Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 2 mei 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen.
2.De beoordeling
De huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen.’ Voor een aanspraak op huurprijsvermindering moet dus wel komen vast te staan dat sprake was van gebreken aan de woning. Bovendien moet rekening worden gehouden met de vervaltermijn die is geregeld in artikel 7:257 lid 1 en Pro 3 BW. Die houdt in dat de periode waarover een vermindering van de huurprijs kan worden verkregen niet eerder kan ingaan dan zes maanden voorafgaand aan het instellen van de vordering bij de rechter. In dit geval is dat vanaf 2 november 2024. Dit betekent dat voor zover de vordering gaat over de periode tot die datum deze vanwege toepassing van de vervaltermijn moet worden afgewezen. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom het toepassen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het klopt dat zij vanaf 2022 heeft geklaagd, maar Havensteder heeft onbetwist toegelicht dat er door haar regelmatig herstelwerkzaamheden zijn verricht.