ECLI:NL:RBROT:2026:1942

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/10/678513 / HA ZA 24-378
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv (oud)Art. 700 lid 3 RvArt. 705 lid 2 RvArtikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen bewijsbeslag en opheffing beslag in civiele procedure tussen Nemesys en [bedrijf 1] c.s.

Nemesys ICT Groep B.V. en Rosecure B.V. (Nemesys c.s.) hebben bewijsbeslag gelegd onder [bedrijf 1] c.s. en vorderen afgifte van de beslagobjecten. [bedrijf 1] c.s. vorderen opheffing van het beslag. De rechtbank wijst beide vorderingen af. Nemesys c.s. hebben onvoldoende concreet aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 1] c.s. wanprestatie of onrechtmatig handelen hebben gepleegd, ondanks het weglokken van werknemers en klanten.

De procedure omvatte een kort geding en bodemprocedure, waarbij het kort gedingvonnis en arrest van het gerechtshof Den Haag het beslag bevestigden. De rechtbank overweegt dat het bewijsbeslag is gelegd op grond van artikel 843a Rv (oud) en dat Nemesys c.s. geen rechtmatig belang hebben bij inzage in de beslagobjecten. De belangenafweging leidt tot handhaving van het beslag, mede omdat het oordeel over de inzagevordering nog niet definitief is.

De rechtbank veroordeelt Nemesys c.s. in de proceskosten van €2.172 en [bedrijf 1] c.s. in de proceskosten van €831, beide te vermeerderen met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en op 18 februari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst zowel de vorderingen tot afgifte van beslagobjecten als tot opheffing van het bewijsbeslag af en veroordeelt partijen in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/678513 / HA ZA 24-378
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NEMESYS ICT GROEP B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland (gemeente Hoeksche Waard),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROSECURE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering te Oud-Beijerland,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis (gemeente Voorne aan Zee),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te Hellevoetsluis (gemeente Voorne aan Zee),
3.
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] (gemeente Voorne aan Zee),
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. B.R. Kleij te Rotterdam.
Eisers worden hierna gezamenlijk Nemesys c.s. genoemd en afzonderlijk Nemesys en Rosecure. Gedaagden worden hierna gezamenlijk [bedrijf 1] c.s. genoemd en afzonderlijk [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [gedaagde] .

1.De zaak in het kort

Nemesys c.s. hebben bewijsbeslag gelegd onder [bedrijf 1] c.s. Zij vorderen onder meer afgifte van de beslagobjecten. [bedrijf 1] c.s. vorderen op hun beurt opheffing van het beslag. Net als de voorzieningenrechter en het gerechtshof in het door partijen gevoerde kort geding wijst de rechtbank beide vorderingen af. Nemesys c.s. hebben geen rechtmatig belang bij de gevorderde afgifte. De afweging van de wederzijdse belangen valt wél in hun voordeel uit in verband met de gevorderde opheffing van het beslag.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 december 2023, met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;
  • de brief van de rechtbank van 20 september 2024, met een oproeping voor een mondelinge behandeling;
  • de zittingsagenda van 4 november 2024;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
  • de akte overlegging producties van [bedrijf 1] c.s., met producties;
  • de mondelinge behandeling van 12 december 2024;
  • de spreekaantekeningen van Nemesys c.s.;
  • de spreekaantekeningen van [bedrijf 1] c.s.;
  • de op de rol van 14 mei 2025 door partijen genomen akten uitlaten.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop vonnis wordt gewezen. Op 25 april 2025 heeft de rechtbank de procedure verwezen naar de rol, zodat partijen zich zouden kunnen uitlaten over het arrest in de kortgedingprocedure tussen partijen van 25 maart 2025 (zie 3.14.6 hierna). Nadat partijen allebei een akte hebben ingediend, is opnieuw bepaald dat er vonnis wordt gewezen.
2.3.
De rechter voor wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden is niet langer werkzaam binnen het team handel en haven van deze rechtbank. Dit vonnis wordt daarom door een andere rechter gewezen. Bij e-mailbericht van 23 december 2025 zijn de advocaten van partijen door de rechtbank bericht over de rechterswissel.

