ECLI:NL:RBROT:2026:2203

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/4079
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 2.1 WhtArt. 6 Wet kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag en schadevergoeding redelijke termijn

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), welke door de Dienst Toeslagen is afgewezen. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing en constateert dat de hoorplicht door de Dienst Toeslagen is geschonden, maar passeert dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat eiseres haar standpunten in de beroepsprocedure heeft kunnen toelichten.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan, wat een vereiste is voor compensatie. De Dienst Toeslagen heeft terecht de aanvraag afgewezen. Ook het betoog dat sprake zou zijn van institutionele vooringenomenheid wordt verworpen, omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag en er geen bewijs is van een daadwerkelijke aanvraag.

Verder wordt geoordeeld dat de Dienst Toeslagen het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden. Wel is vastgesteld dat de behandeling van de zaak de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. De overschrijding wordt deels toegerekend aan de Dienst Toeslagen en deels aan de Staat, die beiden een deel van de schadevergoeding en proceskosten moeten betalen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en veroordeelt zowel de Dienst Toeslagen als de Staat tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4079

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ),
en

de Staat der Nederlanden (de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing aan de hand van deze beroepsgronden van eiseres. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de hoorplicht is geschonden, maar passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Daarin krijgt eiseres dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,- omdat de behandeling van haar zaak te lang heeft geduurd.

