Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2092

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/1345
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WhtArt. 2.1 WhtArt. 8:57 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op compensatie Catshuisregeling wegens geen gedupeerde kinderopvangtoeslag

Eiseres ontving kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014, die later werd verlaagd omdat zij en haar kind niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de basisregistratie personen. De Dienst Toeslagen concludeerde na een lichte toets dat eiseres geen gedupeerde was en daarom geen recht had op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling.

Eiseres voerde aan dat zij in de betreffende periode in Nederland verbleef en dat de Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar verblijfplaats. Ook stelde zij dat zij ten onrechte niet als doelgroeper was aangemerkt en dat zij niet gehoord was in de bezwaarprocedure.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, maar dat de Dienst Toeslagen terecht had vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde was. De lichte toets rechtvaardigde het besluit omdat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen compensatie of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en zij krijgt geen recht op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1345

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M.J. Iqbal),
en

Dienst Toeslagen, de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van
€ 30.000,- (de Catshuisregeling) als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 april 2022 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres op basis van de zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. [1]
2.1.
Met het besluit van 23 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht de zaak af te doen op basis van de schriftelijke stukken en laten weten niet naar de zitting te komen. De Dienst Toeslagen heeft met dat verzoek ingestemd. Gelet op het verzoek van eiseres en de instemming daarmee door de Dienst Toeslagen, heeft de rechtbank de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft voor de jaren 2013 en 2014 kinderopvangtoeslag ontvangen. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is later naar beneden bijgesteld. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft na een eerste zorgvuldige beoordeling (de zogenoemde lichte toets) vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht en dat eiseres daarom geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht. De Dienst Toeslagen legt daaraan ten grondslag dat eiseres geen gedupeerde is. De kinderopvangtoeslag die eiseres ontving over de jaren 2013 en 2014 is verlaagd, omdat de Dienst Toeslagen niet kon vaststellen dat eiseres en haar kind in de periode van 20 november 2013 tot en met 10 maart 2014 op hetzelfde adres stonden ingeschreven. De Dienst Toeslagen had van de gemeente Rotterdam de informatie ontvangen dat eiseres met ingang van 20 november 2013 was verhuisd naar het buitenland. Ten aanzien van toeslagjaar 2014 is uit de systemen van de Dienst Toeslagen bovendien niet gebleken dat eiseres gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Hierdoor heeft de minister het recht op kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2014 niet kunnen vaststellen.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen gedupeerde is. Er is namelijk sprake van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, dan wel van hardheid van het stelsel. Eisers betwist dat zij in de periode van 20 november 2013 tot en met 10 maart 2014 in het buitenland verbleef. Zij heeft in die periode samen met haar kind bij haar ouders gewoond, maar inschrijving op hun adres was destijds niet mogelijk. Op 10 maart 2014 heeft zij zich weer kunnen inschrijven op een nieuw adres. De Dienst Toeslagen heeft destijds onvoldoende onderzocht of eiseres in de betreffende periode in Nederland woonde. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen verder ten onrechte gesteld dat zij geen ‘doelgroeper’ was. Eiseres is daarnaast ten onrechte niet gehoord in de bezwaarprocedure.
Is het beroep ontvankelijk?
5. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, omdat de Dienst Toeslagen met een besluit van 16 september 2024 de aanvraag van eiseres om compensatie na een integrale beoordeling heeft afgewezen.
5.1.
Voor de ontvankelijkheid in beroep is vereist dat eiseres voldoende procesbelang heeft. Daarvan is sprake als het resultaat dat eiseres nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat ook feitelijk betekenis kan hebben. [3]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiseres ontvankelijk. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 september 2024. De rechtbank is niet gebonden aan de vaststelling van de Dienst Toeslagen in dat besluit. Niet kan worden uitgesloten dat de Dienst Toeslagen fouten heeft gemaakt in de besluitvorming over de lichte toets en dat de conclusie moet worden getrokken dat eiseres in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Het resultaat dat eiseres nastreeft, kan dus daadwerkelijk worden bereikt en dat resultaat heeft voor haar feitelijk betekenis.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden?
6. De beroepsgrond van eiseres dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, slaagt niet. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. [4] Daarvan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat die situatie zich voordeed. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres namelijk al afgewezen naar aanleiding van de integrale beoordeling op basis van uitgebreider onderzoek.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel?
7. De beroepsgrond van eiseres dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen gedupeerde is (en dus niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel), slaagt niet.
7.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De Dienst Toeslagen kent ambtshalve een forfaitair bedrag toe aan degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel. [6] Een herstelmaatregel is de toekenning van compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [7] De Dienst Toeslagen kent compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat die uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het wettelijke systeem. [8] De toekenning van het forfaitaire bedrag vindt plaats na een zogenoemde eerste zorgvuldige toets door de Dienst Toeslagen, waarbij niet alle op de zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden worden getoetst, omdat anders een snelle toekenning van het forfaitaire bedrag zou worden belemmerd. [9]
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen op grond van de lichte toets terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel. In het kader van de lichte toets is de vraag of op grond van het dossier op het eerste gezicht aannemelijk is dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake is van hardheid van het wettelijke systeem. Om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag, moesten eiseres en haar kind op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de basisregistratie personen. [10] Uit het dossier volgt dat de kinderopvangtoeslag naar beneden is bijgesteld, omdat eiseres en haar kind in de periode van 20 november 2013 tot en met 10 maart 2014 niet in Nederland stonden ingeschreven. De Dienst Toeslagen beschikte bovendien over concrete informatie dat eiseres met ingang van 20 november 2013 naar het buitenland was verhuisd. Verder is gebleken dat eiseres in 2014 geen gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Gelet op het beperkte toetsingskader van de lichte toets heeft de Dienst Toeslagen op basis van al deze informatie terecht geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Of de Dienst Toeslagen destijds al dan niet verder onderzoek had moeten doen naar de precieze verblijfplaats van eiseres in de betreffende periode is een aspect dat aan de orde kan komen bij de integrale beoordeling.
7.3.
Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het ten onrechte niet zijn aangemerkt als ‘doelgroeper’, behoeft geen bespreking. De Dienst Toeslagen heeft in zijn verweerschrift namelijk toegelicht dat het niet behoren tot de doelgroep niet aan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 ten grondslag ligt.
8. Nu de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres op basis van de lichte toets niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel, heeft zij ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:325, r.o. 3.
4.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
5.ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
6.Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.
7.Artikel 2.7, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
8.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
9.Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 80.
10.Zie artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (zoals dat artikel destijds luidde).