3.De feiten

3.1.
Op 1 juli 2021 draagt de heer [naam 1] ( [naam 1] ) de aandelen van
McData B.V. (McData) en D.T.A. Telecom B. V. (DTA) over aan Hosted.nl B.V., een
(klein)dochteronderneming van Techone B.V. (Techone). Vervolgens zijn McData en DTA
met andere dochterondernemingen van Techone gefuseerd. Op 25 april 2022 fuseert DTA
met Rosecure, waarbij Rosecure DTA verkrijgt. Op 11 mei 2023 fuseert McData met
Nemesys, waarbij Nemesys McData verkrijgt.
3.2.
Nemesys verleent diensten op het gebied van IT, telefonie en cybersecurity.
3.3.
Rosecure installeert en onderhoudt alarmsystemen.
3.4.
[bedrijf 2] levert IT-diensten op het gebied van (mobiele) telefonie, cloudservices,
internetverbindingen en camerabeveiliging. [gedaagde] is bestuurder
en enig aandeelhouder van [bedrijf 2].
3.5.
[bedrijf 2] en [gedaagde] richten op 2 juni 2023 [bedrijf 1] op, waarvan [bedrijf 2]
bestuurder en enig aandeelhouder wordt. [bedrijf 1] levert diensten op het gebied van
(mobiele) telefonie, cloudservices, internetverbindingen en camerabeveiliging.
3.6.
DTA en [bedrijf 2] sluiten op 30 december 2013 een overeenkomst van opdracht, (aanvankelijk) voor de duur van 24 maanden, ingaande op 1 januari 2014, op grond waarvan [bedrijf 2] diverse ICT-diensten verricht voor DTA. Op basis van deze afspraken levert Nemesys diverse ICT-diensten aan de Stichting Pameijer (Pameijer). Hierna sluiten partijen steeds nieuwe overeenkomsten na onderhandeling over nieuwe voorwaarden.
3.7.
De heer [naam 2] ( [naam 2] ) treedt op 6 mei 2013 bij DTA in dienst als
technisch installateur. Sinds de fusie werkt [naam 2] voor Rosecure. In zijn
arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen. In de cao Metaal &
Techniek staat dat de werknemer zonder toestemming van zijn werkgever niet voor iemand
anders mag werken dan zijn werkgever. [naam 2] zegt zijn dienstverband op 30 mei 2023
op tegen 30 juni 2023. Enkele weken na zijn opzegging treedt [naam 2] in dienst bij [bedrijf 1].
3.8.
De [naam 3] ( [naam 3] ) treedt op 1 september 2016 bij McData in dienst. Zijn
arbeidsovereenkomst bevat een concurrentie- en geheimhoudingsbeding. Bij overtreding
van die bedingen verbeurt de werknemer een boete. [naam 3] zegt zijn arbeidsovereenkomst op 25 juni 2023 per 1 augustus 2023 op en gaat na die opzegging bij [bedrijf 1] werken.
3.9.
De heer [naam 4] ( [naam 4] ) is als IT-specialist bij Nemesys werkzaam van 1 maart 2023 tot en met 30 juni 2023. In de arbeidsovereenkomst van [naam 4] staat een
geheimhoudingsbeding, een anti-ronselbeding en een relatiebeding. [naam 4] heeft eerder van juli 2019 tot en met september 2021 bij McData gewerkt als Junior ICT-Medewerker. [naam 4] zegt zijn arbeidsovereenkomst met Nemesys op 30 mei 2023 tegen 1 juli 2023 op. [naam 4] werkt sinds 1 juli 2023 bij [bedrijf 1] als Junior Systeembeheerder.
3.10.
Na eerder overleg over een voorstel tot voortzetting van de samenwerking voor één
of drie jaar deelt Pameijer Nemesys telefonisch op 15 juni 2023 mee dat zij de in 3.6 genoemde samenwerking met Nemesys wil beëindigen en dat zij de diensten voortaan door
