Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1576

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
C/10/684392 / FA RK 24-6132
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 Brussel II-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgangsregeling vastgesteld voor minderjarige na langdurig contactverlies met vader

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen een minderjarige en haar vader. De vader was niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling en reageerde niet op verzoeken om afspraken te maken over omgang. De moeder verzocht om een regeling waarbij de minderjarige om het weekend van vrijdag na school tot zondagmiddag bij de vader verblijft, en de schoolvakanties gelijk verdeeld worden.

De rechtbank overwoog dat het kind recht heeft op omgang met beide ouders en dat de vader zijn wettelijke verplichtingen niet nakomt. De vader onderhoudt geen contact meer met de minderjarige sinds ruim een jaar, wat schadelijk is voor haar ontwikkeling. De rechtbank stelde de omgangsregeling vast en deed suggesties voor gefaseerd contactherstel, waarbij de moeder hulpverlening zal betrekken.

De moeder trok het verzoek om een dwangsom in, waardoor dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door de moeder in hoger beroep worden aangevochten binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt een omgangsregeling vast waarbij de minderjarige om het weekend en tijdens vakanties bij de vader verblijft.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/684392 / FA RK 24-6132
Beschikking van 25 februari 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Kievit te Breda,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de (tussen)beschikking van 11 november 2024;
  • de herstelbeschikking van 23 december 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 11 november 2024 heeft de rechtbank een door de man te betalen kinderbijdrage bepaald en de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: de omgangsregeling) tussen de man en de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna ook genoemd: [minderjarige] .
De rechtbank verwijst naar wat over dit onderwerp is opgenomen in die beschikking.
Omgangsregeling
2.2.
De vrouw verzoekt een omgangsregeling in die zin dat [minderjarige] om het weekend van vrijdag na school tot zondagmiddag 15:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt uit school en de vrouw [minderjarige] op zondag weer bij de man ophaalt, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de man nalaat uitvoering te geven aan de vast te stellen zorgregeling, met een maximum van € 25.000,-.
Daarnaast verzoekt de vrouw een regeling voor de verdeling van de vakanties van [minderjarige] vast te stellen, in die zin dat de schoolvakanties tussen partijen bij helfte worden verdeeld, waarbij [minderjarige] de eerst helft van de vakantie bij de vrouw verblijft, en de tweede helft bij de man, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de man nalaat uitvoering te geven aan de vast te stellen regeling, met een maximum van € 25.000,-.
2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van Pro Brussel II-bis bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
2.4.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat er aanvankelijk na het uiteengaan van partijen in 2020 regelmatig contact tussen de man en [minderjarige] heeft plaatsgevonden. De man heeft inmiddels een nieuwe relatie waaruit kinderen zijn geboren en onderhoudt geen contact meer met [minderjarige] of de vrouw. De minderjarige ziet de man al ruim een jaar niet. De vrouw ziet dat [minderjarige] het daar erg moeilijk mee heeft en de man mist. De man reageert niet op pogingen van de vrouw tot het maken van afspraken over omgang.
2.6.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. De man komt deze wettelijke verplichting niet na. Tekenend is ook dat de man niet is verschenen op de mondelinge behandeling die over de omgang gaat. Dit is schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarige, terwijl ook van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij alle zorgtaken op haar neemt. De rechtbank is dan ook met de raad van oordeel dat de man zijn wettelijke plichten moet nakomen. Daarom zal de rechtbank de verzochte omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan zich voorstellen dat partijen in overleg met elkaar treden om gefaseerd naar de definitieve omgangsregeling toe te werken. De minderjarige verblijft dan bijvoorbeeld in het begin van het contactherstel een dag bij de man en het overnachten wordt later uitgevoerd dit alles in het tempo van de minderjarige.
2.7.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij via het wijkteam hulpverlening zal betrekken voor hen bij de uitvoering van de omgang, zodat de minderjarige de juiste ondersteuning zal hebben bij dit contact en de regeling ook echt wordt uitgevoerd. Ook zal zij de familie van de man waar zij en de minderjarige nog wel contact mee hebben vragen de man op de hoogte te stellen dat de rechter en de raad het heel belangrijk vinden voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij weer regelmatig contact met hem heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich na het lezen van deze beschikking bewust is van de impact van zijn nalatigheid op het welzijn van de minderjarige, en dat hij de omgangsregeling zal nakomen.
Ingetrokken verzoek
2.8.
De vrouw heeft de verzochte dwangsom ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
Proceskosten
2.9.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt vast dat de minderjarige [minderjarige] in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht bij de man zal zijn als volgt:
om het weekend van vrijdag na school tot zondagmiddag 15:00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt uit school en de vrouw [minderjarige] op zondag weer bij de man ophaalt.
De schoolvakanties worden tussen partijen bij helfte verdeeld, waarbij [minderjarige] de eerste helft van de vakantie bij de vrouw verblijft, en de tweede helft bij de man.
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 25 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.