Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2171

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROT 23/5893
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Richtlijn 2016/797Art. 47 lid 3 Richtlijn 2016/797Art. 21 lid 10 Richtlijn 2016/797Art. 2 onder 32 Richtlijn 2016/797Art. 26aa Spoorwegwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schrapping Belgische beperkingencode locomotief 2551 door minister

TSP heeft via QRail een aanvraag ingediend om locomotief 2551 in het Europees voertuigregister te autoriseren voor België, waarbij de schrapping van de Belgische beperkingencode 34 werd beoogd. De minister heeft dit verzoek afgewezen, omdat hij op grond van de Spoorwegwet, Richtlijn 2016/797 en Uitvoeringsbesluit 2018/1614 niet bevoegd is om een in België toegekende beperkingencode te schrappen.

De rechtbank overweegt dat het Europees voertuignummer (EVN) en de beperkingencode verschillende begrippen zijn en dat het EVN niet de bevoegdheid tot schrapping van de beperkingencode aan de minister verleent. Daarnaast is vastgesteld dat de vergunning voor België in 1961 is verleend, maar in 2011 is ingetrokken en de registratie in België in 2012 is doorgehaald met beperkingencode 34. Hierdoor is de locomotief niet meer toegestaan op het Belgische spoornetwerk.

TSP betoogt dat België nog deel uitmaakt van het gebruiksgebied van de locomotief, maar de rechtbank wijst dit af omdat TSP geen rechtsmiddelen in België heeft aangewend tegen de intrekking en doorhaling. Het gebruiksgebied bestaat daardoor alleen uit Nederland, waardoor de minister ook om die reden niet bevoegd is om de Belgische beperkingencode te schrappen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van het verzoek. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van TSP wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot schrapping van de Belgische beperkingencode blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5893

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

het Toeristisch Spoor Patrimonium (TSP), te Spontin (België), eiseres
(gemachtigde: mr. Q.P.W.J. Vosman),
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister).

Inleiding

1. Op 9 maart 2022 heeft QRail s.r.o. (QRail) een e-mailbericht gezonden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) met het verzoek om in het voertuigregister bij locomotief 2551 ook België ‘aan te vinken’ als land van toelating.
2. Met een e-mailbericht van 26 juli 2022 heeft het ILT daar namens de minister op geregeerd. In het bericht is onder meer vermeld:
“Enige tijd geleden heeft u gevraagd of de (voormalige) NMBS loc 2551 (EVN: 91 84 1 002 551- 7 NLPFT) geautoriseerd kan worden voor België. Zoals met u besproken heeft de inspectie uw verzoek voorgelegd aan DVIS (registerende instelling voor België) gelet op de herkomst van deze locomotief. Hieruit blijkt dat deze loc in 2012 buitendienst is gesteld met code 34 in het voertuigregister (Voertuig voor het museum bestemd). (…) DVIS geeft derhalve geen akkoord op een herautorisatie voor België. De inspectie is daarmee niet gerechtigd het vinkje voor België te plaatsen. (…)”
3. QRail heeft op 26 augustus 2022 per emailbericht bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij een machtiging overgelegd om namens het bestuur van TSP op te treden.
4. Met het besluit van 26 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
5. TSP heeft op 29 augustus 2023 beroep ingesteld.
6. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van TSP en namens de minister:
mr. P.C. Cup, ir. [persoon A] en dr. [persoon B] .
8. Ter zitting is het onderzoek geschorst en zijn afspraken gemaakt met partijen over het vervolg van de procedure. Ter zitting is afgesproken dat TSP nadere stukken over zal leggen waaruit volgens haar volgt dat locomotief 2551 in België onder het overgangsrecht valt en dat de minister vervolgens contact zal opnemen met de Belgische autoriteiten over de vraag of locomotief 2551 onder het overgangsrecht valt van artikel 21, twaalfde lid, van Richtlijn (EU) 2008/57/EG dan wel artikel 54 van Pro Richtlijn (EU) 2016/797 (het overgangsrecht). Partijen hebben vervolgens herhaaldelijk nadere stukken ingediend en standpunten daarover ingenomen.
9. De rechtbank heeft op verzoek van TSP op 25 februari 2026 de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van TSP en namens de minister mr. G. Fazzi, [persoon C] en [persoon D] .

Beoordeling

10. In de bijlage bij deze uitspraak zijn de voor de inhoudelijke beoordeling relevante rechtsregels opgenomen.
11. De rechtbank heeft het beroepschrift op 29 augustus 2023 ontvangen dat is gericht tegen het bestreden besluit dat is gedateerd op 26 juni 2023. Dit betekent dat niet binnen de beroepstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep is ingesteld. Het bestreden besluit is verzonden naar het adres voor ‘klassieke post’ dat TSP op 12 januari 2023 per e-mailbericht heeft doorgegeven aan de minister. Ditzelfde adres heeft TSP vermeld in haar beroepschrift
12. Desgevraagd heeft TSP de rechtbank met een e-mailbericht van 6 september 2023 bericht dat bij afwezigheid van geadresseerde het poststuk niet is bezorgd en bij een nabijgelegen postagentschap afgegeven om door geadresseerde te worden afgehaald. Echter is geadresseerde niet geïnformeerd dat er een aangetekend poststuk is aangeboden en dat deze bij het postagentschap kan worden afgehaald. Wel is het bestreden besluit op 19 juli 2023 door TSP per e-mail ontvangen. Daartegen is binnen zes weken beroep ingesteld.
13. De rechtbank ziet gelet op dit bericht aanleiding om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen (artikel 6:11 van Pro de Awb). Daarbij wordt overwogen dat de rechtbank het er gelet op dit bericht en de bekende problemen met de postbezorging voor houdt dat geen afhaalbericht is achtergelaten (vgl. ECLI:NL:RVS:2023:84 en ECLI:NL:RVS:2026:618). Verder wordt bij een latere ontvangst van het besluit de latere indiening verschoonbaar geacht indien dit alsnog binnen zes weken gebeurt (bijv. ECLI:NL:HR:2024:515). Aan dit vereiste is voldaan zodat het beroep ontvankelijk is.
14. Met partijen houdt de rechtbank het ervoor dat QRail namens TSP een aanvraag heeft gedaan om locomotief 2551 in het voertuigregister te autoriseren voor België en dat de minister daarop afwijzend heeft beslist met het e-mailbericht van 26 juli 2022. De vraag die daarom bij de rechtbank voorligt, is of de minister bij het bestreden besluit terecht bij zijn afwijzing is gebleven.
15. Voor locomotief 2551 is op 19 november 2007 door de minister een zogenoemd inzetcertificaat verleend. Op grond daarvan valt de locomotief onder het overgangsrecht van artikel 122a, onder b, van de Spoorwegwet. Op 29 mei 2019 is de locomotief op verzoek van TSP ingeschreven in het destijds door de minister bijgehouden nationaal voertuigregister met beperkingencode 00, wat betekent dat het voertuig een geldige registratie heeft.
16. Iedere lidstaat hield tot medio 2022 een nationaal voertuigregister. Deze nationale voertuigregisters zijn toen samengevoegd in het Europees voertuigregister op grond van Richtlijn (EU) 2016/797 en het Uitvoeringsbesluit 2018/1614. Deze samenvoeging heeft plaatsgevonden voordat het bestreden besluit is genomen, zodat in beroep beoordeeld moet worden of de minister gehouden is de inschrijving in het Europees voertuigregister aan te passen in overeenstemming met wat TSP beoogt, namelijk schrapping van de Belgische beperkingencode 34 zodat alleen de Nederlandse beperkingencode 00 resteert.
17. In de kern beroept TSP zich op punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614, waarin is bepaald dat het EVN op verzoek van de houder mag worden gewijzigd via een nieuwe registratie van het voertuig door een andere lidstaat in het gebruiksgebied en de daaropvolgende schrapping van de oude inschrijving. De rechtbank begrijpt het betoog van TSP zo dat volgens haar artikel 26aa van de Spoorwegwet in het licht van voornoemd onderdeel van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 zo moet worden gelezen dat de minister bevoegd moet worden geacht om de in België toegekende beperkingencode te schrappen.
18. Het EVN is het Europees voertuignummer en vindt zijn grondslag in artikel 46 van Pro Richtlijn 2016/797. De specificaties van het EVN zijn op grond van lid 2 van dat artikel vastgesteld in het Uitvoeringsbesluit 2018/1614. Zoals uit Uitvoeringsbesluit 2018/1614, in het bijzonder aanhangsel 3 en aanhangsel 6, maar ook uit onder meer artikel 47, derde lid, van Richtlijn 2016/797 volgt, is het EVN niet hetzelfde als een beperkingencode en maakt de beperkingencode ook geen deel uit van het EVN. Punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 brengt, ook bij conforme uitleg, daarom niet mee dat de minister op grond van artikel 26aa van de Spoorwegwet bevoegd is om een in België toegekende beperkingencode te schrappen. Ook verder ziet de rechtbank in de Spoorwegwet of in Richtlijn 2016/797 en Uitvoeringsbesluit 2018/1614 geen grondslag voor een bevoegdheid van de minister om de in België toegekende beperkingencode te schrappen. De minister heeft het verzoek alleen daarom al terecht afgewezen.
19. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. In haar lezing van punt 3.2.2.9. van bijlage II van Uitvoeringsbesluit 2018/1614 stelt eiseres centraal dat het gebruiksgebied van de locomotief België en Nederland is. Het begrip gebruiksgebied is in artikel 1 van Pro de Spoorwegwet gelezen in samenhang met artikel 2, onder 32, van Richtlijn 2016/797 gedefinieerd als: een of meer netwerken binnen een lidstaat of groep van lidstaten waarop een voertuig is bedoeld om te worden gebruikt. Het gebruiksgebied van een voertuig moet op grond van artikel 21, tiende lid, van Richtlijn 2016/79 worden vermeld in de vergunning om een voertuig in de handel te brengen. In dit geval is de vergunning (of toelating) voor België verleend op 2 januari 1961. Gelet op het feit dat die vergunning al in een ver verleden is verleend, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat het gebruiksgebied in die vergunning is neergelegd. Vast staat echter wel dat de vergunning volgens het Europees voertuigregister is ingetrokken op 14 november 2011 toen de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ( NMBS ) nog eigenaar van de locomotief was. Verder is de registratie van de locomotief in het Belgische voertuigenregister op verzoek van de NMBS door de Belgische autoriteiten op 2 februari 2012 doorgehaald door de beperkingencode 34 daarbij op te nemen. Gelet op deze intrekking van de vergunning (of toelating) en de doorhaling van de registratie is de locomotief niet meer toegestaan op het Belgische spoornetwerk. TSP is het daar niet mee eens en voert aan dat de Belgische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank biedt geen rechtsbescherming tegen besluiten van de Belgische autoriteiten. TSP heeft in België geen rechtsmiddelen aangewend tegen die besluiten, zodat de intrekking van de vergunning en de doorhaling van de registratie door de minister terecht als feit zijn aangenomen. In het licht van dat feit kan niet worden volgehouden dat België nog deel uitmaakt van het gebruiksgebied van de locomotief. Het gebruiksgebied bestaat dan ook nog alleen uit Nederland, zodat de minister ook om die reden niet bevoegd was om de Belgische beperkingencode te schrappen. Ook om deze reden gaat het betoog van TSP niet op.
20. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

