909 / FA RK 25-419
Beschikking van 12 februari 2026 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A. van Hecke te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 17 januari 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 16 maart 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 31 oktober 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 21 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat, en
  • de vrouw met haar advocaat.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2024 is bepaald dat de man met ingang van 7 februari 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van die minderjarigen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 332,- per maand per kind.

3.De beoordeling

3.1.
Onderhoudsbijdragen
3.1.1.
De man verzoekt wijziging van voormelde beschikking van 15 mei 2024 in die zin, dat de daarin vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) wordt bepaald op nihil, tenminste voor de duur van het schuldentraject.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.1.4.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW Pro). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.1.5.
Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (art. 1:397 lid 1 BW Pro).
3.1.6.
De man stelt dat de in de beschikking van 15 mei 2024 vastgestelde kinderbijdrage moet worden gewijzigd omdat sprake is van nadien gewijzigde omstandigheden en omdat die bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.7.
De rechtbank verwerpt de stelling dat die bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. De man heeft (nog steeds) nagelaten zijn inkomensgegevens over 2023 en begin 2024 inzichtelijk te maken. Ook heeft hij niet gesteld van welke inkomensgegevens had moeten worden uitgegaan. De rechtbank is dan ook niet in staat om te beoordelen of die bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord.
3.1.8.
Ten aanzien van de gewijzigde omstandigheden stelt de man dat dit is gelegen in het wegvallen van zijn inkomen als zzp’er. Na jaren als zzp’er in de zorg te hebben gewerkt en daaruit inkomen te hebben gegenereerd, is vanwege aangepaste regelgeving en strengere controle voor zzp’ers de relatie met zijn opdrachtgever gestopt. Omdat de man geen diploma heeft, wordt hij nergens aangenomen. Sinds 27 april 2024 ontvangt hij een uitkering op grond van de Participatiewet.
3.1.9.
De rechtbank overweegt hierover dat de man na betwisting niet heeft aangetoond dat hij sinds 27 april 2024 voornoemde uitkering had. Wel heeft hij een specificatie overgelegd waaruit blijkt dat hij in oktober 2024 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Participatiewet, alsmede een specificatie van december 2025. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de man in ieder geval vanaf 1 oktober 2024 een uitkering had op grond van de Participatiewet, en dat hij die thans nog heeft.
3.1.10.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man wel voldoende draagkracht zou hebben, gelet op zijn levenswijze en uitgavenpatroon en dat hij samenwoont met zijn nieuwe partner op grond waarvan hij een hogere uitkering zou moeten krijgen (voor samenwonenden). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling hierover nader verklaard dat hij niet samenwoont en dat de nieuwe Ipad voor de verjaardag van de zoon van partijen een cadeau was van zijn vriendin. De rechtbank acht met deze nadere toelichting dat hieruit niet geconcludeerd kan worden dat de man wel voldoende draagkracht zou hebben. Ook de andere stellingen van de vrouw te weten een vakantie in Turkije en dure schoenen en kleding leiden niet tot het oordeel dat de man draagkracht heeft.
3.1.11.
Wel is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat de man gezien zijn werkervaring en leeftijd, in staat moet worden geacht om inkomen te genereren. De man stelt dat hij op zoek is naar werk in de zorg, omdat hij in die sector werkervaring heeft. Probleem hierbij is dat de man geen diploma heeft. Dit is echter geen voldoende reden. Er zijn ook banen waarvoor je geen diploma nodig hebt. Dit zijn wellicht niet de banen die de man graag zou willen, maar gelet op zijn onderhoudsplicht jegens de minderjarige kan de man ook (voorlopig) naar andere banen solliciteren. Ook kan de man via een uitzendbureau proberen om aan werk te komen. In de tussentijd kan de man aan de slag gaan om zijn diploma in de zorg te behalen. De rechtbank acht voor het vinden van een baan een termijn van anderhalf jaar redelijk, te rekenen vanaf het moment dat de man heeft aangetoond dat hij een uitkeringsspecificatie had, zijnde 1 oktober 2024. Als verdiencapaciteit gaat de rechtbank uit van het minimumloon van 21 jaar en ouder.
