De zaak betreft een boete van €7.500 die de minister van Landbouw heeft opgelegd aan eiseres, een fokker van honden en katten, wegens vijf overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De boete is gebaseerd op een rapport van toezichthouders van de NVWA na inspecties en onderzoek, waarin onder meer werd vastgesteld dat meerdere honden ongeschikt waren voor de fok en dat er onvoldoende administratie en vakbekwaamheid aanwezig was.
Eiseres betwist enkele feiten, zoals het aantal gefokte kittens en de inspectiedatum, en stelt dat het boetebesluit onrechtmatig is vanwege onjuiste feiten en onvoldoende motivering. De rechtbank oordeelt echter dat het bestuursorgaan terecht uitging van het rapport van de toezichthouders, dat de betwisting onvoldoende grond biedt om aan de juistheid te twijfelen, en dat de boete terecht is opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat eiseres bedrijfsmatig fokt zonder te voldoen aan de wettelijke eisen, waaronder het fokken met honden die meerdere keizersneden hebben gehad en het laten krijgen van meer dan één nest binnen twaalf maanden. Ook ontbreekt een erkend bewijs van vakbekwaamheid en een deugdelijke administratie. De boete is conform de standaardboetes vastgesteld en er zijn geen redenen om deze te matigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter P. Vrolijk op 19 februari 2026.