ECLI:NL:RBROT:2026:1183

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/10/703448 / FA RK 25-5458
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 5 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regeling zorg- en opvoedingstaken en vaststelling kinderalimentatie na beëindiging relatie ouders

De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de vaststelling van kinderalimentatie tussen ouders die uit elkaar zijn gegaan. De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. De ouders verschillen van mening over de zorgregeling, mede door een gespannen relatie en eerdere dreigementen van de vader.

De rechtbank besloot de zorgregeling voorlopig aan te houden in afwachting van een hulpverleningstraject omgangsbegeleiding, gericht op verbetering van communicatie en contactherstel tussen vader en kind. Tot die tijd wordt het bestaande videobelcontact voortgezet.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de eerder overeengekomen bijdrage niet volgens wettelijke maatstaven was berekend. De rechtbank berekende de behoefte van het kind en de draagkracht van beide ouders op basis van de inkomsten en schulden van de vader en het inkomen en verdiencapaciteit van de moeder.

Voor de periode 1 mei 2025 tot 1 januari 2026 werd de bijdrage van de vader vastgesteld op €483 per maand, en vanaf 1 januari 2026 op €288 per maand, met jaarlijkse wettelijke indexering. De proceskosten worden nog niet toegewezen vanwege het aanhouden van de zorgregeling.

Uitkomst: Kinderalimentatie vastgesteld op €483 per maand tot 1 januari 2026 en €288 per maand vanaf die datum; zorgregeling aangehouden tot 1 juli 2026 in afwachting van hulpverleningstraject.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/703448 / FA RK 25-5458
Beschikking van 12 februari 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. Krim te Haarlem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 juli 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 4 september 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen 16 januari 2026;
  • de berichten met bijlagen van de man van 7 en 13 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 12 januari 2026.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen 19 januari 2026.
De rechtbank zal deze stukken toelaten.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De man en de vrouw hebben van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
Op 25 november 2025 zijn partijen vanuit een kort gedingprocedure verwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding.