[bedrijf 1] wil laten verrichten. Inmiddels werkt [bedrijf 1] ook niet meer voor Pameijer.
3.11.
Van juli 2023 tot en met september 2023 zeggen twaalf klanten van voormalig McData/DTA de samenwerking met Nemesys c.s. op. Bij die opzegging geven zij aan voortaan hun ICT-diensten af te nemen bij [bedrijf 1].
3.12.
Op 24 oktober 2023 verzoeken Nemesys c.s. de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam om bewijsbeslag te mogen leggen. Na aanpassing van het verzoek verleent de voorzieningenrechter op 1 november 2023 verlof voor het leggen van bewijsbeslag op de digitale en fysieke gegevens van de negentien (ex)relaties van eisers genoemd in randnummer 56 van het beslagrekest voor de periode van 1 april 2023 tot de dag van de beslaglegging, uitsluitend voor zover deze informatie betrekking heeft op de gestelde wanprestatie/onrechtmatige daad.
3.13.
De deurwaarder legt op 7 en 8 november 2023 beslag op de vestigingsadressen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] en op het woonadres van [gedaagde] . De beslagen worden gelegd op de op die locaties aangetroffen fysieke en digitale gegevensdragers.
3.14.
Op 4 december 2023 dagvaarden Nemesys c.s. [bedrijf 1] c.s. in kort geding voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Op diezelfde dag dagvaarden Nemesys c.s. [bedrijf 1] c.s. ook in deze bodemzaak.
3.14.1.
De vorderingen van Nemesys c.s. in het kort geding zijn identiek aan de vorderingen van Nemesys c.s. in deze bodemzaak (zie 4.1 hieronder). Dat geldt ook voor de onderbouwing van die vorderingen in de desbetreffende dagvaardingen.
3.14.2.
Bij eis in reconventie in het kort geding vorderen [bedrijf 1] c.s. opheffing van het op 7 november 2023 gelegde bewijsbeslag.
3.14.3.
Op 9 januari 2024 vindt de kortgedingzitting plaats.
3.14.4.
Bij vonnis van 23 januari 2024 [1] wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van Nemesys c.s. af wegens gebrek aan spoedeisend belang. Daarnaast worden de vorderingen van Nemesys c.s. in dit kortgedingvonnis ook nog (meer) inhoudelijk beoordeeld. Ook het gevorderde in reconventie wordt afgewezen.
3.14.5.
Nemesys c.s. gaan op 19 februari 2024 van het kortgedingvonnis in hoger beroep.
3.14.6.
Op 25 maart 2025 wijst het gerechtshof Den Haag arrest. [2] Het kortgedingvonnis wordt bekrachtigd.
3.15.
Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V. is als bewaarder aangesteld voor de in beslag genomen gegevens.
3.16.
Van de op 7 en 8 november 2023 gelegde beslagen is een proces-verbaal opgemaakt, dat is afgerond op 15 januari 2024. Het gaat hier om het proces-verbaal dat door de deurwaarder wordt aangeduid als “proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder mr. G. Bakker te Dordrecht, waarbij in navolging op de beslaglegging van 7 en 8 november 2023 een dataseparatie is uitgevoerd welke is afgerond op 15 januari 2024, tevens houdende relaas van gerechtelijke inbewaringgeving”. Dit proces-verbaal is vervolgens overbetekend aan [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [gedaagde] .

