ECLI:NL:RBROT:2026:2039

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/695601 / HA ZA 25-222
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:68 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging schenkingen wegens ontbreken toestemming moeder

In deze civiele zaak vordert de moeder, vertegenwoordigd door haar erfgenaam en executeur, vernietiging van schenkingen die vader tussen 2010 en 2024 aan twee van zijn drie kinderen heeft gedaan wegens het ontbreken van haar toestemming op grond van artikel 1:88 BW Pro. De vorderingen omvatten ook terugbetaling van de bedragen aan de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De rechtbank stelt vast dat de schenkingen onbetwist zijn, maar dat het ging om gebruikelijke, niet bovenmatige giften. De kinderen betwisten dat toestemming nodig was en voeren aan dat de giften structureel en passend waren bij het vermogen van de ouders, dat circa drie miljoen euro bedroeg. De rechtbank weegt mee dat de giften gemiddeld circa 0,2% per jaar van het vermogen bedroegen, wat binnen de fiscale jaarlijkse schenkingsvrijstelling valt.

De rechtbank verwerpt het betoog van de moeder dat de giften bovenmatig zijn vanwege de soberheid van de ouders en het feit dat zij zelf geen giften ontving. Ook de stelling dat een van de kinderen zich onrechtmatig heeft toegeëigend van opgenomen gelden wordt verworpen, omdat vader toestemming heeft gegeven voor de opnames en betalingen.

De rechtbank wijst de vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, mr. M. Aukema en mr. I.M.H. van der Zon op 18 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot vernietiging van de schenkingen af omdat deze gebruikelijk en niet bovenmatig waren.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/695601 / HA ZA 25-222
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres], in haar hoedanigheid van enig erfgenaam althans executeur in de nalatenschap van
[moeder](oorspronkelijk eiseres),
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde sub 1,
advocaat: mr. L.E. Vries, en

