ECLI:NL:RBROT:2026:2060

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/9673
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 3 TransportverordeningArt. 6 Transportverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor vervoer van ziek rund dat niet transportwaardig was

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een boete van €4.500,- opgelegd door de minister van Landbouw wegens het vervoeren van een rund dat niet geschikt was voor transport. De boete was gebaseerd op een rapport van toezichthouders van de NVWA die constateerden dat het dier kreupel was, koorts had en een oude wonde vertoonde, waardoor het dier zich niet pijnloos kon voortbewegen.

Eiseres betwistte de vaststelling dat het dier voorafgaand aan het transport niet transportwaardig was en voerde aan dat het rapport onvoldoende onderbouwing gaf over de duur van de aandoeningen. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij de overheid lag en dat de toezichtrapporten voldoende en betrouwbaar waren. De aanvullende toelichting van de toezichthoudend dierenarts maakte duidelijk dat de aandoeningen al vóór het transport bestonden.

De rechtbank concludeerde dat het dier niet geschikt was voor vervoer en dat de boete terecht was opgelegd. Er waren geen gronden om de hoogte van de boete te matigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €4.500,- voor het vervoer van een ziek rund dat niet geschikt was voor transport.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9673

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. F. Peters van Neijenhof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 4.500,- die verweerder met het besluit van 12 april 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op
19 januari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder beschrijft in het rapport dat hij op 16 oktober 2023 een rapport van bevindingen ontving van de toezichthouder die op 9 oktober 2023 belast was met het ante mortem-toezicht bij het slachthuis VION Tilburg. Deze toezichthouder zag omstreeks 12.45 uur dat bij het slachthuis een rund met levensnummer [levensnummer] werd aangevoerd door een medewerker van eiseres. Bij het rapport van bevindingen is een rapport van bevindingen gevoegd van de toezichthouder die op het slachthuis aanwezig was. Deze toezichthouder schrijft in zijn rapport van 12 oktober 2023 over het rund met oormerk [levensnummer] onder meer het volgende:

