ECLI:NL:RBROT:2026:1303

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1773 en FT RK 25/1776
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedwongen schuldregeling tegen weigering schuldeiser Lek en Waard Wonen

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij een percentage van 2,19% aan preferente en 1,09% aan concurrente schuldeisers wordt betaald. Zes van de zeven schuldeisers gingen hiermee akkoord, maar Lek en Waard Wonen, met een vordering van 21,1% van de totale schuldenlast, weigerde in te stemmen omdat zij volledige betaling eist.

De rechtbank overweegt dat het iedere schuldeiser vrij staat volledige betaling te verlangen, maar dat de weigering van Lek en Waard Wonen moet worden getoetst aan de redelijkheid, waarbij belangen van verzoeker en andere schuldeisers worden meegewogen. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en is het uiterste wat verzoeker kan bieden, die onder beschermingsbewind staat en actief solliciteert.

De rechtbank concludeert dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van Lek en Waard Wonen. Daarom beveelt de rechtbank Lek en Waard Wonen om in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af. De kosten van de procedure worden aan Lek en Waard Wonen opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank beveelt Lek en Waard Wonen om in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 14 januari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 29 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Stichting Lek en Waard Wonen, vertegenwoordigt door Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders (hierna: Lek en Waard Wonen).
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens Lek en Waard Wonen op
6 januari 2026 een verweerschrift toegezonden en verklaard niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 7 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • (in verband met de bijzondere weersomstandigheden telefonisch) de heer I. Bilici, beschermingsbewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan twee preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 24.384,41 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 29 juli 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,19% aan de preferente schuldeisers en 1,09% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker solliciteert naar een baan. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen, afhankelijk van de uitkomst van verzoeker zijn sollicitaties of het moment waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Lek en Waard Wonen stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 5.145,26 op verzoeker, welke 21,1% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Lek en Waard Wonen gesteld dat dat het iedere schuldeiser vrij staat te eisen dat de volledige vordering wordt voldaan, inclusief rente. Aangezien de aangeboden regeling niet voorziet in het volledige bedrag, steunt Lek en Waard Wonen haar weigering. Lek en Waard Wonen wijst erop dat de huurschuld al bestond voor het besluit over de uitkering van 14 mei 2024; de achterstand was al op 5 december 2023 aanzienlijk. Tijdens de procedure bij de kantonrechter werd duidelijk dat er een geschil was tussen verzoeker en de gemeente over inhoudingen op de uitkering, die teruggevorderd werd wegens gokopbrengsten en kasstortingen. In plaats van deze middelen te gebruiken voor de huur, heeft verzoeker verkeerde financiële keuzes gemaakt. Verzoeker werd in de bezwaarschriftprocedure in het ongelijk gesteld en kreeg geen geld terug van de gemeente, waardoor hij zijn toezegging niet kon nakomen om de huurachterstand in te lossen.
Verzoeker solliciteert momenteel naar een voltijdbaan, wat mogelijk de afloscapaciteit in de toekomst zou kunnen verhogen. Aangezien het huidige aanbod van verzoeker niet het maximale is wat hij kan bieden, kan Lek en Waard Wonen niet akkoord gaan met de regeling. Lek en Waard Wonen vindt het bovendien vreemd dat het financieel overzicht van de bewindvoerder uit december 2024 aangaf dat een betalingsregeling mogelijk was, terwijl dat nu niet meer het geval is, terwijl de omstandigheden niet zijn veranderd. Lek en Waard Wonen wijst erop dat verzoeker eerder al een schuldsaneringstraject heeft doorlopen en dus een gewaarschuwd mens was. Daarom verzoekt Lek en Waard Wonen om afwijzing van het verzoek.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Lek en Waard Wonen bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Lek en Waard Wonen in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Lek en Waard Wonen een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 21,1%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zes van de zeven schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Avres. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker momenteel niet beschikt over betaald werk, maar actief solliciteert.
Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande inspanningsverplichting. Door de beschermingsbewindvoerder is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Lek en Waard Wonen, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Lek en Waard Wonen te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Lek en Waard Wonen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Lek en Waard Wonen om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Lek en Waard Wonen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.