2.2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde sub 2,
advocaat: mr. S. Kranendonk.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd, omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 24 februari 2025, met producties;
- de akte schorsing en gelijktijdige hervatting van het rechtsgeding van [eiseres] ;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties;
- de brief van [eiseres] van 19 november 2025, met producties 18 tot en met 28;
- de akte houdende producties en bewijsaanbod c.q. -verzoek (195 Rv) van [gedaagde 1] , met producties 12 tot en met 16;
- het mailbericht van [gedaagde 2] van 25 november 2025, met productie;
- de brief van [eiseres] van 26 november 2025, met producties 29 en 30;
- de akte overlegging producties van [eiseres] van 31 december 2025, met producties 31 tot en met 45;
- de akte houdende reactie op producties A, B en producties 31 tot en met 45 van [eiseres] , met productie, van [gedaagde 1] ;
- de akte reactie op producties eiseres van [gedaagde 2] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Als toehoorder was aanwezig [naam toehoorder] , de echtgenote van [gedaagde 2] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank besloten dat [eiseres] bankafschriften in het geding diende te brengen en de zaak daartoe vervolgens aangehouden. Nadat [eiseres] dit had gedaan, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierop nog gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
[eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn zus en broers (hierna ook: dochter en zoons). Hun moeder, mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder), is op [datum] overleden. Moeder had op 17 juli 2024 een echtscheidingsverzoek ingediend ten aanzien van de vader van partijen (de heer [gedaagde 1] sr.), met wie moeder in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd. [eiseres] is op grond van het testament de enige erfgenaam van moeder en tevens executeur van haar nalatenschap. In deze procedure is [eiseres] haar moeder na haar overlijden opgevolgd.
2.2.
[eiseres] vordert – samengevat – primair verklaringen voor recht dat haar moeder schenkingen die in de periode van 2010 tot en met 2024 door vader aan de zoons zijn gedaan wegens het ontbreken van haar op grond van artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming heeft vernietigd op grond van artikel 1:89 BW Pro – althans dat die schenkingen thans alsnog worden vernietigd – en terugbetaling (op grond van onverschuldigde betaling) van de bedragen aan de ontbonden huwelijksgemeenschap, met rente en hoofdelijke veroordeling van haar broers in de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.
Ten aanzien van [gedaagde 1] gaat het om € 90.038,- aan ten titel van schenking aan hem door vader van de gemeenschappelijke ABN-AMRO-rekening van vader en moeder overgeboekte bedragen en een bedrag van € 48.902,03 aan betalingen en opnames van die rekening, waarvan [eiseres] stelt dat de gekochte goederen en opgenomen gelden ten gunste van [gedaagde 1] zijn gekomen. Het totaalbedrag aan giften aan [gedaagde 1] bedraagt volgens [eiseres] daarom € 138.940,03.
Ten aanzien van [gedaagde 2] gaat het om € 77.413,- aan ten titel van schenking aan hem door vader van de gemeenschappelijke ABN-AMRO-rekening van vader en moeder overgeboekte bedragen.
Subsidiair vordert [eiseres] ten aanzien van [gedaagde 1] een verklaring voor recht dat in elk geval de € 90.038,- aan schenkingen rechtsgeldig is vernietigd – althans thans wordt vernietigd – en dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld, althans een verklaring voor recht dat rechtshandelingen ter hoogte van € 48.902,03 nietig zijn, en veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 48.902,03 aan de ontbonden huwelijksgemeenschap, met rente.
2.3.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen ter zitting eenstemmig hebben verzocht dat vonnis wordt gewezen zonder nadere bewijslevering.
2.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist en daartoe allereerst aangevoerd dat toestemming van moeder op grond van artikel 1:88, eerste lid, aanhef en onder b, BW niet nodig was, aangezien het ging om gebruikelijke, niet bovenmatige giften.
2.5.
Deze betwisting slaagt. De rechtbank stelt ten behoeve van de beoordeling allereerst vast dat de zoons van de ten titel van schenking overgemaakte bedragen (respectievelijk € 90.038,- en € 77.413,-) niet betwisten dat het giften zijn. [gedaagde 1] heeft wel aangevoerd dat in dat bedrag een jaarlijkse vergoeding van € 1.750,- voor door hem verrichte administratieve werkzaamheden is begrepen, maar niets wijst daarop – in het bijzonder staat daarover niets vermeld in de overgelegde schriftelijke verklaringen van vader – en ter zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat die vergoeding vanuit een holdingvennootschap van zijn ouders werd betaald. Er bestaat daarom geen reden om de giften met dat bedrag te verminderen.
2.6.
[gedaagde 1] heeft voorts aangevoerd – en zijn vader heeft in een schriftelijke en ondertekende verklaring van 20 juli 2024, aangevuld op 2 april 2025 bevestigd – dat alle contante geldopnames van de ABN-AMRO-rekening op vaders verzoek en met zijn goedkeuring hebben plaatsgevonden en dat al het opgenomen geld aan vader is afgedragen, en dat dit ook geldt voor de in opdracht of met instemming van vader gedane pinbetalingen bij tankstations – in verband met reiskosten van [gedaagde 1] – en in winkels. [eiseres] heeft over deze gang van zaken haar twijfels uitgesproken, maar onvoldoende onderbouwd dat de gelden of betalingen ten bedrage van € 48.902,03 ten goede van [gedaagde 1] zijn gekomen of meer bedragen dan een vergoeding van brandstofkosten.
2.7.
Het voorgaande betekent dat het er in dit geschil voor gehouden moet worden dat de giften aan [gedaagde 1] over de genoemde veertien jaar € 90.038,- hebben bedragen en de giften aan [gedaagde 2] € 77.413,-.
