ECLI:NL:RBROT:2026:1311

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1703 en FT RK 25/1704
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedwongen schuldregeling ondanks weigering van enkele schuldeisers

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan achttien schuldeisers, waarbij vijftien schuldeisers instemden, maar drie schuldeisers (ABN AMRO, Eneco en Xebuis) weigerden. De regeling voorziet in een betaling van 7,76% van de totale schuldenlast, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoekster, die haar pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en alleen inkomsten geniet uit AOW en pensioen.

De weigerende schuldeisers stelden dat het aanbod onvoldoende was onderbouwd en dat de afloscapaciteit hoger zou zijn dan voorgesteld. De rechtbank oordeelt dat het voorstel goed onderbouwd en controleerbaar is, mede getoetst door een onafhankelijke partij. De belangen van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers wegen zwaarder dan die van de weigerende schuldeisers.

De rechtbank beveelt de drie schuldeisers om in te stemmen met de schuldregeling, veroordeelt hen in de proceskosten en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af. De gedwongen schuldregeling treedt in de plaats van vrijwillige instemming, waardoor verzoekster kan voortgaan met betalingen en niet in verzuim verkeert.

Uitkomst: De rechtbank beveelt drie schuldeisers om in te stemmen met de schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 14 januari 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 18 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • ABN AMRO, in behandeling bij Flanderijn;
  • Eneco Energie (hierna: Eneco);
  • Xebuis Media Groep (hierna: Xebuis).
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
ABN AMRO heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 7 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer V.T. Raats, werkzaam bij Zuidweg & Partners (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw R. den Butter, werkzaam bij De Hoop ggz.
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 129.222,13 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 25 september 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 7,76% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar AOW-uitkering en pensioen. Verzoekster heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Ter onderbouwing hiervan zijn meerdere vtlb-berekening aangeleverd waaruit de afloscapaciteit van verzoekster blijkt.
Vijftien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABN AMRO, Eneco en Xebuis stemmen hier niet mee in. ABN AMRO heeft twee vorderingen op verzoekster, van in totaal € 76.377,39, welke 59,11% van de totale schuldenlast beloopt. Eneco heeft een vordering op verzoekster van € 447,06, welke 0,35% van de totale schuldenlast beloopt en Xebuis heeft een vordering van € 2.522,54 op verzoekster, welke 1,95% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Eneco te kennen gegeven niet akkoord te gaan met het aanbod omdat er geen meterstanden zijn aangeleverd waarmee zij een definitieve vordering kunnen vaststellen. Xebuis heeft in de contacten met schuldhulpverlening te kennen gegeven het niet eens te zijn met het aanbod en hierom niet akkoord te gaan met het aanbod.
In haar verweerschrift heeft ABN AMRO - kort samengevat - gesteld dat het aangeboden akkoord onvoldoende is onderbouwd en niet het maximaal haalbare betreft. Zij stelt dat de kwijtingsvoorstellen herhaaldelijk onvolledig waren, omdat daarin geen informatie was opgenomen over het vrij te laten bedrag en de afloscapaciteit en een VTLB-berekening ontbrak. Daardoor kon het aanbod niet worden gecontroleerd. Ondanks meerdere verzoeken en afwijzingen is de VTLB-berekening pas ruim een jaar later overgelegd. Uit die berekening blijkt bovendien dat het inkomen van verzoekster hoger is dan in de voorstellen werd vermeld, zodat het dossier volgens ABN AMRO lange tijd onjuist en onvolledig is gepresenteerd. Daarnaast stelt ABN AMRO dat uit de uiteindelijk overgelegde VTLB-berekening volgt dat de afloscapaciteit aanzienlijk hoger is dan waarvan in het aanbod is uitgegaan. Op basis daarvan zou een substantieel hoger uitkeringspercentage aan schuldeisers mogelijk moeten zijn. Het gedane voorstel weerspiegelt volgens ABN AMRO daarom niet het maximaal haalbare. Gelet hierop meent ABN AMRO dat zij in redelijkheid heeft kunnen weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN AMRO, Eneco en Xebuis bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN AMRO, Eneco en Xebuis in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van ABN AMRO, Eneco en Xebuis een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 61,41%. Ten aanzien van het ontstaan van de schuld van Eneco heeft verzoekster ter zitting gesteld dat zij door de haar opvolgende huurder niet in de gelegenheid is gesteld de meterstanden op te nemen. De rechtbank overweegt dat Eneco en verzoekster in staat zijn om in gezamenlijkheid de hoogte van de vordering alsnog vast te stellen, zo nodig door een schatting.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vijftien van de achttien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Zuidweg & Partners. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar onderbouwd, met inachtneming van de nadere toelichting die is gegeven ter zitting op de financiële situatie van verzoekster.
De rechtbank is van oordeel dat het aangeboden voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk en de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat zij uitsluitend inkomsten geniet uit haar AOW-uitkering en pensioen.
Zoals ABN AMRO in haar verweerschrift heeft opgemerkt, is het pensioen van verzoekster sinds juni 2025 gestegen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat alle waarborgen aanwezig zijn om te verzekeren dat verzoekster het maximaal haalbare ten behoeve van haar schuldeisers afdraagt. Dit betekent dat, indien het inkomen van verzoekster verder stijgt, haar afloscapaciteit overeenkomstig zal toenemen en zij het meerdere zal afdragen aan de schuldeisers. Verzoekster heeft ter zitting op vragen van de rechtbank nog toegelicht dat het haar in de afgelopen maanden niet volledig is gelukt om de verhoogde afloscapaciteit te reserveren voor de schuldeisers, omdat zij in die periode nieuwe schulden heeft laten ontstaan die zij eerst moest voldoen. Daardoor is de extra ruimte in haar budget aangewend voor het aflossen van die verplichtingen. Schuldhulpverlening heeft verklaard het schuldbemiddelingstraject zo nodig te zullen verlengen, zodat verzoekster de ontstane achterstand kan inlopen en uiteindelijk aan de schuldeisers een uitbetaling kan worden gedaan die overeenkomt met achttien maanden aan maximale afloscapaciteit. Verzoekster heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard hieraan haar volledige medewerking te zullen verlenen. Daarmee is de nakoming van het akkoord naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ABN AMRO, Eneco en Xebuis, die geweigerd hebben in te stemmen.
Het verzoek om ABN AMRO, Eneco en Xebuis te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ABN AMRO, Eneco en Xebuis zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt ABN AMRO, Eneco en Xebuis om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ABN AMRO, Eneco en Xebuis in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.