3.1.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gedurende de periode van 1 oktober 2024 tot 1 mei 2026 geen draagkracht wordt aangenomen en dat vanaf 1 mei 2026 rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit. De rechtbank zal aan de hand van die verdiencapaciteit een herberekening maken, waarna zal blijken of sprake is van rechtens relevantie wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal de kinderbijdrage
her-berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De behoefte van de minderjarigen
3.1.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat in het jaar 2021 het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) is vastgesteld op € 1.289,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de minderjarigen € 1.607,- per maand.
Draagkrachtberekening
3.1.14.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de eventuele wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht man
3.1.15.
Zoals hiervoor is gesteld gaat de rechtbank met ingang van 1 mei 2026 uit van een verdiencapaciteit waarbij de man in staat moet worden geacht om in ieder geval inkomen te kunnen genereren ter hoogte van het minimumloon. Op de website van de Rijksoverheid staat dat in 2026 voor 21 jaar en ouder het minimumloon € 14,71 bruto per uur bedraagt, exclusief vakantiegeld. De man stelt weliswaar dat hij een werk- en leertraject wil gaan volgen van vier dagen werken en één dag leren, maar heeft niet aangetoond dat hij dit ook daadwerkelijk gaat volgen. De rechtbank houdt hier dan ook geen rekening mee, en acht de man dan in staat om 36 uur per week te werken. Hieruit volgt een maandinkomen van afgerond € 2.295,- bruto per maand oftewel € 27.540,- per jaar
.
3.1.16.
Uitgaande van voornoemd minimumloon en vakantiegeld van 8% bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man vanaf 1 mei 2026 op € 2.300,- per maand.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de
arbeidskorting.
3.1.17.
De man stelt dat hij schulden heeft waarmee bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden. De man heeft echter niet gesteld met welke bedrag rekening moet worden gehouden. Daarnaast heeft de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet inzichtelijk gemaakt welke schulden er zijn, hoe die zijn ontstaan en of dit verwijtbare en vermijdbare schulden zijn. Verder is onvoldoende vast komen te staan dat de man in 2026 zal gaan deelnemen aan de WSNP of een ander schuldentraject. Tot slot is niet bekend of er op 1 mei 2026 schulden zullen zijn. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank met schulden geen rekening.
3.1.18.
Omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- wordt zijn draagkracht vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365,-)] en bedraagt € 172,- per maand.
De rechtbank houdt ten aan zien van de woonkosten rekening met de forfaitaire woonlast van 0,3 van het inkomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaart dat hij een urgentieverklaring heeft gekregen voor een ander huis. De rechtbank verwacht dat de man zal verhuizen en dan geen recht (meer) zal hebben op woonkostentoeslag.
Draagkracht vrouw
3.1.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige NBI inkomen van de vrouw
€ 2.760,- per maand bedraagt op basis van een inkomen van € 2.031,- bruto per maand inclusief vakantiegeld en kindgebonden budget, en dat daaruit een draagkracht volgt van
€ 436,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.1.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 172,- + € 436,- = € 608,-) lager is dan de behoefte van de minderjarigen (€ 1.670,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.
Zorgkorting
3.1.21.
De vrouw houdt in haar draagkrachtberekening rekening met een zorgkorting van 25%. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een ander percentage uit te gaan, en zal daarom ook rekening houden met een zorgkorting van 25%.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.670,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 418,- per maand.
3.1.22.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.
Conclusie
3.1.23.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de in de beschikking van
15 mei 2024 vastgestelde kinderbijdrage moet worden gewijzigd in die zin, dat voor de periode van 1 oktober 2024 tot 1 mei 2026 de kinderbijdrage moet worden gewijzigd naar nihil, en dat vanaf 1 mei 2026 de kinderbijdrage moet worden gewijzigd naar € 172,- per maand ofwel € 86,- per maand per kind.
3.1.24.
Voornoemde kinderbijdrage is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.1.25.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2024 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 oktober 2024 tot 1 mei 2026 wordt bepaald op nihil, en vanaf 1 mei 2026 wordt bepaald op € 86,- per maand per kind;
4.2.
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 12 februari 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.