4.Het geschil

in conventie

4.1.
Nemesys c.s. vorderen dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. de Bewaarder machtigt om, voor zover dit ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis nog niet of niet volledig is gebeurd, een selectie te maken van de zich in gerechtelijke bewaring bevindende bescheiden/data, waarbij de Bewaarder uit de zich in gerechtelijke bewaring bevindende bescheiden/data dus steeds die bescheiden/data selecteert die vallen binnen de reikwijdte van de in randnummer 52 tot en met 55 van de dagvaarding omschreven en als de Beslagobjecten gedefinieerde bescheiden/data;
2. ieder van [bedrijf 1] c.s. veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de Bewaarder schriftelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk opdracht te geven om:
- ( primair) een afschrift/kopie dan wel uittreksel van de Beslagobjecten zo spoedig mogelijk
aan eisers te verstrekken, voor zover deze onder de door de Bewaarder gemaakte
selectie vallen, dan wel op een door de rechtbank te bepalen wijze een afschrift/kopie dan wel uittreksel van de Beslagobjecten (vallend onder de gemaakte selectie) aan Nemesys c.s. te verstrekken; dan wel
- ( subsidiair) zo spoedig mogelijk aan eisers (op een door de rechtbank te bepalen wijze) inzage in de onder de selectie vallende Beslagobjecten te verlenen,
zowel in het primaire als in het subsidiaire geval op een straffe van een hoofdelijke
dwangsom van € 10.000,-- voor het geval dat één of meer van [bedrijf 1] c.s. geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft/blijven met verstrekking van de hiervoor bedoelde opdracht aan de Bewaarder, te vermeerderen met een bedrag van € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
3. bepaalt dat, indien één of meer van [bedrijf 1] c.s. weigert/weigeren om tijdig de onder 2 hiervoor bedoelde opdracht aan de Bewaarder te geven, het in dezen te wijzen vonnis voor die opdracht in de plaats zal treden en de Bewaarder – voor zover vereist – machtigt aan die opdracht uitvoering te geven;
4. [bedrijf 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Nemesys c.s. leggen aan hun vorderingen onder meer ten grondslag dat [bedrijf 1] c.s. een aantal van hun werknemers hebben weggelokt en (vervolgens) – met onder meer de vertrouwelijke kennis en gegevens waarover die werknemers beschikken – een groot aantal klanten bij Nemesys c.s. hebben weggelokt. Dat kwalificeert als wanprestatie, dan wel onrechtmatig handelen, en als gevolg daarvan lijden Nemesys c.s. schade. Om de stellingen (verder) te kunnen onderbouwen, (nader) bewijs te verkrijgen en de proceskansen in een bodemprocedure te kunnen inschatten, willen Nemesys c.s. afschriften ontvangen van de bescheiden die getroffen zijn door het door hen gelegde bewijsbeslag.
4.3.
[bedrijf 1] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering van Nemesys c.s., met hoofdelijke veroordeling van Nemesys c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente door met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.
4.4.
Kort samengevat en zakelijk weergegeven komt dit door [bedrijf 1] c.s. gevoerde verweer hierop neer dat geen van de door Nemesys c.s. gestelde feiten en grondslagen enige basis heeft.
in reconventie
4.5.
[bedrijf 1] c.s. vorderen dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  • i) oordeelt dat het door Nemesys c.s. gelegde beslag onrechtmatig is;
  • ii) het door Nemesys c.s. ten laste van [bedrijf 1] c.s. gelegde beslag opheft;
  • iii) Nemesys c.s. veroordeelt tot betaling van € 16.500,-- ex btw (kosten
betrekking hebbend op het beslag);
  • iv) uitsluitend voor het geval de rechtbank enige vordering van Nemesys c.s. voor toewijzing vatbaar acht, met als gevolg dat het beslag niet wordt opgeheven, [bedrijf 1] c.s. in de gelegenheid stelt om de in beslag genomen stukken en informatie aan de voorzieningenrechter voor te leggen ter inhoudelijke beoordeling dat de stukken voldoen aan het gegeven verlof, onder voorwaarde van een termijn voor die beoordeling die de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht;
  • v) Nemesys c.s. hoofdelijk in de proceskosten en de nakosten veroordeelt, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.
4.6.
Hiertoe voeren [bedrijf 1] c.s. aan – kort samengevat – dat voor het bewijsbeslag geen enkele grondslag bestaat.
4.7.
Nemesys c.s. voeren verweer en concluderen dat de rechtbank de vorderingen van [bedrijf 1] c.s. afwijst. Verder concluderen Nemesys c.s. dat de rechtbank, voor zover zij voornemens is het beslag op te heffen, dat doet onder de voorwaarde dat de termijn voor het instellen van hoger beroep ongebruikt verstrijkt. Ten slotte concluderen Nemesys c.s. dat de rechtbank [bedrijf 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.8.
Op de stellingen van Nemesys c.s. wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie

vordering 1
5.1.
Deze vordering, een vordering tot het machtigen van de deurwaarder om een selectie te maken van de bescheiden/data die zich in gerechtelijke bewaring bevinden, wordt afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de selectie waar deze vordering op ziet nog niet is afgerond. Er heeft dus nog geen, zoals partijen het noemen, “slotselectie” plaatsgehad. Er is echter ook gebleken dat de deurwaarder die slotselectie vooralsnog niet wil maken omdat die selectie nog te kostbaar is én dat partijen zich in dit standpunt van de deurwaarder (uiteindelijk) kunnen vinden. Nemesys c.s. hebben dus geen belang (meer) bij deze vordering.
5.2.
Vordering 1 zal dus worden afgewezen.
vorderingen 2 en 3
5.3.
Na het daartoe op 1 november 2023 verkregen verlof is op 7 november 2023 bewijsbeslag gelegd. Net zoals in de kortgedingprocedure vorderen Nemesys c.s. in deze bodemprocedure op de voet van artikel 843a Rv (oud) inzage in de beslagen bescheiden/data. Vordering 2 en vordering 3 bouwen (dus) voort op dit bewijsbeslag en vormen daarmee een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv Pro.
5.4.
In deze zaak is artikel 843a Rv (oud) van toepassing, omdat de nieuwe regeling betreffende de voorlopige bewijsverrichtingen alleen geldt voor procedures die na 1 januari 2025 bij een instantie aanhangig worden gemaakt. Als een procedure vóór deze datum is begonnen, gelden de regels van vóór 1 januari 2025 totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. [3]
5.5.
Als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a Rv (oud) heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter verder voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.
5.6.
De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv (oud) bij een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad als een 'voldoende' mate van
aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel al overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is
enerzijds uitgangspunt dat niet hoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of
onrechtmatig handelen gebaseerde (gebods- of verbods)vordering of vordering tot
schadevergoeding: anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde
tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal [4] .
5.7.
Net als de voorzieningenrechter en het gerechtshof in het door partijen gevoerde kortgeding is de rechtbank van oordeel dat Nemesys c.s. geen rechtmatig belang hebben in de zin van artikel 843a Rv (oud) bij de door hen gevorderde bescheiden. Nemesys c.s. hebben, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [bedrijf 1] c.s. van de aan hen verweten gedragingen, onvoldoende concreet aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 1] c.s. iets te verwijten is van (het profiteren van) door Nemesys c,s, gestelde en voldoende aannemelijk gemaakte wanprestaties van oud-werknemers van Nemesys c.s. ( [naam 2] , [naam 4] en [naam 3] ). In deze bodemzaak hebben Nemesys c.s. ook geen andere feiten aan de inzagevordering ten grondslag gelegd dan zij in het kortgeding hebben gedaan. De rechtbank neemt de onderbouwing van het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 6.2-6.15 en 6.17 van het kortgedingvonnis over. Datzelfde geldt voor het oordeel van het gerechtshof in r.o. 6.1-6.10 van het arrest in het kortgeding.
5.8.
Het weglokken van klanten en/of opdrachten is in de commerciële, concurrerende markt waarin partijen opereren op zichzelf niet onrechtmatig. Nemesys c.s. hebben onvoldoende gemotiveerd gesteld dat haar voormalige werknemers stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van Nemesys c.s. hebben afgebroken, waarbij gebruik is gemaakt van vertrouwelijke kennis of gegevens die van Nemesys c.s. zijn verkregen. [bedrijf 1] c.s. hebben per naar [bedrijf 1] overgestapte klant gemotiveerd en onderbouwd met verklaringen uiteengezet dat klanten uit eigen beweging naar [bedrijf 1] zijn overgestapt. Het ontbreken van voldoende concrete stellingen daartegenover aan de zijde van Nemesys c.s. maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een ongeoorloofde
fishing expedition.
5.9.
Eén van de grotere klanten waar het Nemesys c.s. om gaat, is Pameijer. Pameijer is vanaf 1 september 2023 haar diensten voornamelijk gaan afnemen van [bedrijf 1] en dus niet meer vooral van Nemesys. Pameijer heeft echter ook [bedrijf 1] verlaten, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. Dit is een reden temeer waarom Nemesys c.s. geen rechtmatig belang meer hebben bij hun vorderingen.
5.10.