Ik zag dat dit rund zich moeizaam voortbewoog, het dier was kreupel, zie video 1. Ik zag dat dit dier mager was. Ik zag dat het rund een oude wonde, een zogenaamde ligplek, op de rechterbil had, zie foto 3. Dit duidt erop dat het dier de laatste voorafgaande weken vaker op deze plek heeft gelegen dan normaal. Het vaker gaan liggen van een rund wordt veroorzaakt door ziekte of door ongemak en pijn bij staan of voortbewegen. Ik heb de temperatuur van het rund opgenomen, ik zag dat de thermometer een lichaamstemperatuur van 40,2 °C aangaf. Het dier had koorts, dit wijst erop dat het dier ziek was.
[…]
Ik zag dat dit rund zich moeizaam voortbewoog, het dier was kreupel, zie video 1. Ik zag dat het dier bij voortbewegen de linker achterpoot bij het lopen uitglijdende bewegingen maakte zie video 1. Dit duidt erop dat het belasten van de poot pijnlijk was en ze dit probeerde te vermijden. Ik zag dat de linker achter onderpoot zeer dik was, zie foto 1 en 2. Ik zag dat de kroonrand rood en dik was en dat er een wonde aan de kroonrand was waaruit bloed sijpelde, zie foto 1. Dit wijst op een ontsteking in het klauwgewricht. Ik zag dat dit dier mager was. Ik zag dat het rund een oude wonde, een zogenaamde ligplek, op de rechterbil had, zie foto 3. Dit duidt erop dat het dier de laatste voorafgaande weken vaker op deze plek heeft gelegen dan normaal. Het vaker gaan liggen van een rund wordt veroorzaakt doorziekte of door ongemak en pijn bij staan of voortbewegen. De overtreder had dit letsel, de dikke onderpoot met wonde, moeten zien bij laden van het dier bij veehouder/ veehandelaar.
[…]
Deze overtreding is mondeling aangezegd op 12 oktober 2023 omstreeks 13.00u. aan [naam], chauffeur van [eiseres] belast met transport van dit rund.
Ik heb een verklaring afgenomen en vroeg [de chauffeur] hoe het dier liep bij aanvang transport. Hierop antwoordde hij dat het dier weliswaar wat moeizaam liep maar het niet zo ernstig leek en ook niet pijnlijk omdat het dier op de poot steunde
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De vervoerder vervoerde een dier dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier ziek was en niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 6, derde lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder a, van de Transportverordening [1] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 4.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat op basis van de rapporten van bevindingen niet kan worden vastgesteld dat het dier al voorafgaand aan het transport naar het slachthuis niet transportwaardig was. Het rapport vermeldt niets concreets over de duur van de aandoeningen. Weliswaar zijn er ligplekken geconstateerd maar iedere beschouwing over de toestand voorafgaand aan het transport ontbreekt. Kennelijk had verweerder in de gaten dat het rapport van bevindingen tekortschoot want verweerder heeft de toezichthoudend dierenarts om een aanvullende verklaring gevraagd die bij het bestreden besluit is gevoegd. In deze verklaring wordt echter nog steeds niets gezegd over de temperatuurverhoging in relatie tot de duur van de aandoening. Een verhoging is niet abnormaal, zeker niet tijdens transporten. Dat het dier een slechte conditie zou hebben zegt ook nog niets over de transportwaardigheid. Op de video bij het rapport is te zien dat het dier de poot probeert te ontlasten, maar de chauffeur heeft verklaard dat dit bij aanvang van het transport niet aan de orde was. Voorts kan een verdikking met vers bloed ook een andere oorzaak hebben dan een ontsteking. Ten onrechte is de verdikking niet nader onderzocht om vast te stellen of sprake was van een ontsteking en hoe lang die ontsteking al bestond. Vers bloed wijst juist op een acute aandoening. Verweerder stelt dat uit de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts blijkt dat de ontsteking er al voor het transport moet zijn geweest, maar dat is in de rapporten nimmer verklaard. Dat eiseres geen veterinair tegenbewijs heeft geleverd, kan haar niet worden verweten, nu zij pas drie dagen later van de bevindingen op de hoogte is gesteld en toen geen mogelijkheid meer had om enig onderzoek te verrichten. Verweerder verwijst naar de verklaring van de veehouder, maar dat is voor rekening van de veehouder; de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts moet op zichzelf voldoende zijn voor vaststelling van de overtreding en dat is hier niet het geval, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende mogelijkheden had om de bevindingen in het rapport te betwisten. Weliswaar kon zij het rund niet meer (laten) onderzoeken, maar de rapporten en de daarbij gevoegde stukken, foto’s en video bevatten voldoende feitenmateriaal om door een eigen deskundige te laten beoordelen en daarover een verklaring in te brengen. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals uit het voorgaande volgt, van eiseres niet wordt verlangd dat zij bewijs levert dat het rund wél transportwaardig was, maar dat zij met een onderbouwde betwisting zodanige twijfel zaait dat niet meer van de conclusie van de toezichthouder kan worden uitgegaan.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen van 12 oktober 2023 voldoende duidelijk beschreven wat de toezichthoudend dierenarts bij de koe heeft waargenomen, namelijk dat het dier mager was, een ligplek had en koorts had en dat het dier bij het lopen uitglijdende bewegingen maakte met de linker achterpoot, waarvan de onderpoot zeer dik was en de kroonrand rood en dik was met een wond waaruit bloed sijpelde. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze waarnemingen van de toezichthouder te twijfelen. Op de bij het rapport gevoegde video is ook te zien dat de koe kreupel loopt en met de linker achterpoot wegglijdt en op de foto’s is een verdikking met open wond aan een poot zichtbaar, evenals een verwonding op de rechterbil.
4.4.
Voor het kunnen vaststellen van de overtreding moet evenwel ook voldoende vaststaan dat de koe al voorafgaande aan het transport niet geschikt was voor vervoer. De toezichthouder dient daartoe te motiveren dat de koe al vóór het transport naar het slachthuis ziek was en zich niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. De rechtbank stelt vast dat dit transport heeft plaatsgevonden op de dag waarop de toezichthouder het rund heeft gezien. Het transport kan derhalve niet meer dan twaalf uur en 45 minuten eerder zijn aangevangen. In het rapport van bevindingen van 12 oktober 2023 heeft de toezichthouder ten aanzien van het ontstaansmoment van de aandoeningen bij het rund opgemerkt dat de aanwezige ligplek op de rechterbil erop duidt dat het dier de voorafgaande weken vaker op deze plek heeft gelegen dan normaal, wat wordt veroorzaakt door ziekte of ongemak en pijn bij staan of voortbewegen. In de bezwaarfase heeft de toezichthoudend dierenarts een nadere toelichting gegeven op zijn bevindingen. Deze toelichting is ook aan eiseres verstrekt en haar is gelegenheid geboden om daarop te reageren. Nu deze toelichting in het stadium van de bestuurlijke besluitvormingsfase is ingebracht [3] , zal de rechtbank deze bij haar beoordeling van het door verweerder aangedragen bewijs van de overtreding betrekken. In deze toelichting geeft de toezichthouder onder meer aan dat de gemeten temperatuur van 40, 2 °C erop wijst dat het dier koorts had en dat waarschijnlijk een ziekte of een ontsteking, waarvan de toezichthouder meerdere tekenen heeft waargenomen, daarvan de oorzaak is. Ook licht de toezichthouder toe dat de poot zodanig dik was dat dit niet tijdens het transport kan zijn ontstaan en dat die dikte, het niet willen belasten en het bloed uit de wond aan die poot duidt op een ontsteking. In reactie op het betoog van eiseres over de verse wond, geeft de toezichthouder aan dat aan de poot geen verse acute beschadiging of wond te zien was, en dat ontstoken weefsel extra is doorbloed waardoor er snel een bloeding ontstaat. Gelet op alles wat de toezichthoudend dierenarts heeft verklaard in het rapport en in de aanvullende toelichting, staat voor de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat het rund al voorafgaande aan het transport ziek was en zich niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. Op grond van Bijlage I, Hoofdstuk I, paragraaf 2, aanhef en onder a, van de Transportverordening wordt een dier in die toestand niet in staat geacht te worden vervoerd. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiseres, door het rund toch te vervoeren, een overtreding heeft begaan.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Verweerder heeft eiseres voor het beboetbare feit een boete opgelegd van € 4.500,-. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder b
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;
Artikel 6, derde lid
De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.
Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, en paragraaf 2, onder a
Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG