ECLI:NL:RVS:2026:618

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202403609/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing Woo-verzoek wegens niet-ontvangen afhaalbericht PostNL

Verzoeker heeft twee verzoeken om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid ingediend, die door de minister zijn afgewezen bij besluit van 23 maart 2023. Dit besluit werd aangetekend verzonden, maar verzoeker ontving geen afhaalbericht van PostNL en kreeg het besluit pas per gewone post op 20 april 2023.

De rechtbank oordeelde dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, waardoor de bezwaartermijn pas op 21 april 2023 begon te lopen. Verzoeker diende zijn bezwaar tijdig in, wat de minister aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde dat het bezwaar ontvankelijk was.

De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank een te lage drempel hanteerde en dat het ontbreken van een afhaalbericht niet aannemelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat verzoeker voldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om het vermoeden van regelmatige bezorging te ontzenuwen, mede gelet op de bekende problemen bij PostNL.

De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet op de juiste wijze was bekendgemaakt en dat het bezwaar tijdig was ingediend. De minister moet een nieuw besluit nemen, waartegen alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het bezwaar van verzoeker is ontvankelijk verklaard omdat het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Uitspraak

202403609/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 3 mei 2024 in zaak nr. 23/3356 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft de minister twee verzoeken van [verzoeker] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) afgewezen.
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 mei 2024 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 december 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J. Ton en mr. C. Vooijs, en [verzoeker] zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) die in deze zaak van toepassing zijn, luiden:
Artikel 3:41, eerste lid: "De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hem, onder wie begrepen de aanvrager."
Artikel 6:7: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."
Artikel 6:8, eerste lid: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."
Artikel 6:9, tweede lid: "Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen."
Artikel 6:11: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Inleiding
2.       [verzoeker] heeft de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit op 15 november 2022 en 1 december 2022 onder meer verzocht om openbaarmaking van informatie over het houden van wilde zwijnen in een raster in Nederland en om openbaarmaking van een overzicht van werkzaamheden van de inspecteurs die bij [verzoeker] inspectie hebben gehouden, waaruit kan worden afgeleid welke bedrijven de inspecteurs hebben bezocht in de twaalf weken voorafgaand aan hun bezoek aan [verzoeker]. De minister heeft de verzoeken bij besluit van 23 maart 2023 afgewezen en dit besluit per aangetekende post verstuurd.
3.       Op 1 juni 2023 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De minister heeft het bezwaarschrift op 2 juni 2023 ontvangen. Op 7 juni 2023 heeft de minister laten weten dat [verzoeker] zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Bij brief van 16 juni 2023 heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat hij het besluit van 23 maart 2023, dat aangetekend is verstuurd, niet heeft ontvangen maar het besluit per gewone post op 20 april 2023 heeft ontvangen. Daarbij heeft hij gesteld dat hij niet wist dat er een aangetekende brief was verzonden en dat hij geen mededeling van de minister of een afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen. Ook verwijst hij naar de serviceproblemen bij PostNL. De minister heeft daarna het bezwaar met het besluit van 18 juli 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen en dat het besluit van 23 maart 2023 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het gevolg hiervan is dat de bezwaartermijn is aangevangen op 21 april 2023, na de verzending van het besluit per gewone post, en dat [verzoeker] zijn bezwaarschrift van 1 juni 2023 binnen de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift heeft ingediend. Het bezwaar was dus ontvankelijk. De minister had gelet hierop het bezwaar van [verzoeker] in behandeling moeten nemen, aldus de rechtbank.
4.1.    De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
