ECLI:NL:RBROT:2026:1986

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/10/706667 / JE RK 25-1900
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. De minderjarige verblijft in een jeugdhulpaccommodatie en krijgt behandeling gericht op herstel en opvoeding. De ouders en de gecertificeerde instelling ondersteunen het verzoek, waarbij de ouders aangeven open te staan voor hulpverlening, maar zorgen hebben over de acceptatie van de behandeling door de minderjarige.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, is de minderjarige gehoord en is vastgesteld dat er voorzichtig positieve ontwikkelingen zijn in de relatie tussen de minderjarige en de ouders. Toch blijft de relatie verstoord en is verdere behandeling noodzakelijk. De kinderrechter acht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De machtiging wordt verlengd voor een periode van vier maanden tot 26 juni 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De ouders en andere belanghebbenden kunnen binnen drie maanden na uitspraak of betekening hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 26 juni 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/706667 / JE RK 25-1900
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] & [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Apistola, kantoorhoudende te Zwijndrecht,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het rapport van de Raad met bijlagen van 10 februari 2026, bij de rechtbank binnengekomen op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter constateert dat de advocaat van de ouders niet is verschenen en heeft mr. Apistola gebeld. Hij heeft de zitting telefonisch bijgewoond.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige 2] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf van de kinderrechter kunnen horen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 2] verblijft op een groep van Jeugd X, locatie Stut in Hoenderloo.
2.3.
Bij beschikking van 25 september 2025 is [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 26 september 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 26 februari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van negen maanden.
De Raad heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er dient nog te worden beslist op een periode van vier maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. Er lijkt sprake te zijn van een prille vooruitgang. Het contact tussen [voornaam minderjarige 2] en de ouders is iets verbeterd. Dit neemt niet weg dat het belangrijk is dat [voornaam minderjarige 2] de behandeling blijft krijgen die zij nodig heeft. Het is positief dat er een behandelplek beschikbaar is bij de Hoop en dat [voornaam minderjarige 2] op 27 februari 2026 daar een nader intakegesprek heeft. Na behandeling bij De Hoop is de Viersprong beschikbaar voor de ouders en [voornaam minderjarige 2] om de behandeling verder op te pakken en kan worden gestart met de Multisysteem Therapie (hierna: MST). Het is belangrijk dat deze hulpverlening in de thuissituatie van de ouders wordt ingezet. Hierbij is het ook van belang dat [voornaam minderjarige 2] , net als haar ouders, gemotiveerd blijft om mee te werken met alle instanties en behandelingen. Op dit moment lijkt dat zo te zijn. De hoop is dat dit de komende periode van de ondertoezichtstelling ook zo blijft.
4.2.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Het gaat op dit moment goed met [voornaam minderjarige 2] , maar dit is in de afgelopen periode wisselend geweest. Het is belangrijk dat zij de behandeling krijgt die zij nodig heeft en dat de ouders zich eveneens inzetten voor [voornaam minderjarige 2] .
4.3.
Door en namens de ouders wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de Raad en wordt het volgende naar voren gebracht. Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige 2] wordt behandeld bij de Hoop. Ondanks dat het de afgelopen periode iets beter gaat tussen de ouders en [voornaam minderjarige 2] , blijven de ouders zich zorgen maken. Het is onzeker of [voornaam minderjarige 2] de behandeling bij de Hoop gaat aanvaarden, ook al geeft zij zelf nu wel aan hiervoor open te staan. [voornaam minderjarige 2] zoekt namelijk nog steeds de grenzen op bij de ouders en gaat hier soms ook nog overheen. Om die reden is er een plan van aanpak nodig voor het geval dat de behandeling stagneert. De machtiging tot uithuisplaatsing is dan ook nodig als borging, zodat het duidelijk is voor [voornaam minderjarige 2] dat de behandeling niet vrijblijvend is. In de komende maanden moet de hulpverlening voor [voornaam minderjarige 2] van de grond komen. Daarnaast is er ook ambulante hulpverlening nodig bij de ouders thuis, zodat uiteindelijk kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige 2] . Op dit moment is dat nog niet mogelijk, ook al zouden de ouders dat graag willen. De kans is groot dat, wanneer [voornaam minderjarige 2] nu thuisgeplaatst zou worden, alles wat er tot nu toe is opgebouwd tussen de ouders en [voornaam minderjarige 2] weer verloren gaat en zij zelfbepalend gedrag blijft vertonen. Dit weekend is [voornaam minderjarige 2] bijvoorbeeld weggelopen van de groep om carnaval te vieren in Breda. Zij liegt hierover tegen de ouders en de begeleiders van de woongroep door te zeggen dat zij moet werken, terwijl dit niet zo is. Er is ook sprake van een stukje kwetsbaarheid. [voornaam minderjarige 2] zadelt haar zusje van dertien op met problemen waar een kind van dertien nog niet mee bezig hoort te zijn. Zo vertelt zij uitgebreid over haar seksuele ervaringen. De ouders staan open voor hulpverlening en willen graag dat de hulpverlening ook wordt gericht op het gehele gezin, zodat kan worden onderzocht op welke manier een thuisplaatsing mogelijk is en deze goed zal verlopen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er de afgelopen periode voorzichtig positieve stappen vooruit zijn gezet door zowel [voornaam minderjarige 2] als de ouders. De kinderrechter acht het positief dat [voornaam minderjarige 2] aangeeft dat zij een goede band heeft met de jeugdbeschermer en dat de jeugdbeschermer geen partij kiest voor [voornaam minderjarige 2] of voor de ouders, maar neutraal is. Voorgaande neemt niet weg dat er nog steeds sprake is van een verstoorde relatie tussen [voornaam minderjarige 2] en de ouders en dat er sprake is van kind-eigen problematiek bij [voornaam minderjarige 2] . De komende periode dient er dus verder te worden gewerkt aan het wederzijdse vertrouwen en het contactherstel tussen de ouders en [voornaam minderjarige 2] . Het is positief dat de ouders betrokken zijn en zeggen open te staan voor hulpverlening. Daarnaast is het positief dat er een behandelplek beschikbaar is voor [voornaam minderjarige 2] bij de Hoop en dat zij aangeeft dat zij hiervoor openstaat. Als deze behandeling succesvol is afgerond, is de Viersprong beschikbaar en zal MST kunnen worden ingezet, zodat uiteindelijk kan worden toegewerkt naar een thuisplaating. De GI dient de komende periode dan ook te onderzoeken hoe een eventuele thuisplaatsing het beste kan worden vormgegeven en welke hulpverlening hiervoor nodig is zodra het hiervoor beschreven traject is doorlopen.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen zoals (resterend) verzocht voor de duur van vier maanden, te weten tot 26 juni 2026.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.