ECLI:NL:RBROT:2026:1507

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11811408 CV EXPL 25-16186
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.3 cao RijkArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medewerker Dienst Justitiële Inrichtingen heeft recht op toelage bezwarende omstandigheden

Een medewerker van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid (LBB) bij de Dienst Justitiële Inrichtingen vordert een toelage voor bezwarende omstandigheden op grond van de cao Rijk. Hij voert aan dat hij regelmatig onder bezwarende omstandigheden werkt, zoals het dragen van zwaar beschermingsmateriaal en het lopen van een verhoogd risico op invaliditeit of overlijden.

De werkgever betwist het recht op de toelage omdat de functie van medewerker LBB niet op de functielijst staat die jaarlijks met vakbonden wordt vastgesteld. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer inderdaad regelmatig onder bezwarende omstandigheden werkt en dat de cao bepaalt dat werknemers die meer dan incidenteel onder dergelijke omstandigheden werken recht hebben op de toelage. De werkgever heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de functie niet op de functielijst is geplaatst.

De kantonrechter verklaart voor recht dat de werknemer recht heeft op de toelage en veroordeelt de werkgever om de functie van medewerker LBB binnen vier maanden op de functielijst te plaatsen, met een dwangsom van €100 per dag bij niet-naleving. Tevens worden de proceskosten aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: Werknemer heeft recht op toelage bezwarende omstandigheden en werkgever moet functie binnen vier maanden op functielijst plaatsen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11811408 CV EXPL 25-16186
datum uitspraak: 13 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[naam werknemer],
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. D.C. Coppens,
tegen
De Staat der Nederlanden,
meer specifiek het ministerie van Justitie en veiligheid, Dienst Justitiële inrichtingen (DJI), Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O),
vestigingsplaats: Den Haag,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Versloot.
De partijen worden hierna ‘werknemer’ en ‘werkgever’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 maart 2025, met bijlagen 1 tot en met 12;
  • het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 8;
  • het verwijzingsvonnis van 22 juli 2025 van de kantonrechter van rechtbank Den Haag.
1.2.
Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Werknemer werkt bij de Dienst Justitie en Veiligheid, Dienst Vervoer & Ondersteuning als [naam functie] bij de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid (LBB). Hij stelt dat hij op grond van de toepasselijke cao recht heeft op een toelage voor bezwarende werkomstandigheden. De kantonrechter is het daarmee eens. De redenen hiervoor zijn als volgt.
2.2.
De LBB is een landelijke dienst die beveiligings- en transportbegeleidingstaken uitvoert. Het betreft onder meer het vervoer van arrestanten, tbs-patiënten, volwassen gedetineerden, jongeren en vreemdelingen. Ook is de LBB betrokken bij vervoer van goederen voor de Rijksoverheid, zoals vervoer van valuta, geclassificeerde documenten, en in beslag genomen drugs. Verder houdt de LBB zich bezig met persoonsbeveiliging van rechters van de Rechtbank Den Haag, onder andere op zogenaamde zorgrondes. Daarnaast verleent de LBB bijstand in (justitiële) inrichtingen. Dat gebeurt bij calamiteiten, zoals ordehandhaving en ordeherstel, evacuaties of zoekacties naar wapens, drugs of telefoons. De LBB wordt ingezet bij de beveiliging van zowel het voorterrein als de omtrek van de Extra Beveiligde Inrichting van de Penitentiaire Inrichting Vught. Afhankelijk van de operationele inzet dragen de LBB’ers meerdere beschermingsmiddelen en wapens, zoals een kogel- en steek-werend veiligheidsvest, handwapens, koppelboeien en wapenstok. Ook wordt soms gebruik gemaakt van zwaardere vesten en het lange wapen (een mitrailleur). Hoe gevaarlijker het werk, hoe zwaarder het vest.
2.3.
In de cao Rijk staat de volgende regeling over een toelage bezwarende omstandigheden:
2.4.
Op 17 juni 2020 hebben leden van de LBB aan hun management laten weten dat zij mogelijk recht hebben op de toelage bezwarende omstandigheden. De regeling over die toelage stond toen in paragraaf 7.7 van de cao Rijk 2020 en nu in paragraaf 7.3 van de cao Rijk 2024-2025 (hierna: de cao). De tekst is hetzelfde gebleven [1] .
2.5.
Bij brief van 13 november 2020 is namens leden van de LBB verzocht om de toelage bezwarende omstandigheden en om vergoedingen voor BE-werkzaamheden. BE staat voor Bewakings Eenheid. In reactie hierop is bij brief van 16 december 2020 door werkgever meegedeeld dat intern onderzoek verricht zal worden naar het samenstel van werkzaamheden in de functie van medior en [naam functie] .
2.6.
De algemeen directeur DV&O verzoekt aan de Directeur-Generaal DJI op 22 maart 2023 om in het vakbondsoverleg de vergoeding bezwarende werkomstandigheden te bespreken ten behoeve van (onder andere) de medewerkers LBB (in de Nota Toelage Bezwarende Omstandigheden DV&O).
2.7.
Op 4 april 2023 hebben leden van de LBB hun onvrede geuit over het gebrek aan voortgang. In reactie hierop is te kennen gegeven dat het inderdaad tijd kost om de juiste afwegingen te maken en dat zorgvuldigheid wordt betracht, omdat duidelijk is geworden dat een aanvullende vergoeding gekoppeld kan worden aan de status Substantieel Bezwarende Functie (SBF), welke status werkgever wil behouden voor de LBB.
2.8.
Bij e-mailbericht van 20 september 2023 zijn leden van de LBB ervan op de hoogte gesteld dat besloten is, met instemming van de vakbonden in het Georganiseerd Overleg, dat aan de werknemers werkzaam bij de LBB, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022, een BE-vergoeding van € 35,- bruto per dag wordt toegekend voor de dagen waarop zij feitelijk BE-werkzaamheden hebben verricht. Dit is opgenomen in artikel 7.5 van het Personeelsreglement DJI.
2.9.
Bij brief van 17 januari 2024 heeft de gemachtigde van werknemer namens hem en 94 collega’s gevraagd waarom de BE-vergoeding niet is toegekend met terugwerkende kracht tot 16 december 2019, vanaf welke datum al werkzaamheden worden verricht onder bezwarende omstandigheden. Een beroep is gedaan op gelijke beloning bij gelijke arbeid, waarbij erop is gewezen dat bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee bezwarende omstandigheden ook leiden tot een toelage. Ook schrijft de gemachtigde dat het besluit om de medewerkers van de LBB dit te ontzeggen in strijd is met goed werkgeverschap en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dat de brief bedoeld is als een stuiting van de verjaring.
2.10.
In reactie hierop heeft de gemachtigde van werkgever bij brief van 17 mei 2024 meegedeeld dat de BE-toelage geen toelage bezwarende omstandigheden is als bedoeld in de cao, maar bedoeld is om specifiek opgeleid personeel te behouden. Ook is meegedeeld dat de stelling dat de LBB in aanmerking komt voor de toelage bezwarende omstandigheden niet juist is. Daarbij is er op gewezen dat de toelage wordt toegekend als functies op een lijst staan die met de vakorganisaties is overeengekomen en dat die situatie zich niet voordoet, zodat de LBB’ers niet in aanmerking komen voor de toelage. Tevens is te kennen gegeven dat het beroep op gelijke beloning bij gelijke arbeid niet opgaat, omdat de cao Rijk niet van toepassing is op medewerkers van de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee, omdat zij andere rechtspositieregelingen hebben dan de medewerkers van de LBB, die onder de cao Rijk vallen.
2.11.
Werknemer eist nu bij vonnis:
te verklaren voor recht dat hij, als medewerker LBB recht heeft op een vergoeding voor bezwarende werkomstandigheden als bedoeld in artikel 7.3 cao;
werkgever te veroordelen tot plaatsing van de functie van medewerker LBB op een functielijst als bedoeld in artikel 7.3 cao binnen een periode van twee maanden gerekend vanaf datum vonnis, met toekenning van een dwangsom van € 500,- per dag voor elke dag dat werkgever daarmee in gebreke blijft;
werkgever te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.12.
Werkgever is het hiermee niet eens en heeft verweer gevoerd.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
2.13.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of werknemer recht heeft op een toelage vanwege bezwarende werkomstandigheden als bedoeld in paragraaf 7.3 van de cao. Uit de stellingen van partijen over en weer is duidelijk dat zij het er op zich over eens zijn dat werknemer als medewerker LBB gedurende tenminste een deel van de tijd zijn werk moet doen onder twee van de bezwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 7.3 van de cao Rijk. Het gaat om de volgende twee omstandigheden:
a. a) werknemer moet beschermende kleding dragen of beschermende middelen gebruiken, die hem in zijn werk belemmeren; en
b) werknemer heeft vanwege zijn werk of werkomstandigheden een verhoogd risico op invaliditeit.
2.14.
Er is tussen partijen wel discussie over de frequentie waarmee werknemer zijn werk onder deze bezwarende omstandigheden moet doen, maar werkgever heeft niet weersproken dat werknemer gemiddeld vijf tot zes diensten per maand heeft bij de PI Vught. Werkgever heeft evenmin weersproken dat werknemer dan zijn werk moet doen met een bivakmuts op, een 20 kilo zwaar kogelwerend vest aan, bewapend met onder andere een semi-automatisch machinepistool en dat werknemer bij deze diensten zijn auto moet parkeren op een beveiligd terrein van defensie en dat hij in verband met risico’s niet steeds dezelfde routes mag rijden als hij na zijn werk terug naar huis gaat. Ook bij het werk dat werknemer doet als beveiliger van rechters van de Rechtbank Den Haag draagt werknemer beschermende kleding en wapens, die hem in zijn werk belemmeren. Kortom, werkgever heeft onvoldoende weersproken dat werknemer zijn werk tenminste ‘nu en dan’, als het al niet ‘regelmatig’ is, onder bezwarende omstandigheden moet uitvoeren. Hetzelfde geldt, gelet op wat partijen daarover hebben verklaard, voor tenminste een deel van de collega’s van werknemer bij de LBB. Overigens houdt de cao ook rekening met de frequentie van het werken onder bezwarende omstandigheden, aangezien in de hoogte van de toelage onderscheid wordt gemaakt tussen ‘nu en dan’, ‘regelmatig’ en ‘voortdurend’ onder bezwarende omstandigheden moeten werken.
2.15.
De vervolgvraag is of de vorderingen van werknemer, die zien op de toelage voor het werken onder bezwarende omstandigheden, kunnen worden toegewezen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat uit paragraaf 7.3 van de cao volgt dat, op het moment dat hij zijn werk moet doen onder één of meer van de bezwarende omstandigheden als genoemd in de cao, hij recht heeft op de toelage. Hij wijst in dit verband onder andere op de eerste zin van paragraaf 7.3, waarin staat: “
Als u af en toe of met enige regelmaat moet werken onder bezwarende omstandigheden heeft u recht op de toelage voor bezwarende omstandigheden”.Ook beroept hij zich op de derde zin van paragraaf 7.3, waarin staat:
“Als uw functie niet op de functielijst voorkomt maar u incidenteel wel onder bezwarende omstandigheden werkt, kan uw werkgever u daarvoor een vergoeding geven.”
2.16.
Werkgever wijst op haar beurt op de tweede zin van paragraaf 7.3, waarin staat dat de werkgever jaarlijks met de vakbonden afspreekt bij welke functies sprake is van bezwarende omstandigheden en de functies op een functielijst worden opgenomen. Werkgever meent dat nu de functie van werknemer niet op deze functielijst staat en daarover met de vakbonden ook geen afspraken zijn gemaakt, de functie van werknemer niet voor de toelage bezwarende omstandigheden in aanmerking komt.
2.17.
Voor wat betreft de uitleg van paragraaf 7.3 van de cao, geldt het volgende toetsingskader. Op grond van de zogenoemde cao-norm moet aan de bepalingen van een cao een objectieve uitleg worden gegeven, waarbij de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, in principe van doorslaggevende betekenis zijn. De reden hiervoor is dat het niet de bedoeling is dat partijen die niet betrokken zijn bij de totstandkoming van de cao maar er wel rechten aan ontlenen (zoals de werknemer en in bepaalde gevallen ook de werkgever) worden geconfronteerd met een uitleg van een bepaling die gebaseerd is op een partijbedoeling die ze niet kenden. Een eenvormige uitleg is mede hierom bij een cao van groot belang.
2.18.
Als de kantonrechter tegen deze achtergrond de cao bepaling leest, dan valt op dat de eerste zin van paragraaf 7.3 heel stellig is geformuleerd. Daar staat dat een werknemer die af en toe of met enige regelmaat moet werken onder bezwarende omstandigheden,
recht heeftop de toelage bezwarende omstandigheden. Daartegenover staat dat uit de tweede alinea lijkt te volgen dat, als de functie
nietstaat op een functielijst die de werkgever jaarlijks met de vakbonden afspreekt, er geen recht bestaat op de toelage. Vervolgens staat in de derde alinea dat als de functie
nietop de functielijst voorkomt, maar de werknemer wel
incidenteelonder bezwarende omstandigheden werkt, de werkgever daarvoor een vergoeding
kangeven (onderstrepingen kantonrechter). Uit deze passages lijkt te volgen dat de bedoeling van de cao is dat werknemers die hun werk – meer dan incidenteel – onder bezwarende omstandigheden uitvoeren, wel recht hebben op de toelage en de werkgever over deze functies dan afspraken maakt met de vakbonden. Is er sprake van slechts incidenteel werken onder bezwarende omstandigheden, dan heeft de werkgever een discretionaire bevoegdheid, gelet op de
kanbepaling, om wel of geen vergoeding te geven voor het werken onder bezwarende omstandigheden. Maar deze discretionaire bevoegdheid geldt dus niet voor werknemers die meer dan incidenteel werken onder bezwarende omstandigheden, zoals voor werknemer geldt.
2.19.
Aan deze cao verplichting heeft werkgever ten opzichte van werknemer niet voldaan. Het is de kantonrechter uit het verweer van werkgever, maar ook uit de antwoorden op vragen tijdens de zitting, niet duidelijk geworden waarom de werkgever geen afspraak met de vakbonden heeft gemaakt om de functie van werknemer als medewerker LBB op de functielijst te plaatsen. Werkgever heeft naar eigen zeggen wel ‘overleg’ gevoerd met de bonden over de toelage bezwarende omstandigheden voor de functie van medewerker LBB, maar onduidelijk is wat dit overleg heeft ingehouden. Werkgever moest het antwoord schuldig blijven op de vraag of bij deze gelegenheid überhaupt wel aan de vakbonden is voorgesteld om de functie van werknemer op de functielijst te zetten. Wel is duidelijk geworden, en dit heeft werkgever ook ter zitting nogmaals bevestigd, dat de BE-toelage die tijdens dit overleg is afgesproken, bedoeld is als arbeidsmarkttoelage om specifiek opgeleid personeel te behouden en dat dit dus geen vergoeding/toelage is die verband houdt met bezwarende omstandigheden. Dat werkgever over de plaatsing van de functie van werknemer op de functielijst geen afspraken met de vakbonden heeft gemaakt klemt temeer, gelet op het volgende.
2.20.
De algemeen directeur DV&O schrijft in de Nota Toelage Bezwarende Omstandigheden DV&O van 22 maart 2023 aan de Directeur-Generaal DJI onder meer het volgende:
“(…) Uit de gesprekken met de medior en senior LBB'er en de sectiecommandanten LBB komt naar voren dat er sinds enige tijd sprake is van een hoger geweldspectrum ten opzichte van een aantal jaren geleden, een toenemende verharding van de samenleving in Nederland, bedreigingen bij het uitoefenen van de functie, een toename van het aantal risico's, en een verandering van taken ten opzichte van de functiebeschrijving (…)
Binnen de organisatie DV&O zijn er een fors aantal medewerkers die dagelijks gedetineerden, justitiabelen en jeugdigen vervoeren en bejegenen. Deze medewerkers zijn in de uitvoering van hun werkzaamheden verplicht de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen en bewapening te dragen, zoals (zwaar) kogel- en steek werend veiligheidsvest, handwapens, koppelboeien en de wapenstok. Daarnaast maakt het BOT en de LBB ook nog gebruik van de zogenaamde zware vesten, de lange wapens (de HK MP5 en de HK 417) en het schild en helm. Deze uitrusting maakt dat de transportgeleider DV&O (regulier beveiligd vervoer, extra beveiligd vervoer (Internationale Strafhoven), de LBB, het BOT en de speurhondengeleider) in de uitvoering van de werkzaamheden in de bewegingsvrijheid ernstig belemmerd wordt. Daarnaast bestaat er ook een verhoogd risico op invaliditeit of overlijden in de dagdagelijkse uitvoering van de werkzaamheden (…) Het aantal medewerkers bij de DV&O die met voornoemde middelen moetenwerken, bedraagt thans totaal circa 820, verdeeld als volgt: (…) 6. De landelijke bijzondere bijstand (LBB): 124 medewerkers (…)