Procesverloop

2. Met een besluit van 16 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 februari 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 oktober 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 16 februari 2023 (kenmerk [kenmerk] ) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2019. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing gebleven.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden?
4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden. De Dienst Toeslagen had eiseres moeten horen, zodat zij duidelijkheid kon verschaffen over de feiten en haar verhaal kon doen.
4.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, komt zij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen geeft aan dat er geen informatie beschikbaar is of door eiseres is aangevoerd om tot een andersluidend besluit te komen.
4.2.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Een bestuursorgaan stelt belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het beslist op een bezwaar. [1] Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. [2] Dat is het geval indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [3]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden. Uit het ontbreken van informatie over een aanvraag kinderopvangtoeslag in de relevante periode heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte de conclusie getrokken dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Eiseres had die informatie immers tijdens een hoorzitting alsnog kunnen verstrekken, in welk geval de Dienst Toeslagen mogelijk een ander besluit had genomen. Eiseres heeft echter in de beroepsprocedure alles naar voren kunnen brengen wat zij over deze zaak wilde zeggen. De rechtbank zal het gebrek in de besluitvorming daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Eiseres heeft wel recht op een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht.
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres terecht afgewezen?
5. Eiseres betoogt dat haar aanvraag om compensatie op grond van de Wht ten onrechte is afgewezen. Zij voert hiertoe aan dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door haar aanvraag voor kinderopvangtoeslag rond 2005 of 2006 niet in behandeling te nemen. Volgens eiseres is telefonisch aan haar medegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor kinderopvangtoeslag, omdat zij een volledige uitkering ontving op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid (WAO). Eiseres geeft aan dat zij op deze mededeling heeft vertrouwd, waardoor zij op een later moment niet nogmaals kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Eiseres had wel belang bij de aanvraag voor kinderopvangtoeslag, nu er wel opvang is genoten en zij de kosten daarvan zelf heeft moeten dragen. Hierdoor is eiseres in ernstige financiële problemen terechtgekomen, waardoor zij schade heeft geleden.
5.1.
Niet in geschil is dat eiseres nooit kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, noch een (afwijzende) beschikking heeft ontvangen over kinderopvangtoeslag. Tussen partijen is in geschil of eiseres een aanvraag heeft gedaan voor kinderopvangtoeslag. De rechtbank moet daarom beoordelen of voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres destijds een telefonische aanvraag heeft gedaan en, zo ja, of het niet in behandeling nemen daarvan is aan te merken als een vooringenomen handeling.
5.2.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. [4] Bij institutionele vooringenomenheid gaat het erom dat toeslagen collectief werden stopgezet bij een bepaalde groep ouders, dat informatie te breed of niet juist werd uitgevraagd, dat dossiers met een zerotoleranceaanpak werden onderzocht, en dat de kleinste onregelmatigheden leidden tot het afwijzen of reduceren van een aanspraak op kinderopvangtoeslag. [5]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie terecht afgewezen. De rechtbank licht dit hierna toe.
5.3.1.
De Dienst Toeslagen heeft in de digitale systemen gezocht of eiseres een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Daaruit blijkt niet van een dergelijke aanvraag voor de toeslagjaren 2005 of 2006, noch voor andere toeslagjaren. De Dienst Toeslagen heeft ter onderbouwing hiervan een SAS-overzicht overgelegd over de periode 2006 tot en met 2024. Verder heeft de Dienst Toeslagen geen gespreknotitie aangetroffen van het telefoongesprek dat eiseres in 2005 of 2006 zou hebben gevoerd.
5.2.2.
De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag een inloghandeling vereist is, waarbij eiseres haar burgerservicenummer en DigiD had moeten gebruiken. Een aanvraag kon niet telefonisch via de Belastingtelefoon worden ingediend, maar moest via een formulier. Eiseres heeft verklaard dat zij bij de Belastingtelefoon heeft geïnformeerd naar haar mogelijkheden om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Deze verklaring is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiseres op de voorgeschreven wijze een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat eiseres een aanvrager is van kinderopvangtoeslag, is niet aan de voorwaarden voldaan voor compensatie op grond van de Wht. [6]
5.2.3.
Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de vraag of het niet-behandelen van een aanvraag een vooringenomen handeling is. De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. Eiseres heeft verklaard dat zij sinds 2005 of 2006 een WAO-uitkering ontvangt, omdat zij volledig arbeidsongeschikt is. Zij geeft aan dit destijds ook telefonisch aan de Dienst Toeslagen te hebben verklaard. Het voorgaande zou betekenen dat eiseres ten tijde van het telefoongesprek met de Dienst Toeslagen niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro de Wet kinderopvang, zoals geldend op 1 januari 2006, en daarom niet in aanmerking kwam voor kinderopvangtoeslag. Een ouder met een WAO-uitkering moest namelijk aan aanvullende voorwaarden op het gebied van arbeidsinschakeling voldoen, voordat recht bestond op kinderopvangtoeslag. [7] De destijds gedane telefonische mededeling van de Dienst Toeslagen, dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag, lijkt daarom juist.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen het motiveringsbeginsel geschonden?
6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres voert hiertoe aan dat het toeslagjaar 2005 niet in het SAS-overzicht is opgenomen. Eiseres betoogt dat nu alle informatie over het toeslagjaar 2005 ontbreekt, het niet inzichtelijk is hoe de Dienst Toeslagen tot de afwijzing van compensatie voor dat jaar is gekomen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen het motiveringsbeginsel niet geschonden. De Dienst Toeslagen heeft voldoende uiteengezet op welke wijze een aanvraag voor kinderopvangtoeslag kan worden gedaan en hoe deze wordt geregistreerd. Gelet op hetgeen eiseres zelf heeft verklaard is, zoals onder 5.2.2 overwogen, niet aannemelijk geworden dat er een aanvraag is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dit met voldoende stukken onderbouwd. Het feit dat het toeslagjaar 2005 niet zichtbaar is op het SAS-overzicht doet daaraan niet af. In de systemen van de Dienst Toeslagen is geen informatie omtrent een aanvraag in 2005 aangetroffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?
7. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1.
Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [8]
7.2.
Het bezwaarschrift is op 28 maart 2023 door de Dienst Toeslagen ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met elf maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 21 maart 2024, afgerond twaalf maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor 6/11e deel toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Het restant van de overschrijding wordt toegerekend aan de Staat. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 545,45 aan eiseres moet betalen. De Staat moet een bedrag van € 454,55 betalen.
Conclusie en rechtsgevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie.
8.1.
Wel heeft de Dienst Toeslagen de hoorplicht geschonden. De Dienst Toeslagen moet aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast moet de Dienst Toeslagen de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
8.2.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). [9] Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de Dienst Toeslagen als de Staat is toe te rekenen, moeten beiden hiervan de helft betalen. [10]
8.3.
De slotsom is dat de Dienst Toeslagen in totaal € 2.101,50 (€ 1.868,- + € 233,50) aan proceskostenvergoeding aan eiseres moet betalen en de Staat € 233,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 545,45 aan eiseres;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van € 454,55 aan eiseres;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
3.ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, r.o. 5.3.
4.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.
6.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
7.Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet kinderopvang, zoals geldend op 1 januari 2006.
8.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
9.ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1342.
10.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.