5.       De minister betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen en ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 23 maart 2023 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De rechtbank heeft volgens de minister een te lage drempel gehanteerd bij de toets of redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Hiertoe voert hij aan dat de door de rechtbank relevant geachte omstandigheden niet zien op de concrete postbezorging van het aangetekende besluit bij [verzoeker]. Uit de omstandigheid dat [verzoeker] na ontvangst van het per gewone post verstuurde besluit binnen de gestelde termijn bezwaar heeft aangetekend kan enkel worden afgeleid dat [verzoeker] de intentie had om tijdig bezwaar te maken. Niet kan hieruit worden afgeleid dat [verzoeker] het afhaalbericht van PostNL niet heeft ontvangen. Ook uit de omstandigheid dat [verzoeker] in andere procedures wel op tijd bezwaar of beroep heeft ingediend kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] het afhaalbericht van PostNL niet heeft ontvangen. Overigens heeft [verzoeker] in een andere zaak tussen hem en de minister ruim een jaar na het verlopen van de bezwaartermijn onverschoonbaar bezwaar te laat ingediend. Verder is een stellige ontkenning van het ontvangen van een afhaalbericht van PostNL volgens de minister onvoldoende om aannemelijk te achten dat PostNL geen afhaalbericht heeft achtergelaten. Tot slot stelt de minister dat uit de door [verzoeker] aangehaalde artikelen over PostNL niet kan worden afgeleid dat in dit geval een fout is gemaakt in de postbezorging.
6.       Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden.
Uit het door de minister ingediende ‘Track & trace’-overzicht blijkt dat volgens het interne systeem van PostNL is gepoogd het stuk op het adres van [verzoeker] uit te reiken, maar dat de bezorging niet is gelukt. PostNL heeft vervolgens het stuk naar een PostNL-afhaalpunt gebracht. De Afdeling gaat er daarom in beginsel van uit dat er door PostNL, overeenkomstig hun handelwijze wanneer een aangetekende brief naar een afhaalpunt is gebracht, een afhaalbericht bij [verzoeker] is achtergelaten.
6.1.    Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij het besluit niet op of rond 23 maart 2023 heeft ontvangen en geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen. Hij heeft consistent en stellig de ontvangst van het afhaalbericht van PostNL ontkend. Zo heeft hij onder meer aangevoerd dat hij na ontvangst van het besluit per gewone post wel binnen de gestelde termijn bezwaar heeft aangetekend. Hij heeft meerdere procedures tegen de minister gevoerd en doet dat nog steeds. In deze procedures heeft hij doorgaans binnen de gestelde termijn bezwaar en beroep ingesteld. Hieruit volgt volgens [verzoeker] dat hij op de hoogte is van de gestelde termijnen en dat hij zich hier over het algemeen aan heeft gehouden. Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt heeft [verzoeker] in zijn beroepschrift diverse artikelen aangehaald waaruit blijkt dat er herhaaldelijk problemen zijn met de bezorging van aangetekende post door PostNL. Gelet op de toelichting van [verzoeker] en op de recente problemen rondom de bezorging van aangetekende post ziet de Afdeling geen reden om [verzoeker] hierin niet te volgen. Daarom is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen. [verzoeker] heeft het vermoeden van regelmatige bezorging ontzenuwd, zodat moet worden aangenomen dat het besluit niet op regelmatige wijze op zijn adres is aangeboden. [verzoeker] kon dus niet weten dat de minister het besluit had genomen totdat hij bij brief van 20 april 2023 op de hoogte werd gesteld van het besluit. Vergelijk hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4527, onder 4.1. tot en met 4.6.
6.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in bijvoorbeeld haar uitspraak van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406, onder 4.6, moet, als de belanghebbende pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kon nemen van het besluit, een termijn van zes weken worden gehanteerd waarin de belanghebbende met het maken van bezwaar of instellen van het beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is.
De minister heeft het besluit van 23 maart 2023 op 20 april 2023 per gewone post verstuurd. In dit geval bedraagt de bezwaartermijn zes weken. De bezwaartermijn is ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, aangevangen op 21 april 2023. De minister heeft het bezwaarschrift van [verzoeker] op 2 juni 2023 ontvangen. Dat is niet later dan een week na afloop van de termijn. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat [verzoeker] zijn bezwaarschrift tijdig heeft ingediend.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       Zoals uit de uitspraak van de rechtbank volgt, moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II.       bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
990