2.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben er voorts op gewezen dat de giften structureel waren – immers veertien jaar voortduurden – en niet bezwarend waren voor het gezin, omdat het gezamenlijke vermogen van vader en moeder blijkens een overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2023 op ongeveer drie miljoen euro kan worden geschat: anderhalf miljoen euro op bankrekeningen, een woning met een WOZ-waarde van ruim een half miljoen euro en de holdingvennootschap, met daarin vooral kasgeld, met een waarde van een miljoen. Deze schatting is door [eiseres] ter zitting niet betwist.
2.9.
Het voorgaande betekent dat de giften per zoon per jaar gemiddeld ((90.038,- + 77.413,-) : (2 x 14) = ) € 5.980,- bedroegen, ofwel (5.980,- : 3.000.000,- x 100% = ) 0,2% per jaar van het beschikbare vermogen. Totaal voor beide zoons over 14 jaar gaat het om 5,6% van het beschikbare vermogen.
2.10.
Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze giften, gelet op alle omstandigheden van het geval, als gebruikelijke, niet bovenmatige giften worden aangemerkt, die passen in een patroon van substantiële bedragen die de ouders door de jaren heen aan de kinderen ten goede hebben doen komen. Zij overweegt daartoe het volgende.
Door [eiseres] is aangevoerd dat vader en moeder sober leefden en dat de giften om die reden als bovenmatig moeten worden aangemerkt. De rechtbank volgt haar hierin niet. In de eerste plaats is hierbij van belang dat waar het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW Pro het oog heeft op de bescherming van de gezinsfinanciën, een strikt subjectieve opvatting van bovenmatigheid, wat daar in het onderhavige geval verder van zij, niet zonder meer doorslaggevend kan zijn. Ware dit anders, dan zou een echtgenoot die nooit enig cadeautje geeft en nooit enige niet strikt noodzakelijke uitgave doet, zelfs bij aanwezig substantieel vermogen een cadeaubon van € 25,- als bovenmatig kunnen aanmerken.
Voorts vindt de door [eiseres] gestelde soberheid, althans wat betreft giften aan de kinderen, geen steun in de gedingstukken. [eiseres] heeft [gedaagde 1] stellingen dat haar trouwjurk voor haar is betaald en dat zij meerdere malen per jaar werd getrakteerd op midweekjes weg in luxe hotels met moeder niet betwist. Verder staat vast dat elk van de kinderen een auto heeft gekregen.
[gedaagde 1] heeft ook levensverzekeringspolissen en brieven van een verzekeraar overgelegd, waaruit blijkt dat aan elk van de broers € 33.615,58 (fl. 74.079,-; incl. winstaandeel, het verzekerde bedrag was blijkens de polis fl. 60.798,-) is uitgekeerd, waarvoor blijkens de polis gedurende 13 jaar vanaf 1988 een jaarlijkse premie van € 1.973,94 (fl. 4.350,-) is betaald). Blijkens de door [gedaagde 1] overgelegde polis ten gunste van [eiseres] was het voor haar verzekerde bedrag € 69.182,42 (fl. 152.458,-), waarvoor gedurende 21 jaar, eveneens vanaf 1988, een jaarlijkse premie is betaald van meestal € 2.881,50 (fl. 6.350,-; de laatste paar jaar was het iets minder dan fl. 6.000,-). [eiseres] heeft niet betwist dat elk van de kinderen een levensverzekeringspolis heeft gekregen en niet is gesteld of gebleken dat dit is gebeurd tegen de wens en zonder toestemming van moeder.
Ook het betoog van [eiseres] dat de schenkingen bovenmatig zijn omdat zij door vader niet ook aan haar zijn gedaan, faalt. Nog daargelaten dat tussen partijen heftig in debat is welke giften door de ene ouder, giften van de andere ouder zouden beogen te compenseren: blijkens de wetsgeschiedenis heeft art. 1:88 BW Pro een gezinsbeschermend karakter. De strekking van het artikel is niet om de gelijke behandeling van kinderen te bevorderen. Wanneer het niet om giften aan kinderen, maar aan een goed doel zou gaan, valt ook niet in te zien waarom een gift aan het ene goede doel reeds bovenmatig zou zijn, omdat andere goede doelen achter het net vissen.
In meer objectieve zin kan aan het voorgaande ten slotte worden toegevoegd dat naar het oordeel van de rechtbank in vermogende huishoudens, zoals dat van vader en moeder, giften aan kinderen in de orde van grootte van de fiscale jaarlijkse schenkingsvrijstelling voor kinderen (in 2010 € 5.000,-, stijgend tot € 6.633,- in 2024) in het algemeen niet ongebruikelijk en niet bovenmatig moeten worden geacht.
2.11.
Het voorgaande betekent dat de vordering strekkend tot verklaringen voor recht dat de giften rechtsgeldig vernietigd zijn, moet worden afgewezen en dat voor vernietiging van de giften geen grond is.
2.12.
De subsidiaire vordering jegens [gedaagde 1] op de grond dat hij zich de opgenomen gelden en pinbetaling onrechtmatig heeft toegeëigend of in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:68 BW Pro besloten liggende zogeheten verbod van Selbsteintritt slaagt evenmin. In aansluiting op het onder 2.6 over deze opgenomen gelden en pinbetalingen overwogene is daartoe redengevend dat vader ter betwisting van de stelling van [eiseres] dat [gedaagde 1] zich deze gelden onrechtmatig heeft toegeëigend, expliciet heeft verklaard dat de opnames en betalingen met zijn toestemming hebben plaatsgevonden. [eiseres] heeft hiertegenover haar stellingname onvoldoende onderbouwd door te verwijzen op tegenstrijdige zinnen in de verklaringen van vader. Als de verklaringen in zijn geheel worden bezien volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de opnames en betalingen met vaders toestemming hebben plaatsgevonden.
2.13.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] jegens haar broers moeten worden afgewezen. Nu het geschil zich afspeelt binnen familieverhoudingen, zullen de kosten worden gecompenseerd, in de zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg, mr. M. Aukema en mr. I.M.H. van der Zon en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
3120