ECLI:NL:RBROT:2026:1341

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
ROT 26/160
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 6:19 AwbArt. 4.1 WooArt. 4.2 WooArt. 15, eerste lid AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens bij AP

Verzoeker heeft bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een verzoek ingediend om openbaarmaking van documenten over het beleid en de praktijk van contractverlenging binnen de AP, waaronder interne communicatie over zijn eigen dienstverband en de rol van de bedrijfsarts. De AP heeft dit verzoek deels afgewezen en geweigerd bepaalde documenten te verstrekken, met het argument dat deze vertrouwelijk zijn of niet bestaan.

Verzoeker stelde dat het achterhouden van documenten zijn positie in een lopende civiele procedure schaadt, mede door een situatie van bewijsnood en schending van het gelijkheidsbeginsel ('Equality of Arms'). Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de AP zou verplichten tot volledige inzage, inclusief interne e-mails en audit trails.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij een spoedeisend belang, dat hier ontbreekt. Het inzagerecht op grond van artikel 15 AVG Pro geeft recht op persoonsgegevens, maar niet op onderliggende documenten waarin deze persoonsgegevens voorkomen. Verzoeker kan zich wenden tot de civiele rechter voor een oordeel over de volledigheid van het dossier.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en het niet verplicht zijn van de AP tot verstrekking van onderliggende documenten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/160

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Capelle aan den IJssel, verzoeker