3.De beoordeling

Om procesredenen zal de zaak eerst worden behandeld over de zorgregeling.
3.1.
Zorgregeling
3.1.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen hem en de minderjarige vast te stellen. Dit betreft een regeling voor doordeweeks en gedurende vakanties en feestdagen.
3.1.2.
De vrouw voert gemotiveerd en bepleit afwijzing.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.1.4.
De rechtbank overweegt hierover dat beide partijen het erover eens zijn dat de minderjarige contact met de man moet kunnen hebben, maar dat zij van mening verschillen over de aanvang, frequentie en vorm van dat contact (wel of niet onbegeleid). Dit verschil van mening heeft te maken met hoe de relatie van partijen is geëindigd, dat de man zich dreigend naar de vrouw heeft geuit waardoor de vrouw zich angstig voelt voor de man en zij met de minderjarige op een voor de man onbekend adres verblijft, en dat de man zich volgens de vrouw niet heeft gehouden aan afspraken over het contact met de minderjarige.
3.1.5.
Partijen zijn vanuit de rechtbank een mediationtraject gestart, maar al snel bleek dat mediation (volgens de mediator) niet haalbaar was. Verder zijn partijen eind november 2025 vanuit een kortgedingprocedure over contact tussen de man en de minderjarige, verwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding. Naast begeleide omgang is het ook de bedoeling dat met partijen begeleidingsgesprekken worden gevoerd om te trachten hun onderlinge communicatie over de minderjarige te verbeteren. Verder is het de bedoeling dat het contact tussen de man en de minderjarige wordt hersteld en dat partijen afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarige onbelast contact kan hebben met beide ouders. De vrouw heeft recent vernomen dat zij als tweede de wachtlijst staat.
3.1.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat sinds het kort geding de communicatie en verstandhouding tussen partijen nog niet is verbeterd. Gelet hierop, gezien ook de zeer jonge leeftijd van de minderjarige en gelet op de verwachting dat het hulpverleningstraject waarin gewerkt gaat worden aan verbetering van de communicatie van partijen en contactherstel van de man en de minderjarige, binnen afzienbare tijd zal starten, acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige om op de zaken vooruit te lopen door reeds nu een voorlopige zorgregeling op te leggen. De rechtbank gaat ervan uit dat de afspraak tussen partijen dat de man vier keer per week een video-belcontact heeft met de minderjarige wordt gecontinueerd totdat nadere afspraken worden gemaakt.
3.1.7.
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject, de beslissing op de zorgregeling pro forma aanhouden.
3.2.
Onderhoudsbijdrage
3.2.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500,- per maand vast te stellen ingaande 1 mei 2025, te verhogen met de wettelijke indexering per 1 januari 2026.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing.
3.2.3.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De vrouw stelt dat partijen in een door hen op 12 april 2025 ondertekende overeenkomst hebben afgesproken dat de man in het kader van beëindiging van hun relatie met ingang van 24 april 2025, een kinderbijdrage aan de vrouw zal betalen van € 500,- per maand met ingang van 1 mei 2025. De man betwist dat dit bedrag is afgesproken en dat onder de overeenkomst die de vrouw in het geding heeft gebracht, zijn handtekening staat. De man beroept zich niet op dwaling.
Tussen partijen staat wel vast dat aan de kinderbijdrage die in die overeenkomst is opgenomen, geen berekening ten grondslag heeft gelegen. Ook staat vast dat bij het vaststellen van die bijdrage geen rekening is gehouden met de wettelijke maatstaven.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kinderbijdrage, zo deze al zou zijn afgesproken, is afgesproken met mogelijk grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat partijen in ieder geval niet bewust hiervan zijn afgeweken.
De rechtbank zal daarom de kinderbijdrage berekenen waarbij wordt uitgegaan van de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. De rechtbank zal daarbij de aanbevelingen volgen zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.2.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man met ingang van 1 mei 2025 een onderhoudsbijdrage voor het kind van partijen zou betalen.
De behoefte
3.2.5.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot april 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2025.
3.2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, de vrouw geen inkomen had.
3.2.7.
Tussen partijen is wel in geschil van welk inkomen van de man moet worden uitgegaan. Vaststaat dat de man in 2025 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak had genaamd ‘ [naam eenmanszaak] ’ en dat hij daaruit inkomsten genereerde als tourmanager. Daarnaast staat vast dat de man in 2025 nog vier maanden op Mallorca heeft gewerkt.
De man stelt dat als bruto jaarinkomen moet worden uitgegaan van een winst van € 47.903,-
Ter onderbouwing daarvan overlegt de man facturen van zijn inkomsten als tourmanager in Nederland, waaruit een omzet volgt (zonder btw) van € 39.903,-. Over zijn inkomsten in die vier maanden op Mallorca stelt de man dat hij daar alleen als manager heeft gewerkt, en niet als dj zoals eerst de bedoeling was, en dat hij daar als inkomen € 3.500,- bruto per maand heeft ontvangen. Omdat hij daarvan kosten voor verblijf, levensonderhoud en reizen heeft moeten betalen, gaat hij uit van € 2.000,- netto per maand ofwel voor die vier maanden totaal van € 8.000,- netto. Bij elkaar opgeteld (inkomsten in Nederland en vier maanden inkomsten op Mallorca) stelt de man dat moet worden uitgegaan van een winst van
€ 47.903,- bruto.
De vrouw betwist gemotiveerd het gestelde jaarinkomen van de man, en stelt dat moet worden uitgegaan van een geschatte winst van € 70.000,-.
3.2.8.
De rechtbank overweegt hierover dat de door de man gestelde winst die hij in Nederland heeft gemaakt, onweersproken kan worden gesteld op € 39.903,-.
Partijen verschillen van mening over het inkomen dat de man gedurende die vier maanden op Mallorca heeft verdiend. Partijen verwijzen naar appberichten van de man (productie 5 bij het bericht van de vrouw van 12 januari 2026) waarin een bedrag van € 40.000,- staat vermeld voor verwachte verdiensten voor zijn werk aldaar als dj en manager. De man stelt dat dit slechts een voorstel is geweest van zijn kant richting zijn werkgever, maar dat dit in werkelijkheid nooit tot uitvoering is gekomen, omdat hij die maanden daar alleen als manager heeft gewerkt en niet ook als dj. De vrouw betwist die stelling gemotiveerd en stelt daartoe dat de man die appberichten van iemand doorgestuurd heeft gekregen. Ook zou op social media zijn gezien dat de man op daar toen als dj heeft gewerkt.
3.2.9.
De rechtbank overweegt hierover dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn werkzaamheden op Mallorca slechts € 8.000,- netto zou hebben overgehouden.
De rechtbank gaat in het licht van de overgelegde app-berichten ervan uit dat de man in de vier maanden op Mallorca minimaal hetzelfde heeft verdiend als wat hij gedurende de rest van het jaar in Nederland verdiende. De rechtbank neemt daarom de onweersproken inkomsten in Nederland als uitgangspunt en extrapoleert die naar die vier maanden. Als winst in 2025 volgt hieruit:
€ 39.903,- : 8 maanden x 12 maanden = (afgerond) € 59.855,- bruto per jaar.
3.2.10.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man (NBI) over het jaar 2025 aan de hand van een winst van € 59.855,- op € 3.774,- per maand.
Als ondernemersaftrek is in aanmerking genomen de zelfstandigenaftrek van € 2.470,-
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 7.288,-.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de arbeidskorting
Tenslotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.635,-.
3.2.11.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op € 3.774,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget waar partijen recht op hadden ad € 135,- per maand, wordt uitgekomen op een totaalbedrag van € 3.909,- per maand.
3.2.12.
Hiervoor genoemd totaalbedrag levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 530,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige anno 2025 wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Draagkrachtberekening
3.2.13.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht, waartoe eerst het huidige NBI van partijen vastgesteld moet worden.
De rechtbank ziet aanleiding om de draagkracht over twee periodes te berekenen, omdat vanaf omstreeks januari 2026 sprake is van gewijzigde omstandigheden. Deze gewijzigde omstandigheden zien op de zorgkorting die in het jaar 2025 anders was dan in het jaar 2026 (waarover hierna meer bij de zorgkorting), en dat de vrouw stelt dat zij voornemens is om in 2026 meer uren te gaan werken.
Periode van 1 mei 2026 tot 1 januari 2026
3.2.14.
Gezien de ingangsdatum van de eventuele vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
Inkomen en NBI man
3.2.15.
Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank uit van een winst van € 59.855,- bruto per jaar waaruit een NBI volgt van € 3.774,- per maand.
Schulden
3.2.16.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, moet zijn draagkracht in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van schulden die bestonden ten tijde van de relatie met de vrouw. De man heeft met de schuldeisers een betalingsregeling getroffen en stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag aan schulden van totaal € 458,- per maand te weten:
  • aan ONVZ € 55,37 en € 53,46 per maand,
  • aan Woonstichting Lieven de Key € 150,- per maand;
  • aan Zilveren Kruis € 100,- per maand;
  • aan ING € 100,- per maand.
De vrouw betwist niet dat de man schulden heeft waarop hij aflost, maar betwist wel het totaalbedrag van € 458,- per maand. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met een totaalbedrag van € 350,- per maand, en dat het resterende bedrag zakelijke schulden zijn.
De rechtbank volgt de vrouw daarin niet. De man heeft het bedrag dat hij aflost, voldoende onderbouwd en aangetoond. En dat hij de aflossingen soms vanuit zijn privérekening heeft betaald en soms vanuit de rekening van zijn eenmanszaak, maakt niet dat hij die aflossingen niet betaalde en dat het zakelijke schulden zijn.
Daarnaast heeft de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man deze aflossingen voor zijn rekening neemt en dat het gaat om lasten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.
De rechtbank zal daarom, volgens het verzoek van de man, rekening houden met deze betalingsverplichtingen, in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de schulden van maandelijks € 458,-.
De draagkracht van de man bedraagt dus:
70% x [€ 3.774,- – (0,3 x € 3.774,- + 1.310,- + € 458,-)] = € 612,- per maand.
Inkomen en NBI vrouw
3.2.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in 2025 nagenoeg geen inkomen had. Haar huidige NBI wordt vastgesteld op het kindgebonden budget van € 5.900,- op jaarbasis waar de vrouw recht op had, en bedraagt 492,- per maand. Aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport wordt haar draagkracht vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.2.18.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 612,- + € 25,- = € 637,-) hoger is dan de behoefte van de minderjarige (= € 530,-) moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 612,- / € 637,- x € 530,- = € 509,20
het deel van de vrouw bedraagt: € 25,- / € 637,- x € 530,- =
€ 20,80 +
samen € 530,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van afgerond € 509,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 21,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.2.19.
De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de minderjarige. De rechtbank ziet geen aanleiding van dit beginsel af te wijken. Niet is weersproken dat de man reiskosten heeft gemaakt vanuit Mallorca om in Nederland contact met de minderjarige te kunnen hebben, Verder zijn er tussen hen videobelcontacten en is het de bedoeling dat binnen afzienbare tijd begeleide contacten opgestart zullen worden. Omdat de behoefte van de minderjarige € 530,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 26,- per maand.
3.2.20.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen (€ 509,- – € 26,- =) € 483,- per maand.
Conclusie
3.2.21.
