Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 29 januari 2025, met bijlagen;
- het antwoord met eis in reconventie, met bijlagen;
- de akte van [gedaagde] van 6 november 2025, met bijlagen;
- het antwoord in reconventie, met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen eiser en gedaagde. Eiser vorderde betaling van € 12.000,- op basis van een notariële schuldbekentenis, waarin gedaagde verklaarde dit bedrag te hebben geleend. Gedaagde betwistte de lening en stelde dat de akte een schijnhandeling was. De kantonrechter oordeelde dat de akte dwingend bewijs oplevert van de lening, en dat gedaagde onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn verweer. De vordering werd voor een deel toegewezen, omdat een deel van de vordering verjaard was. De kantonrechter wees de contractuele rente af wegens onduidelijkheid, maar kende de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2019. Ook de incassokosten werden afgewezen omdat niet was aangetoond dat een geldige veertiendagenbrief was verzonden. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 7.000,- en de proceskosten werden op € 2.036,04 begroot. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.