ECLI:NL:RBROT:2026:129

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11508029 CV EXPL 25-1660
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis inzake terugbetaling van leningen tussen familieleden met finale kwijting

In deze zaak, behandeld door de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam, hebben eisers [eiser 1] en [eiser 2], zwager en zus van gedaagde, [gedaagde], een vordering ingesteld voor de terugbetaling van een lening van € 10.543,45. De eisers stellen dat [gedaagde] geld heeft geleend van hen, van hun dochter en van hun bedrijf, en dat hij dit bedrag niet heeft terugbetaald. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat hij al het geleende bedrag heeft terugbetaald. De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis geoordeeld dat gedaagde mag bewijzen dat hij de bedragen contant heeft terugbetaald. De rechter heeft ook geoordeeld dat de lening van het bedrijf aan gedaagde onder finale kwijting valt, wat betekent dat het bedrijf niets meer kan eisen van gedaagde. De kantonrechter heeft de eis van de eisers voor het bedrag dat onder finale kwijting valt afgewezen. De rechter heeft gedaagde de gelegenheid gegeven om bewijs te leveren van de contante terugbetalingen aan de eisers en hun dochter. De zaak is aangehouden voor bewijslevering en verdere beslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11508029 CV EXPL 25-1660
datum uitspraak: 9 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser 1]

2.
[eiser 2]
woonplaats: Capelle aan den IJssel,
eisers,
gemachtigde: [naam 1],
tegen
[gedaagde ],
woonplaats: Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde ] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 15 januari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen.
1.2.
Op 12 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser 1] aanwezig, met zijn dochter [naam 2] (hierna: de dochter) en zijn gemachtigde. [gedaagde ] is verschenen met zijn gemachtigde en een tolk.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn de zwager en zus van [gedaagde ] . [gedaagde ] werkte tot 2024 voor [bedrijf], de onderneming van [eiser 1] .
2.2.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde ] geld heeft geleend van hen, van [bedrijf] en van de dochter. [bedrijf] en de dochter hebben hun recht om het geld terug te eisen verkocht aan [eiser 1] en [eiser 2] . Volgens [eiser 1] en [eiser 2] moet [gedaagde ] nog € 10.543,45 terugbetalen, maar doet hij dat niet. Zij vragen de kantonrechter om [gedaagde ] te veroordelen om dat bedrag aan hen te betalen, met buitengerechtelijke kosten en rente.
2.3.
[gedaagde ] is het niet eens met de eis. Hij stelt dat [eiser 1] en [eiser 2] niets meer kunnen eisen, omdat dit volgt uit een afspraak in een procedure tussen [gedaagde ] en [bedrijf] en omdat zij hun rechten hebben verwerkt. [gedaagde ] stelt verder dat hij wel geld heeft gehad van [eiser 1] , [eiser 2] , [bedrijf] en de dochter, maar dat hij dit al heeft terugbetaald.
2.4.
De rechter oordeelt dat [bedrijf] niets meer kan eisen. [gedaagde ] mag bewijzen dat hij het geld al aan [eiser 1] , [eiser 2] en de dochter heeft terugbetaald. In dit vonnis legt de kantonrechter dit oordeel uit.
De eventuele lening van [bedrijf] valt onder de finale kwijting
2.5.
[gedaagde ] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst bij [bedrijf] Die overeenkomst is in 2024 geëindigd. Tijdens de arbeidsovereenkomst heeft [bedrijf] vier keer per bank geld betaald aan [gedaagde ] , met één keer de omschrijving ‘lening voor werknemer [gedaagde ] ’ en de overige keren ‘lening’.
2.6.
[gedaagde ] en [bedrijf] hebben verschillende procedures tegen elkaar gevoerd. Tijdens een zitting op 27 mei 2024 hebben de partijen met elkaar onder andere afgesproken: “
Partijen verlenen elkaar finale kwijting uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat zij niets anders van elkaar te vorderen hebben dat te maken heeft met de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan.
2.7.
[gedaagde ] stelt dat [bedrijf] op basis van deze afspraak nu niet meer kan eisen dat hij de geldleningen terugbetaalt. Volgens hem waren de bankbetalingen een voorschot op het loon dat hij kreeg. [bedrijf] betwist dat. Volgens haar hebben de bankbetalingen niets te maken met de arbeidsovereenkomst, maar was dit een lening die zij als onderneming heeft verstrekt aan [gedaagde ] .
