ECLI:NL:RBROT:2026:214

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9846 en ROT 25/9845
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 4 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingesteld tegen niet tijdig beslissen college over opvang Oekraïners

Eiser, een Oekraïense ontheemde die in 2022 met zijn gezin naar Nederland kwam en opvang kreeg in Vlaardingen, stelde beroep in tegen het college omdat het niet tijdig zou hebben beslist op zijn verzoek om toelating tot de opvanglocatie Mrija. Na eerdere beëindiging van zijn opvang vanwege voorlopige hechtenis, meldde eiser zich opnieuw voor opvang, maar kreeg mondeling en schriftelijk toegang geweigerd. De voorzieningenrechter oordeelde eerder dat het college de melding als aanvraag moest behandelen en binnen twee weken na melding een beslissing moest nemen.

Eiser stelde dat hij zich op 19 en 20 november 2025 had gemeld, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. Het college gaf aan dat de aanvraagdatum 25 november 2025 was, waarna de beslistermijn tot 9 december 2025 liep. Het college nam op die datum een besluit, waarmee niet voldaan was aan het niet tijdig beslissen. Het beroep van eiser was daarom prematuur.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak over het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/9846 (verzoek) en ROT 25/9845 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigden: mr. R. Yahya en mr. C.J. Dekker).

Samenvatting

Eiser heeft beroep ingesteld omdat het college volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek om toelating tot de opvanglocatie Mrija voor ontheemde Oekraïners in Vlaardingen. Tegelijk met dit beroep heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep prematuur is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 4 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college op zijn verzoek om toelating tot de opvanglocatie Mrija voor ontheemde Oekraïners in Vlaardingen (ROT 25/9845). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (ROT 25/9846).
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 31 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college, vergezeld van [naam].
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Eiser is in 2022 met zijn gezin vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen. Zij hebben opvang gekregen in de opvanglocatie Mrija in Vlaardingen. Met het besluit van 28 februari 2025 heeft het college de opvang van eiser beëindigd [2] , omdat eiser op dat moment in voorlopige hechtenis verbleef wegens het plegen van een ernstig economisch misdrijf. Het college heeft eiser tevens uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp). Na de schorsing van de voorlopige hechtenis per 1 oktober 2025 heeft eiser zich op 2 oktober 2025 opnieuw bij de opvanglocatie Mrija gemeld. Hierop werd hem (mondeling) de toegang tot de opvanglocatie geweigerd. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft het college de weigering schriftelijk aan eiser bevestigd. Eiser heeft hiertegen op 29 oktober 2025 bezwaar gemaakt. Op 3 november 2025 heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 25/8666).
2.1.
Met de uitspraak van 18 november 2025 (ROT 25/8666 [3] ) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college de melding van 2 oktober 2025 had moeten opvatten als een aanvraag en het college opgedragen de als aanvraag op te vatten melding alsnog inhoudelijk in behandeling te nemen. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook bepaald dat eiser, omdat hij (vanwege zijn detentie) langer dan 28 dagen buiten de opvang is geweest en is uitgeschreven uit de brp van Vlaardingen, wel opnieuw het registratie- en plaatsingsproces zal moeten doorlopen en zich daarvoor zo spoedig mogelijk bij het college dient te melden. De voorzieningenrechter heeft het college vervolgens opgedragen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken nadat eiser zich bij het college heeft gemeld, een beslissing op de aanvraag aan eiser bekend te maken.
Is het college in gebreke om te beslissen?
3. Volgens de mededeling van eisers gemachtigde heeft eiser zich, naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter, op 19 en 20 november 2025 bij het gemeentehuis in Vlaardingen gemeld om het registratie- en plaatsingsproces opnieuw te doorlopen en weer opvang te krijgen. Eiser heeft hiervan echter geen stukken overgelegd. Eiser heeft alleen een (ongedateerde) brief overgelegd waaruit blijkt dat hij een afspraak heeft gemaakt voor hervestiging op 11 december 2025. De voorzieningenrechter kan eiser daarom niet volgen in de stelling dat hij zich al op 19 en/of 20 november 2025 voor opvang bij het college heeft gemeld.
4. Op 25 november 2025 is eiser op aanwijzing van het college door zijn gemachtigde aangemeld bij de regionale HUB-locatie in Rotterdam, voor het opnieuw doorlopen van het registratie- en plaatsingsproces. De voorzieningenrechter merkt deze datum daarom aan als de aanvraagdatum. Dit betekent dat de beslistermijn van twee weken, zoals genoemd in de uitspraak van 18 november 2025, met ingang van 26 november 2025 is gaan lopen. Het college diende dus uiterlijk 9 december 2025 op de aanvraag van eiser te hebben beslist.
5. Het college heeft op 9 december 2025 een besluit op de aanvraag aan eiser bekend gemaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is geweest van niet tijdig beslissen. Eiser heeft dus te vroeg beroep ingesteld. Het beroep is daarom prematuur. De voorzieningenrechter zal het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO).