In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, een ontheemde Oekraïner, had een aanvraag ingediend voor opvang, die door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen was afgewezen. Verzoeker was het niet eens met deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen had en of er sprake was van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet de gehele toegang tot opvang aan verzoeker mocht onthouden en dat verzoeker recht had op minimale basisvoorzieningen, zoals een fatsoenlijk onderkomen. De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en schorste het besluit van het college, waarbij het college werd verplicht om binnen twee weken na de uitspraak in opvang te voorzien. Tevens werd een dwangsom opgelegd aan het college voor het geval zij niet aan deze verplichting voldeed. De voorzieningenrechter benadrukte dat de uitspraak een voorlopig karakter had en niet bindend was voor een eventuele bodemprocedure.