Ook vorderingen 2 en 3 zullen dus worden afgewezen.
Proceskosten
5.11.
Nemesys c.s. krijgen geen gelijk en dat betekent dat zij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [bedrijf 1] c.s. worden tot aan deze uitspraak begroot op:
griffierecht € 688,00
salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten in liquidatietarief II)
nakosten € 178,00 (+ de verhoging zoals vermeld in het dictum)
Totaal € 2.172,00.
5.12.
Tegen de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen als hierna in de beslissing vermeld.
in reconventie
vorderingen (i)-(iv)
5.13.
[bedrijf 1] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat het gelegde beslag onrechtmatig is. Verder vorderen zij opheffing van het beslag en de door hen in verband met het beslag gemaakte kosten.
5.14.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Uit de woorden ‘onder meer’ in artikel 705 lid 2 Rv Pro volgt dat de opheffingsgronden niet limitatief zijn opgesomd. Ook andere argumenten kunnen dus een rol spelen.
5.15.
Bij het oordeel of een beslag moet worden opgeheven, spelen de wederzijdse belangen van partijen een rol. Bij de te maken belangenafweging zal de rechter het belang bij handhaving van het beslag moeten afwegen tegen het belang van de beslagene bij opheffing daarvan, gelet op aan de ene kant de aannemelijkheid van de vordering en aan de andere kant dreigende verhaals- of bewijsrisico’s bij opheffing van het beslag. De deugdelijkheid van de vordering is dus een belangrijk maar niet doorslaggevend gezichtspunt voor de belangenafweging. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een opheffing niet kan worden toegewezen op de grond dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd is afgewezen zolang de desbetreffende uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Ook in zo’n geval moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat bij toewijzing van een vordering verhaal mogelijk is. [5]
5.16.
Met inachtneming van dit toetsingskader oordeelt de rechtbank als volgt. De afwijzing van de inzagevordering van Nemesys c.s. in conventie legt in het kader van de wederzijdse belangenafweging het nodige gewicht in de schaal. Daartegenover staat het onmiskenbare belang van Nemesys c.s. bij handhaving van het beslag zolang de afwijzing van hun vordering nog niet definitief is. Dit belang is in de omstandigheden van dit geval doorslaggevend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in een eventueel hoger beroep de vorderingen van Nemesys c.s. naar nieuw bewijsrecht beoordeeld moeten worden. Op die mogelijke beoordeling kan de rechtbank in deze eerste aanleg niet vooruitlopen. Het is voor de rechtbank in het kader van de belangenafweging wél een extra reden om het beslag niet op te heffen. Daar komt nog bij dat niet is gesteld en ook niet anderszins is gebleken dat [bedrijf 1] c.s. enig nadeel of last hebben van het beslag.
5.17.
De rechtbank zal het beslag dus niet opheffen. Zolang het oordeel over de inzagevordering van Nemesys c.s. nog niet definitief is, is er geen grond voor de gevorderde verklaring voor recht dat het beslag onrechtmatig is en voor de gevorderde kosten in verband met het beslag. Alle vorderingen zullen dus worden afgewezen.
proceskosten
5.18.
[bedrijf 1] c.s. krijgen geen gelijk en worden daarom in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Nemesys c.s. worden tot aan deze uitspraak begroot op:
salaris advocaat € 653,00 (1 punt in liquidatietarief II)
nakosten € 178,00 (+ de verhoging zoals vermeld in het dictum)
Totaal € 831,00.
5.19.
Tegen de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen als hierna in de beslissing is vermeld.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt Nemesys c.s. in de proceskosten van € 2.172,00, te vermeerderen met
€ 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Nemesys c.s. tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot het tijdstip van volledige betaling;
6.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af;
6.6.
veroordeelt [bedrijf 1] c.s. in de proceskosten van € 831,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
6.7.
veroordeelt [bedrijf 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot het tijdstip van volledige betaling;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
901/1918

Voetnoten

3.Artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.
4.HR 10 juli 2020, ECLl:NL:HR:2020:1251 (Semtex).
5.Zie voor de toetsingscriteria voor opheffing van een bewijsbeslag ook de Conclusie van de PG bij de Hoge Raad van 4 juli 2025, ECLINLPHR:2025:753