en

de Autoriteit Persoonsgegevens, de AP

(gemachtigden: mr. E. Nijhof en mr. O.S. Nijveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van de AP. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 17 juli 2025 heeft de AP een besluit genomen op een verzoek van verzoeker van 27 februari 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van Wet open overheid (Woo). Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2025 heeft de AP het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep [1] ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op 21 januari 2026 heeft de AP een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Op 22 januari 2026 heeft de AP een verweerschrift ingediend.
5. Verzoeker heeft op 23 januari 2026 aangegeven het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep voort te zetten.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker en de gemachtigden van de AP deelgenomen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het verzoek op grond van de AVG
6. Op 27 februari 2025 heeft verzoeker bij de AP een verzoek op grond van de Woo ingediend, waarin hij heeft verzocht om openbaarmaking van documenten en informatie met betrekking tot het beleid en de praktijk van contractverlenging binnen de AP. Verzoeker heeft hierbij aangegeven dat zijn verzoek betrekking heeft op zowel algemene beleidsdocumenten als specifieke casuïstiek die relevant is voor de besluitvorming omtrent de verlenging van tijdelijke contracten. Meer specifiek heeft verzoeker verzocht om:
“1. Beleid en criteria voor verlenging van tijdelijke contracten
Op grond van artikel 4.2, eerste lid WOO verzoek ik om:
- Alle beleidsdocumenten, richtlijnen en interne notities waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden tijdelijke contracten binnen de AP worden verlengd of beëindigd.
- Eventuele standaardprocedures of interne beslismodellen die worden gehanteerd bij de beoordeling van tijdelijke contracten.
2. Toepassing van verlengingsbeleid in de praktijk
Op grond van artikel 4.2, tweede lid WOO verzoek ik om een geanonimiseerd overzicht van tijdelijke contracten binnen de AP over de afgelopen drie jaar (2022-2025), inclusief:
- Het aantal tijdelijke contracten dat is verlengd en het aantal dat niet is verlengd.
- De gehanteerde redenen voor verlenging of niet-verlenging.
- De functiecategorieën en afdelingen van de betreffende werknemers.
3. Specifieke besluitvorming met betrekking tot mijn dienstverband
Op grond van artikel 4.1, tweede lid WOO verzoek ik om openbaarmaking van alle documenten die verband houden met de beslissing om mijn contract niet te verlengen, waaronder:
- Alle interne communicatie (e-mails, memo’s, gespreksverslagen, notities) waarin mijn tijdelijke contract en de beslissing tot niet-verlenging zijn besproken.
- Interne adviezen of overwegingen van HR, juridische zaken en het management met betrekking tot mijn contract.
- Alle documenten waarin mijn klokkenluidersmelding en de mogelijke gevolgen daarvan voor mijn dienstverband worden besproken.
4. Rol van de bedrijfsarts in de besluitvorming
Op grond van artikel 4.2, eerste lid WOO verzoek ik om:
- Eventuele verslagen, adviezen of notities van de bedrijfsarts die een rol hebben gespeeld in de beslissing om mijn contract niet te verlengen.
- Correspondentie tussen de bedrijfsarts en HR, management of andere betrokkenen binnen de AP over mijn situatie en contractverlenging.”
De besluitvorming van de AP
7. Op 27 maart 2025 heeft de AP aan verzoeker schriftelijk laten weten de verzoeken onder 3 en 4 verder te behandelen als een verzoek om inzage als bedoeld in de AVG, omdat dit persoonlijke informatie van verzoeker betreft. Op 17 juli 2025 heeft de AP met het primaire besluit bepaald dat voor wat betreft onderdeel 3 binnen de AP niet schriftelijk is gecommuniceerd buiten verzoeker om. Verzoeker is constant onderdeel geweest van gesprekken en beslissingen over de verlenging van zijn dienstverband. Alle correspondentie met betrekking tot dit onderwerp maakte volgens de AP ook deel uit van verzoekers verzoekschrift aan de kantonrechter. Ook in het verweerschrift van de AP in die procedure is deze communicatie toegevoegd. Voor wat betreft onderdeel 4 heeft de AP toegelicht dat deze stukken reeds in het bezit van verzoeker zijn, en er geen nadere stukken zijn. De bedrijfsarts speelt volgens de AP geen rol bij de besluitvorming over een contractverlenging. Als geneeskundig specialist is de bedrijfsarts gehouden aan het medisch beroepsgeheim. De gesprekken tussen de bedrijfsarts en de betrokken medewerker zijn dus strikt vertrouwelijk. De schriftelijke rapportages van de bedrijfsarts aan de werkgever bevatten nooit medische details en worden bovendien door de bedrijfsarts alleen gedeeld met de betrokken medewerker en de betrokken casemanager (meestal de leidinggevende). Verzoeker is volgens de AP in het bezit van al deze rapportages.
8. Met de beslissing op bezwaar van 18 november 2025 heeft de AP het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Met het bestreden besluit heeft de AP een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, daarbij het besluit van 18 november 2025 ingetrokken en het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard. Daaraan heeft de AP ten grondslag gelegd dat interne navraag alsnog enkele e-mailberichten heeft opgeleverd, welke e-mailberichten de AP als bijlagen bij het bestreden besluit heeft gevoegd. Ook heeft de AP ten overvloede het verweerschrift uit de civiele zaak meegestuurd dat verzoeker stelde niet te hebben ontvangen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
9. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat er meer stukken moeten zijn dan die de AP beschikbaar heeft gesteld. Daarbij verwijst verzoeker naar een besluit van het UWV van 2 juni 2025 waaruit volgens hem blijkt dat zijn dienstverband bij de AP doorloopt en er een doorbetalingsverplichting rust op de AP. Het is volgens verzoeker ongeloofwaardig dat een dergelijk ingrijpend besluit, dat financiële verplichtingen oplegt aan een overheidsorganisatie, geen enkel intern spoor heeft achtergelaten. Volgens hem moeten er interne e-mails, memo’s, HR mutaties of juridische adviezen zijn uitgewisseld over de ontvangst, verwerking en eventuele betwisting van dit UWV-oordeel. Dat de AP stelt dat deze stukken niet bestaan, bewijst volgens verzoeker dat de zoekslag onvolledig is uitgevoerd of dat stukken bewust worden achtergehouden. Volgens verzoeker is sprake van een schending van ‘Equality of Arms’, omdat door het achterhouden van stukken er geen procedurele gelijkheid is tussen partijen in de civiele procedure en verzoeker daardoor in bewijsnood verkeert. De weigering om interne stukken te verstrekken, onder het mom van vertrouwelijkheid, levert volgens verzoeker in dat verband een schending op van het recht op een eerlijk proces.
10. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aan de voorlopige voorzieningenrechter verzocht om de AP te bevelen om hem volledige inzage te verschaffen in alle verwerkte persoonsgegevens, waaronder specifiek begrepen: alle interne e-mailcorrespondentie, memo’s en notities (inclusief concepten) uit de periode mei 2025 tot heden die betrekking hebben op de ontvangst en verwerking van het UWV-besluit van 2 juni 2025, een volledig overzicht van de logbestanden (‘Audit Trails’) waaruit blijkt wie wanneer toegang heeft gehad tot en wijzigingen heeft aangebracht in het personeelsdossier van verzoeker en de ontbrekende stukken uit het fysieke procesdossier dat bij de Rechtbank Den Haag kennelijk in ongerede is geraakt. Daarnaast heeft verzoeker verzocht om te bepalen dat de AP een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag (met een maximum van € 50.000,-) voor elke dag dat de AP in gebreke blijft.
Spoedeisend belang
11. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of (in dit geval) beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
12. Het spoedeisend belang van verzoeker is volgens hem gelegen in de acute bewijsnood en de schending van de ‘Equality of Arms’ in twee nauw verbonden civiele procedures. Verzoeker is namelijk verwikkeld in een hoger beroepsprocedure tegen de AP inzake een ontslagbeschikking. Op 31 maart 2026 is een zitting gepland. In die procedure is een situatie van overmacht ontstaan, omdat de advocaat van verzoeker zich recent heeft onttrokken aan de zaak, verzoeker door de AP is afgesloten van de werksystemen en daardoor geen toegang heeft tot zijn eigen dossiers, e-mailberichten en bewijsstukken, en de AP aanstuurt op een niet-ontvankelijkverklaring of finale afdoening, gebruikmakend van het feit dat verzoeker onvoldoende verweer kan voeren door gebrek aan stukken. De via de AVG gevorderde stukken, — met name de interne communicatie over de status van het dienstverband en de obstructie van het dossier, zijn volgens verzoeker noodzakelijk om in het hoger beroep bij het Gerechtshof aan te tonen dat hij door de AP tegengewerkt wordt. Zonder deze stukken dreigt het Gerechtshof uitspraak te doen op basis van een onvolledig dossier, wat volgens verzoeker leidt tot een onherstelbaar verlies van rechten. Verzoeker heeft er op gewezen dat er tevens een procedure tegen de Rechtbank Den Haag (Sector Civiel) loopt betreffende dossiervermissing. In zijn e-mailbericht van 5 februari 2026 heeft verzoeker bericht dat de parallelle loonvordering bij de sector Kanton van de Rechtbank Den Haag is ingetrokken. De documenten die de AP weigert, zijn volgens verzoeker cruciaal om het patroon van institutionele vooringenomenheid te bewijzen. Het niet tijdig beschikken over deze stukken ondermijnt de bewijspositie van verzoeker in de procedure fataal. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft verzoeker een inventarislijst overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de AP stukken achterhoudt.

De beoordeling van de voorzieningenrechter

13. In artikel 15 van Pro de AVG is het inzagerecht geregeld. Dit artikel geeft een betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die verwerkte persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [2] Daarbij geldt dat het begrip ‘persoonsgegevens’ breed moet worden uitgelegd. [3] Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene onder meer het recht om inzage te verkrijgen in de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens, de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen.
14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat niet aannemelijk is dat een oordeel in deze zaak over de (on)rechtmatigheid van gegevensverwerking door de AP, van belang kan zijn in de lopende civiele zaak. Gelet op artikel 15, derde lid, van de AVG en het doel dat verzoeker heeft met zijn inzageverzoek, namelijk documenten inbrengen in een civiele procedure die, zo hij heeft gesteld, zien op de speelruimte in de transitievergoeding, de interne evaluatie van de mediation, de aansturing van de bedrijfsarts, de werkelijke reden van het niet verlengen van verzoekers contract, te weten represailles naar aanleiding van verzoekers klokkenluidersmelding, en de interne paniek die daarover volgens verzoeker bij de AP moet zijn geweest, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker slechts recht heeft op een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. De AP is dus op grond van de AVG niet verplicht om een kopie van de onderliggende documenten, waarin de persoonsgegevens voor komen, te verstrekken, terwijl dit nu juist is waarvoor verzoeker een voorlopige voorziening vraagt: het voor de zitting van 31 maart 2026 kunnen inbrengen van documenten. Een voorlopige voorziening in deze zaak kan slechts inhouden dat verzoeker inzage krijgt in nader te verstrekken persoonsgegevens, zodat hij de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dat de AP bij het bestreden besluit en ook daarvoor documenten heeft verstrekt, laat dit onverlet. Voor zover verzoeker wenst de stukken met zijn persoonsgegevens waarom hij in zijn verzoek van 27 februari 2025 heeft gevraagd (of ook nog andere stukken) integraal verstrekt te krijgen voor de lopende civiele procedure, dient hij zich daarvoor te wenden tot de civiele rechter in die procedure. Die kan immers beoordelen of het dossier compleet is. Verder geldt dat, in het geval na uitspraak in hoger beroep in de civiele procedure of naar aanleiding van de bodemprocedure in de beroepszaak bij de bestuursrechter, naar voren komt dat er meer verwerkte persoonsgegevens zijn van verzoeker dan die door de AP zijn verstrekt, en verzoeker daardoor is benadeeld in zijn (proces)positie, verzoeker mogelijk een vordering tot herroeping kan indienen bij de civiele rechter.
15. Nu verzoeker met zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet kan bereiken dat hij documenten krijgt verstrekt, ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om inhoudelijk te beoordelen of evident is dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

16. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang en de gevraagde voorlopige voorziening niet kan worden getroffen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ROT 25/10248
3.Vgl. ECLI:C:EU:2017:994