Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[persoon A] ,
1..[V.O.F. C] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 25 februari 2025, met bijlagen;
- het antwoord tevens eis in reconventie, met bijlagen;
- het antwoord in reconventie, tevens akte eiswijziging, met bijlagen.
2.De beoordeling
De offerte van [bedrijf X] gaat uit van het grotendeels
Zwembadmeubel completeren incl. kastje’ vervolgens een bedrag van € 650,- begroot en dat bedrag is dus meegenomen in de herstelkosten waarover hierboven al is geoordeeld. Hoe dit zich verhoudt tot het geoffreerde bedrag waarop daarnaast aanspraak wordt gemaakt, is onduidelijk gebleven. Niet kan dan
de sauna van 17k’. Verder zijn verklaringen overgelegd van twee getuigen die bij de overhandiging van het geld zouden zijn geweest en in die verklaringen staat dat de contante betaling was bedoeld voor de bouw van een sauna en voor kastenwerk in de woning. Dat dat kastenwerk niet is uitgevoerd, is niet gesteld of gebleken. Gelet op dat wat hiervoor staat, wordt het standpunt van [persoon A] c.s. zo begrepen dat € 17.000,- onverschuldigd is betaald omdat de afgesproken sauna niet is gebouwd. Vastgesteld wordt dat die betaling inderdaad samenhing met een sauna. Dit is aan de hand van de hiervoor genoemde mail en verklaringen voldoende onderbouwd en door [V.O.F. C] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij de verdere beoordeling is dan ook het uitgangspunt dat € 17.000,- is betaald voor het realiseren van een sauna.
niet meer hoefden en wilden afnemen’, omdat ze een stoombad wilden en [V.O.F. C] c.s. die niet kon bouwen. Door deze afspraak, die niet is weersproken, is met terugwerkende kracht de rechtsgrond voor de betaling van € 17.000,- komen te vervallen en is dat bedrag dus onverschuldigd betaald. Hoewel de mail van [persoon A] c.s. geen duidelijkheid geeft over de terugbetaling van het bedrag, is van de kant van [V.O.F. C] c.s. niets aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat daarover tussen partijen eventuele afwijkende afspraken zijn gemaakt. Het gesprek op de zitting heeft wat dat betreft evenmin iets opgeleverd. Er is daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan als bepaald in artikel 6:203 lid 2 BW Pro, namelijk dat als de onverschuldigde betaling een geldsom betreft een gelijk bedrag moet worden teruggegeven. Dit deel van de vordering wordt dan ook toegewezen tot een bedrag van € 17.000,-.
een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.’ Duidelijk is dat deze termijnen niet zijn verstreken, zelfs als zou worden uitgegaan van 18 maart 2020, de datum waarop is betaald, als start van de verjaringstermijn. De brief van de gemachtigde van [persoon A] c.s. van 18 maart 2024 kan namelijk worden aangemerkt als stuitingshandeling, omdat daarin uitdrukkelijk aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling.
redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.’ Als onderbouwing is een factuur van 8 januari 2024 van € 2.268,65 overgelegd. [V.O.F. C] c.s. heeft zonder enige toelichting betwist deze kosten verschuldigd te zijn. De vordering wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd weersproken toegewezen. Hierbij wordt opgemerkt dat het factuurbedrag niet bovenmatig voorkomt en dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.
Geschatte kosten montage voor het kastwerk € 7.200,-. Als jullie het goed vinden streep ik de montage weg, wel wil ik jullie vragen om het nog openstaande bedrag van