ECLI:NL:RBROT:2026:166

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
11533629 CV EXPL 25-2714
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling op basis van notariële schuldbekentenis met verjaring en rente

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen eiser en gedaagde. Eiser vorderde betaling van € 12.000,- op basis van een notariële schuldbekentenis, waarin gedaagde verklaarde dit bedrag te hebben geleend. Gedaagde betwistte de lening en stelde dat de akte een schijnhandeling was. De kantonrechter oordeelde dat de akte dwingend bewijs oplevert van de lening, en dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn verweer. De vordering werd voor een deel toegewezen, omdat een deel van de vordering verjaard was. De kantonrechter wees de contractuele rente af wegens onduidelijkheid, maar kende de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2019. Ook de incassokosten werden afgewezen omdat niet was aangetoond dat een geldige veertiendagenbrief was verzonden. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 7.000,- en de proceskosten werden op € 2.036,04 begroot. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11533629 CV EXPL 25-2714
datum uitspraak: 16 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Koog aan de Zaan,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. A.M. Stam,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiser is reconventie,
gemachtigde: mr. J.R. Versluis.
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 29 januari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie, met bijlagen;
  • de akte van [gedaagde] van 6 november 2025, met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie, met een bijlage.
1.2.
Op 4 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.

2.De beoordeling in conventie en reconventie

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 21 november 2014 hebben partijen ten overstaan van een notaris een document ondertekend met de titel “Schuldbekentenis” (hierna: de akte). In de akte verklaart [gedaagde] een bedrag van € 12.000,- verschuldigd te zijn aan [eiser] uit hoofde van geldleningen verstrekt op 18 april 2013 (€ 8.000,-) en 17 mei 2013 (€ 4.000,-). In de akte staat dat [gedaagde] met ingang van 1 januari 2015 maandelijks € 100,- moet terugbetalen tegen een contractuele rente van 6%. [gedaagde] heeft de geldleningen niet terugbetaald. [eiser] wil dat hij dat alsnog doet en eist daarom betaling van € 12.000,- aan hoofdsom met de contractuele rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens hem heeft hij nooit geld ontvangen en was de akte een “schijnhandeling” bedoeld om zijn verblijfsvergunning te kunnen verlengen. De eis wordt echter voor een deel toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De akte
2.2.
Op grond van artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in combinatie met artikel 156 Rv levert de akte tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van de daarin afgelegde verklaring. Dit betekent dat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat [gedaagde] het geld van [eiser] heeft geleend. Het is vervolgens aan [gedaagde] om tegenbewijs te leveren. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat nooit sprake is geweest van een geldlening en dat de akte uitsluitend was bedoeld om te gebruiken voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning. Enige concretisering ontbreekt echter, terwijl dat wel van hem had mogen worden verwacht om de juistheid van de inhoud van de akte te ontzenuwen. Nog daargelaten dat onduidelijk is gebleven of [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de akte op de wijze die hij stelt, is zelfs niet uitgewerkt dat en waarom een geldlening een rol kan spelen bij het wel of niet verlengen van een verblijfsvergunning. Bovendien ontbreekt elke relevante onderbouwing waaruit kan worden opgemaakt dat partijen de akte met een ander doel hebben laten opmaken dan het vastleggen van een verstrekte geldlening. Geoordeeld wordt dat het verweer van [gedaagde] tegenover de bewijskracht van de akte onvoldoende gemotiveerd en geconcretiseerd is en dat dus ook niet wordt toegekomen aan nadere bewijslevering. Er staat dan ook vast dat hij € 12.000,- van [eiser] heeft geleend als vastgelegd in de akte.
Reconventie; wilsgebreken
2.3.
[gedaagde] beroept zich in reconventie op vernietiging van de akte vanwege misbruik van omstandigheden, bedrog danwel dwaling. Dit beroep wordt verworpen, alleen al omdat het ervan uitgaat dat wat in de akte staat niet klopt en dat [gedaagde] nooit geld heeft geleend. Hiervoor is echter geoordeeld dat voor de rechtsverhouding tussen partijen moet worden uitgegaan van de inhoud van de akte.
Verjaring
2.4.
[gedaagde] heeft subsidiair een beroep gedaan op verjaring. In de akte is bepaald dat de lening vanaf 1 januari 2015 in maandelijkse termijnen van € 100,- moest worden afgelost. Voor dergelijke vorderingen geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
2.5.
Bij brief van 1 maart 2024 heeft [eiser] [gedaagde] voor het eerst gesommeerd tot betaling. De verjaring is toen voor het eerst gestuit. Dit betekent dat de vordering tot betaling van alle maandelijkse termijnen die meer dan vijf jaar vóór deze datum opeisbaar zijn geworden, is verjaard. Het gaat dan dus om de termijnen van januari 2015 tot en met februari 2019, samen een bedrag van € 5.000,-. Hierop kan geen aanspraak meer worden gemaakt en in zoverre slaagt het verjaringsberoep. De vordering wordt daarom toegewezen tot € 7.000,-.
Rente
2.6.
[eiser] vordert de contractuele rente van 6%. In de akte is echter niet duidelijk bepaald wanneer en over welke periode de rente is verschuldigd (per maand, kwartaal of jaar) en een berekening van het gevorderde rentebedrag ontbreekt. Vanwege deze onduidelijkheid wordt aanleiding gezien de contractuele rente af te wijzen en in plaats daarvan de wettelijke rente toe te wijzen vanaf 1 maart 2019.
Incassokosten
2.7.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiser] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te
betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Er kan niet worden vastgesteld dat deze brief is gestuurd, omdat hiervan geen kopie bij de dagvaarding zit.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij in conventie en reconventie voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 152,04 aan dagvaardingskosten, € 732,- aan griffierecht, € 1.017,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.036,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 7.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.036,04;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954