2.8.
Of de betaalde bedragen een voorschot op het loon zijn, of een lening vindt de kantonrechter niet van belang. Zelfs als het geen voorschot op het loon zou zijn, dan oordeelt de kantonrechter dat de bedragen alsnog onder de afgesproken finale kwijting vallen. Het komt allemaal neer op de vraag hoe de finale kwijting die de partijen hebben afgesproken moet worden uitgelegd. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde ] redelijkerwijs uit deze afspraak mocht begrijpen dat hij de bankbetalingen niet meer hoeft te betalen aan [bedrijf] [1]
2.9.
Het eerste argument daarvoor is dat [gedaagde ] tijdens de zitting heeft gesteld dat [bedrijf] tijdens de zitting in de arbeidsprocedure ook bankafschriften heeft overgelegd, met de omschrijving ‘lening’. Volgens [gedaagde ] gebruikt [bedrijf] die bankafschriften toen om te betogen dat er loon was betaald. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dat niet betwist. Daarom is het begrijpelijk dat [gedaagde ] ervan uitging dat de finale kwijting ook zag op de bankoverschrijvingen met de omschrijving ‘lening’ van [bedrijf]
2.10.
Het tweede argument is dat [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende hebben uitgelegd waarom dit niets met de arbeidsovereenkomst te maken heeft. Er bestond namelijk in ieder geval één juridische relatie tussen [bedrijf] en [gedaagde ] , namelijk de arbeidsovereenkomst. Volgens [gedaagde ] bestond er geen andere relatie. Het was aan [eiser 1] en [eiser 2] om te onderbouwen dat dit wel zo was. Zij hadden bijvoorbeeld uit kunnen leggen hoe deze andere relatie tot stand is gekomen en waarom dit los kan worden gezien van de arbeidsovereenkomst. Dat hebben ze niet gedaan.
2.11.
De kantonrechter oordeelt dus dat [bedrijf] op 27 mei 2024 ook finale kwijting heeft verleend aan [gedaagde ] voor het bedrag van € 4.350,- dat [eiser 1] en [eiser 2] nu eisen. Dit deel van de eis zal dus in ieder geval worden afgewezen.
De finale kwijting ziet niet op de bedragen van [eiser 1] , [eiser 2] en de dochter
2.12.
[gedaagde ] stelt dat de bedragen die [eiser 1] , [eiser 2] en de dochter aan hem hebben betaald ook onder de finale kwijting vallen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit betwist. [gedaagde ] had dit verder moeten onderbouwen. Het ligt namelijk in principe niet voor de hand. De procedure waarin de finale kwijting is afgesproken was namelijk een procedure tussen [bedrijf] en [gedaagde ] , waarbij [eiser 1] , [eiser 2] en de dochter niet persoonlijk betrokken waren. Het proces-verbaal met de afspraken is ook alleen ondertekend namens [bedrijf], door de gemachtigde van [bedrijf] Het uitgangspunt is daarom dat deze afspraken alleen [bedrijf] en [gedaagde ] binden. [gedaagde ] had moeten onderbouwen waarom personen die geen deel waren van die procedure toch door de regeling gebonden zijn. Dat heeft hij niet gedaan. Dit verweer van [gedaagde ] slaagt daarom niet.
Er is geen sprake van rechtsverwerking
2.13.
[gedaagde ] heeft verder gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser 1] , [eiser 2] en de dochter nog geld eisen. Volgens hem is sprake van rechtsverwerking. De kantonrechter oordeelt dat hij dat onvoldoende heeft onderbouwd. Daarvoor is namelijk vereist dat zij zich hebben gedragen op een manier die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet te combineren is met het feit dat ze nu het geld eisen. Daarvoor is het niet genoeg dat ze lang niets hebben gedaan, maar er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden waardoor [gedaagde ] gerechtvaardigd het vertrouwen kon hebben dat ze het geld niet meer zouden eisen. [2] Dat er sprake is van zulke bijzondere omstandigheden heeft [gedaagde ] niet gesteld.