21. Omdat het beroep ongegrond is, blijft de afwijzing van het verzoek van TSP in stand.
22. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
De griffier is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Richtlijn (EU) 2016/797 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie
Artikel 2
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
(…)
32) “gebruiksgebied van een voertuig”: een of meer netwerken binnen een lidstaat of groep van lidstaten waarop een voertuig is bedoeld om te worden gebruikt;
(…)
Artikel 21
Vergunning om een voertuig in de handel te brengen
1. De aanvrager brengt een voertuig pas in de handel nadat het Bureau overeenkomstig de leden 5 tot en met 7, of de nationale veiligheidsinstantie overeenkomstig lid 8, een vergunning voor het in de handel brengen van dat voertuig heeft afgegeven.
2. In zijn aanvraag voor een vergunning om een voertuig in de handel te brengen geeft de aanvrager het gebruiksgebied van het voertuig aan. De aanvraag bevat bewijsstukken die aantonen dat de technische verenigbaarheid van het voertuig met het netwerk in het gebruiksgebied is gecontroleerd.
(…)
10. a) Vergunningen om een voertuig in de handel te brengen vermelden: het gebruiksgebied of de gebruiksgebieden;
(…)
Artikel 22
Registratie van voertuigen die in de handel mogen worden gebracht
1. Voordat een voertuig voor het eerst wordt gebruikt en nadat de vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig artikel 21 is Pro verleend, wordt het voertuig op verzoek van de houder geregistreerd in een in artikel 47 bedoeld Pro voertuigregister.
2. Wanneer het gebruiksgebied van het voertuig beperkt is tot het grondgebied van één lidstaat, wordt het geregistreerd in die lidstaat.
3. Wanneer het gebruiksgebied van het voertuig het grondgebied van meer dan één lidstaat bestrijkt, wordt het geregistreerd in één van de betrokken lidstaten.
Artikel 47
Voertuigregisters
1. Totdat het in lid 5 bedoelde Europees voertuigregister operationeel is houdt elke lidstaat een nationaal voertuigregister bij. Dat register:
a. a) voldoet aan de gemeenschappelijke specificaties bedoeld in lid 2;
b) wordt bijgehouden door een instantie die onafhankelijk is van enige spoorwegonderneming;
c) is toegankelijk voor de nationale veiligheidsinstanties en de onderzoeksorganen die zijn aangewezen in het kader van de artikelen 16 en 22 van Richtlijn (EU) 2016/798; het is tevens, op elk rechtmatig verzoek, toegankelijk voor de toezichthoudende instanties die zijn aangewezen in het kader van artikel 55 van Pro Richtlijn 2012/34/EU en voor het Bureau, voor de spoorwegonderneming en voor infrastructuurbeheerders, alsmede voor personen of organisaties die voertuigen registreren of in het register zijn opgenomen.
2. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gemeenschappelijke specificaties vast voor de nationale voertuigregisters betreffende de inhoud, het gegevensformaat, de functionele en technische architectuur, de bedrijfsmodus, met inbegrip van regelingen voor de uitwisseling van gegevens, en regels voor de invoer en raadpleging van gegevens in die registers.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 51, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. In het nationaal voertuigregister worden in ieder geval de volgende elementen opgenomen:
a. a) het EVN;
b) referenties van de EG-keuringsverklaring en van de instantie die deze verklaring heeft afgegeven;
c) referenties van het in artikel 48 bedoelde Pro Europees register van goedgekeurde voertuigtypen;
d) de gegevens van de eigenaar en de houder van het voertuig;
e) beperkingen ten aanzien van de exploitatiewijze van het voertuig;
f) referenties van de met het onderhoud belaste entiteit.
4. Zolang de nationale voertuigregisters van de lidstaten niet met elkaar zijn verbonden overeenkomstig de in lid 2 bedoelde specificatie, werkt elke lidstaat zijn register bij, wat betreft de hem betreffende gegevens, door de aanpassingen over te nemen die een andere lidstaat in zijn eigen register heeft aangebracht.
5. Om administratieve lasten en onnodige kosten voor de lidstaten en belanghebbenden te beperken, stelt de Commissie uiterlijk op 16 juni 2018, rekening houdend met de resultaten van een kosten-batenanalyse, door middel van uitvoeringshandelingen de technische en functionele specificaties vast voor het Europees voertuigregister, waarin de nationale voertuigregisters zouden worden geïntegreerd, teneinde te zorgen voor een geharmoniseerde interface ten behoeve van alle gebruikers voor de registratie van voertuigen en gegevensbeheer. Lid 1, onder b) en c), en lid 3 zijn van toepassing. Een dergelijke specificatie bepaalt de inhoud, het gegevensformaat, de functionele en technische architectuur, de bedrijfsmodus, met inbegrip van regelingen voor de uitwisseling van gegevens, en voorschriften voor de invoer en raadpleging van gegevens, alsmede de migratiefasen.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 51, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld en op basis van een aanbeveling van het Bureau.
Bij de ontwikkeling van het Europees voertuigregister wordt rekening gehouden met de IT-toepassingen en de registers waarover het Bureau en de lidstaten reeds beschikken, zoals het Europees gecentraliseerd virtueel voertuigregister dat aan de nationale voertuigregisters is gekoppeld. Het Europees voertuigregister is uiterlijk op 16 juni 2021 operationeel.
6. De houder brengt elke wijziging van de gegevens in de voertuigregisters, de vernietiging van een voertuig of zijn beslissing een voertuig niet langer te registreren onverwijld ter kennis van de lidstaat waar het voertuig is geregistreerd.
(...)
Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Pro Richtlijn (EU) 2016/797 en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie
Artikel 4
Specificaties van het Europees voertuigregister
De technische en functionele specificaties van het Europees voertuigregister zijn vastgesteld in bijlage II.
BIJLAGE II (bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614)
3.2.1. Algemene voorschriften
1. Nadat een vergunning is afgegeven om een voertuig in de handel te brengen en alvorens het voertuig wordt geëxploiteerd, wordt het op verzoek van de houder geregistreerd in het EVR. De houder moet het elektronisch formulier invullen en de registratieaanvraag indienen bij een lidstaat van zijn keuze binnen het gebruiksgebied. Op verzoek van de aanvrager of houder biedt de lidstaat die gekozen is om het voertuig te registreren procedures aan voor de prereservatie van een voertuignummer of een reeks voertuignummers.
2. Voor een voertuig mag slechts één geldige registratie bestaan in het EVR. Een voertuig zonder geldige registratie mag niet worden geëxploiteerd.
3. Na registratie kent de RI in de lidstaat van registratie een Europees voertuignummer (EVN) toe aan het voertuig. Het EVN moet beantwoorden aan de regels die zijn uiteengezet in aanhangsel 6. In het geval de aanvrager of houder — op hun verzoek — een vooraf gereserveerd voertuignummer hebben gekregen, wordt dat voertuignummer gebruikt voor de eerste registratie.
4. Het EVN mag worden gewijzigd in de gevallen die gespecificeerd zijn in de punten 3.2.2.8 en 3.2.2.9.
(…)

