ECLI:NL:RVS:2016:282
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluiten Raad voor Rechtsbijstand over toevoeging en kostenvergoeding
De zaak betreft hoger beroepen van appellant tegen uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant inzake toevoegingen voor gesubsidieerde rechtsbijstand en de terugvordering van kosten van een advocaat door de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad had aanvankelijk een toevoeging verleend, maar later vastgesteld dat het inkomen en vermogen van appellant boven de wettelijke grens lagen, waardoor de toevoeging met terugwerkende kracht werd ingetrokken en het betaalde bedrag werd teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat hij in een Wsnp-traject zat en dat de Raad onrechtmatig had gehandeld door niet tijdig rekening te houden met zijn financiële situatie. Tevens stelde appellant dat hij ten onrechte geen toevoeging kreeg voor rechtsbijstand bij het maken van bezwaar en beroep tegen besluiten van de Raad zelf. De rechtbank verwierp deze bezwaren en verklaarde de beroepen ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de Raad terecht het besluit van 8 april 2014 heeft genomen op grond van definitieve inkomensgegevens en dat appellant zelf verantwoordelijk was voor het tijdig informeren over het Wsnp-traject. Wel is geoordeeld dat de Raad bij het besluit van 14 januari 2015 niet heeft beslist op het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten, wat strijdig is met de Awb. Dit deel van de uitspraak wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
De overige uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. De Raad wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De Afdeling ziet geen aanleiding om de Raad te veroordelen in kosten voor de behandeling van het bezwaar zelf, omdat het oorspronkelijke besluit niet onrechtmatig was.
Uitkomst: Het besluit van 14 januari 2015 wordt vernietigd voor zover niet is beslist op het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten; overige uitspraken worden bevestigd.