Gezien het voorgaande is vanaf 1 mei 2025 tot 1 januari 2026 een door de man te betalen kinderbijdrage van € 483,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dit bepalen.
Periode van vanaf 1 januari 2026
3.2.22.
In het jaar 2025 is de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 530,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 554,- per maand.
3.2.23.
Gezien de ingangsdatum van de eventuele vaststelling van de kinderbijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
NBI en draagkracht man
3.2.24.
De man heeft tot eind 2025 gewerkt als tourmanager. Niet is weersproken dat de man daarna zijn werk als tourmanager niet heeft kunnen uitvoeren en daaruit geen inkomsten heeft ontvangen. Onweersproken is gesteld dat de vrouw zonder medeweten van de man, zijn bedrijf heeft uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel, waardoor onder andere zijn zakelijke rekening niet meer beschikbaar was. De man stelt dat hij zo snel mogelijk zijn werk als tourmanager weer wil oppakken. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de man in het jaar 2026 in beginstel in staat moet worden geacht een verdien-capaciteit te hebben zoals hij in het jaar 2025 heeft gehad, zijnde een winst van € 59.855,-. De rechtbank acht het echter redelijk en billijk dat de man tijd nodig heeft om zijn onderneming, die zonder zijn toedoen is “gestaakt”, weer op te starten en daaruit inkomen te genereren, en verwacht dat dit vanaf de maand maart 2026 weer mogelijk moet zijn. Uitgaande van een winst van € 59.855,- per jaar en dat omgerekend naar tien maanden, gaat de rechtbank voor 2026 uit van een winst van € 49.879,-.
3.2.25.
Uitgaande van voornoemde winst van € 49.879,- bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 3.356,- per maand.
Als ondernemersaftrek is in aanmerking genomen de zelfstandigenaftrek van € 1.200,-.
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 6.182,-.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting en de
arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomens-afhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.061,-.
Schulden
3.2.26.
Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 3.2.18. is overwogen, houdt de rechtbank rekening met de aflossing van schulden, in die zin dat in de formule het draag-krachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de schulden van maandelijks
€ 458,-. De draagkracht van de man bedraagt dus:
70% x [€ 3.356,- – (0,3 x € 3.356,- + 1.365,- + € 458,-)] = € 368,- per maand.
NBI en draagkracht vrouw
3.2.27.
De vrouw werkt sinds eind 2025 via een uitzendbureau. Op dit moment werkt zij 10 uur per week. Haar inkomen wordt onweersproken gesteld op € 170,- bruto per week.
De vrouw stelt daarnaast dat zij aankomende april haar uren wil uitbreiden omdat er mogelijk meer opvangruimte voor de minderjarige komt. De rechtbank is met de man van oordeel dat de vrouw vanaf april in staat moet worden geacht om € 2.000,- bruto per maand te kunnen genereren. Voor de berekening van haar verdiencapaciteit gaat de rechtbank daarom tot en met maart uit van € 170,- bruto per week = 13 weken x € 170,- = € 2.210,- en vanaf april tot en met december van € 2.000,- bruto per maand = 9 x € 2.000,- = € 18.000,-.
Dit levert bij elkaar een jaarinkomen van € 20.210,- bruto ofwel omgerekend € 1.684,- bruto per maand.
3.2.28.
Uitgaande van voornoemde verdiencapaciteit van € 1.684,- bruto per maand bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.318,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 1.684,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De op de loonspecificatie vermelde compensatie premie PAWW en premie PAWW, WGA en aanvullende verzekering Ziektewet, zijn dermate gering dat de rechtbank daarmee geen rekening houdt.
Als heffingskortingen zijn in aanmerking genomen de algemene heffingskorting, de
arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Verder is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 5.591,- op jaarbasis, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.2.29.
Omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, wordt haar draagkracht vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 181,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.2.30.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 368,- + € 181,- = 549,-) lager is dan de behoefte van de minderjarige (= € 554,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht, zijnde € 368,- per maand.
Zorgkorting
3.2.31.
Omdat het de bedoeling is dat er tussen de man en de minderjarige begeleide contacten zullen plaatsvinden en de man hiervoor reiskosten zal gaan maken – gelet op zijn woonplaats in Zandvoort en dat de begeleide contacten in de regio Dordrecht zullen gaan plaatsvinden – acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 15%.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 554,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 83,- per maand.
3.2.32.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.
3.2.33.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt (€ 554,- – € 549,- =) € 5,- zodat de helft daarvan is € 2,50.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 83,-, zodat resteert
€ 83,- – € 2,50 = (afgerond) € 81,-.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 368,- – € 81,- = € 288,-.
De aan de man op te leggen kinderbijdrage wordt dus € 288,- per maand.
Conclusie
3.2.34.
Gezien het voorgaande is vanaf 1 januari 2026 een door de man te betalen kinderbijdrage van € 288,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal dit bepalen.
3.2.35.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling,
zal voldoen:
  • voor de periode van 1 mei 2025 tot 1 januari 2026 € 483,- per maand;
  • voor de periode vanaf 1 januari 2026 € 288,- per maand, welke bijdrage per
1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst ten aanzien van de kinderbijdrage af het meer of anders verzochte;
en voordat verder wordt beslist:
4.4.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot
1 juli 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór genoemde pro formadatum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding, en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;
4.5.
bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 12 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.