[gedaagde ] mag bewijzen dat hij het geld heeft terugbetaald
2.14.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde ] hen nog € 5.715,- moet terugbetalen. Dat is inclusief € 1.350,- die [gedaagde ] volgens hen eerst aan de dochter moest betalen. Ze hebben bij de dagvaarding een Excellijst gevoegd, waaruit blijkt hoe ze dit berekend hebben. Daarin is te zien welke bedragen zij en de dochter hebben betaald per bank en welke bedragen [gedaagde ] per bank heeft terugbetaald. Ze hebben ook de bijbehorende rekeningafschriften daarbij gevoegd. [gedaagde ] heeft deze berekening op zich niet betwist. Hij stelt alleen dat hij die bedragen steeds al aan het einde van de maand contant heeft terugbetaald, wanneer hij zijn salaris kreeg. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit betwist. De bewijslast van de stelling dat hij al heeft betaald rust op [gedaagde ] (artikel 150 Rv). [gedaagde ] heeft aangeboden om dit bewijs te leveren. Daar zal de kantonrechter hem de gelegenheid voor geven.
2.15.
Voor de volledigheid overweegt de kantonrechter dat hij het dus niet van belang vindt wat de aard van de betalingen precies was: een geldlening of een voorschot. De partijen hebben daar wel uitgebreid over gediscussieerd, maar het maakt voor de zaak niet uit. [gedaagde ] vindt zelf ook dat hij het moest terugbetalen, maar hij stelt dat hij het al heeft gedaan. Waarom hij het moest terugbetalen is daarom niet van belang.
[gedaagde ] hoeft de belastingbedragen niet terug te betalen
2.16.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben in de dagvaarding ook geschreven dat zij twee keer ‘in goed vertrouwen’ belastingschulden van [gedaagde ] hebben betaald, van € 169,45 en € 109,-. Zij eisen die bedragen terug. Ze hebben echter zowel in de dagvaarding als tijdens de zitting niet gesteld waarom [gedaagde ] dit zou moeten terugbetalen. Dit deel van de eis zal de kantonrechter daarom afwijzen.
Het verzuim is pas ingetreden op 25 februari 2025
2.17.
Voor het geval [gedaagde ] er niet in slaagt om te bewijzen dat hij de bedragen heeft terugbetaald, oordeelt de kantonrechter alvast dat het verzuim op 25 februari 2025 is ingetreden.
2.18.
In de dagvaarding hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet geschreven dat verzuim is ingetreden. Zij eisen wel wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Dat betekent indirect dat er volgens hen sprake is van verzuim (artikel 6:96 en 6:119 BW). [gedaagde ] heeft betwist dat hij in verzuim is. Vervolgens hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet gesteld wanneer verzuim is ingetreden en waarom.
2.19.
De kantonrechter oordeelt ambtshalve dat verzuim in ieder geval is ingetreden op de datum van de conclusie van antwoord. Uit het antwoord blijkt namelijk dat [gedaagde ] niet bereid is om de bedragen terug te betalen (artikel 6:83 onder c BW). Dat betekent dat [gedaagde ] in ieder geval vanaf 25 februari 2025 rente moet betalen en dat de buitengerechtelijke kosten sowieso zullen worden afgewezen.
Het vervolg van de zaak
2.20.
[gedaagde ] krijgt dus de gelegenheid om zijn stelling te bewijzen, dat hij de resterende bedragen van € 4.365,- aan [eiser 1] en [eiser 2] en € 1.350,- aan de dochter contant heeft betaald. Direct nadat [gedaagde ] bewijs heeft geleverd, mogen [eiser 1] en [eiser 2] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.
2.21.
De kantonrechter roept de partijen nogmaals op om te proberen onderling afspraken met elkaar te maken. In dit vonnis heeft de kantonrechter op een groot aantal punten beslist. Wellicht biedt dit partijen aanknopingspunten om elkaar alsnog te vinden. Zeker omdat zij ook familie van elkaar zijn, lijkt dit voor beide partijen de beste uitkomst.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
draagt [gedaagde ] op om te bewijzen dat hij contant € 4.365,- aan [eiser 1] en [eiser 2] heeft betaald en contant € 1.350,- aan de dochter;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [gedaagde ] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van
dinsdag 10 februari 2026 om 11.30 uurin tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [gedaagde ] getuigen wil laten horen, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en
beidepartijen voor de maanden juli, augustus en september 2026;
3.4.
wijst erop dat [gedaagde ] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde ] op een andere manier bewijs wil leveren, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
33394

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (
2.Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, 3.4