3.2.2.8. Wijziging van EVN na technische aanpassingen

Het EVN wordt gewijzigd wanneer het vanwege technische aanpassingen aan het voertuig niet meer overeenstemt met de interoperabiliteit of de technische kenmerken van het voertuig als vastgesteld in aanhangsel 6. Dergelijke technische wijzigingen kunnen een nieuwe vergunning om een voertuig in de handel te brengen en, indien van toepassing, een nieuwe typegoedkeuring van het voertuig vereisen, overeenkomstig de artikelen 21 en 24 van Richtlijn (EU) 2016/797. De houder stelt de RI van de lidstaat waar het voertuig is ingeschreven in kennis van die wijzigingen en, voor zover van toepassing, van de nieuwe vergunning om het voertuig in de handel te brengen. Die RI kent het voertuig vervolgens een nieuw EVN toe.
De verandering van EVN bestaat uit een nieuwe registratie van het voertuig en de daaropvolgende schrapping van de oude registratie.

3.2.2.9. Verandering van EVN en van registrerende lidstaat

Het EVN mag op verzoek van de houder worden gewijzigd via een nieuwe registratie van het voertuig door een andere lidstaat in het gebruiksgebied en de daaropvolgende schrapping van de oude inschrijving.

AANHANGSEL 3

CODE VAN DE REGISTRATIESTATUS
(…)
Gebruik van codes
De codes en de reden worden uitsluitend gebaseerd op informatie die aan de RI wordt verstrekt door de entiteit die de verandering van de registratiestatus heeft aangevraagd.
(…)

AANHANGSEL 6

DEEL “0”
Voertuigidentificatie
Algemene opmerkingen
In deze bijlage worden het Europees voertuignummer en de bijbehorende markering beschreven die op zichtbare en permanente wijze op het voertuig moeten worden aangebracht om het te identificeren. Andere permanente nummers of markeringen die tijdens de constructie op het chassis worden gegraveerd of bevestigd, of op de hoofdonderdelen van het voertuig worden aangebracht, worden in deze bijlage niet beschreven.
(…)
Spoorwegwet
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
gebruiksgebied: gebruiksgebied van een voertuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel 32, van de interoperabiliteitsrichtlijn;
(…)
Artikel 26q
1. Het is verboden gebruik te maken van de hoofdspoorweginfrastructuur met een spoorvoertuig:
a. zonder een voor het desbetreffende gedeelte van de hoofdspoorweginfrastructuur geldige voertuigvergunning als bedoeld in artikel 26k, eerste lid,
b. dat niet staat ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister, bedoeld in artikel 26aa, eerste lid, het voertuigregister van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister, en
c. waarop geen Europees voertuignummer is aangebracht.
(…)
Artikel 26aa
1. Onze Minister houdt een voertuigregister en draagt, op aanvraag, zorg voor de inschrijving in dit register van spoorvoertuigen waarvoor een voertuigvergunning is verleend met een gebruiksgebied dat de hoofdspoorweginfrastructuur betreft, tenzij het desbetreffende spoorvoertuig reeds in een register van een andere lidstaat of het Europees voertuigregister is ingeschreven.
2. Spoorvoertuigen waarvoor Onze Minister de voertuigvergunning heeft verleend, worden in ieder geval in het door hem gehouden voertuigregister ingeschreven, tot het moment dat het Europees voertuigregister operationeel is.
3. Onze Minister kent aan een spoorvoertuig dat wordt ingeschreven in het door Onze Minister gehouden voertuigregister een Europees voertuignummer toe. De houder van het spoorvoertuig brengt het Europees voertuignummer aan op het spoorvoertuig.
4. Onze Minister kan een inschrijving in het door hem gehouden voertuigregister wijzigen of schrappen.
(…)
Artikel 122a
Artikel 26q, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een spoorvoertuig dat:
a. op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 2a in overeenstemming met de op 31 december 2004 geldende voorschriften kon worden gebruikt op een hoofdspoorweg;
b. waarvoor Onze Minister voor 19 juli 2008 een inzetcertificaat heeft verleend als bedoeld in artikel 36a, vierde lid, van de Spoorwegwet, zoals dat luidde op 19 juli 2008;
c. dat voldoet aan de technische voorschriften van de Overeenkomst inzake het wederzijdse gebruik van personenrijtuigen en bagagewagens in het internationale verkeer (RIC) in haar laatst geldende redactie, en waarmee voor 19 juli 2008 van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik werd gemaakt, of
d. dat voldoet aan de technische voorschriften van de Overeenkomst inzake het wederzijdse gebruik van goederenwagens in het internationale verkeer (RIV) in haar laatst geldende redactie, en waarmee voor 19 juli 2008 van de hoofdspoorweginfrastructuur gebruik werd gemaakt.