Gevraagde beslissing
Ik vraag u in het vakbondsoverleg onderstaand verzoek te bespreken wat betreft de onderstaande tegemoetkoming, voor de hieronder gespecificeerde functies:
(…)
6. De landelijke bijzondere bijstand (LBB): 1 bezwarende omstandigheid: het regelmatig beschermende kleding moeten dragen of beschermende middelen moet gebruiken die het werk belemmeren (€ 38,96 p.mnd.) De LBB'er wordt ingezet bij TBS verlof en ziekenhuisbewakingen. Bij reguliere zoekacties in de inrichting draagt de LBB'er bij het van cel halen van de gedetineerden, ook de volledige uitrusting. Dat wil zeggen: veiligheidsvest, koppel met geweldsmiddelen zonder het wapen en helm. Bij de zoekactie zelf draagt de medewerker geen beschermende middelen. Indien de medewerker LBB ook wordt ingezet op de zogenaamde BE-taken, dan volgt een 2e bezwarende omstandigheid, vanwege het verhoogd risico op invaliditeit of overlijden. Niet alle LBB'ers zijn namelijk BE opgeleid en worden derhalve ook niet ingezet op deze werkzaamheden. (…)”
2.21.
Tegen de achtergrond van dit verzoek lag het op de weg van werkgever om in de onderhavige procedure een deugdelijke en dragende motivering te geven waarom met de vakbonden geen afspraken zijn gemaakt over plaatsing van de functie van werknemer op de functielijst, conform artikel 7.3 cao. Dit heeft werkgever niet gedaan.
2.22.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de kantonrechter de gevraagde verklaring voor recht, dat werknemer in zijn huidige functie als medewerker LBB binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen recht heeft op een vergoeding voor bezwarende werkomstandigheden, toewijzen. Zoals hiervoor in 2.14 is geoordeeld, werkt werknemer gelet op zijn huidige werkpakket meer dan incidenteel onder bezwarende omstandigheden. Of hetzelfde geldt voor al zijn collega’s in de functie van medewerker LBB, is niet duidelijk. Op de lijst bij de brief van 17 januari 2024 aan de Minister, staan de namen van 94 medewerkers binnen de dienst LBB, namens wie wordt gevraagd om de toelage bezwarende werkomstandigheden. De eis van werknemer om werkgever te veroordelen om ‘de functie van medewerker LBB binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen’ op een functielijst te plaatsen, is dan ook te ruim en algemeen geformuleerd. De kantonrechter zal deze eis zo toewijzen, dat werkgever wordt veroordeeld om de functie van medewerker LBB, met het takenpakket van werknemer binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen, op een functielijst te plaatsen. De termijn van twee maanden in de dagvaarding is daarvoor naar het oordeel van de kantonrechter te kort, aangezien uit de cao volgt dat over de plaatsing op de functielijst met de vakbonden afspraken moeten worden gemaakt. Daarom zal de kantonrechter een termijn van vier maanden aanhouden, en de verzochte dwangsom matigen tot € 100,- per dag.
2.23.
De proceskosten komen voor rekening van werkgever, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die werkgever aan werknemer moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 1.246,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart voor recht dat werknemer als medewerker LBB binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) recht heeft op een vergoeding voor bezwarende werkomstandigheden als bedoeld in artikel 7.3 cao Rijk;
  • veroordeelt werkgever om de functie van medewerker LBB, met het takenpakket van werknemer binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen, binnen een periode van vier maanden gerekend vanaf datum vonnis, op een functielijst te plaatsen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat werkgever hiermee in gebreke blijft;
  • veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van werknemer worden begroot op € 1.246,04;
  • wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Met uitzondering van de bedragen in de tabel, die in de loop van de tijd zijn verhoogd.
2.artikel 237 Rv Pro