Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw J. Hoedeman, beschermingsbewindvoerder.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €93.000, waaronder een schuld aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van ruim €48.000. Deze schuld is ontstaan door een onrechtmatige aanvraag van de Tegemoetkoming Vaste Lasten tijdens de coronapandemie, waarvan verzoeker verklaarde dat een derde de aanvraag voor hem heeft ingediend zonder dat hij wist dat hij hier geen recht op had.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schuld aan RVO. Verzoeker heeft het ontvangen geld deels aan anderen gegeven en niet terugbetaald, en het is onduidelijk wat er met het resterende bedrag is gebeurd. Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen, mede omdat hij het minnelijk traject niet heeft doorlopen en geen aanbod aan schuldeisers heeft gedaan.
Hoewel verzoeker onder beschermingsbewind staat, acht de rechtbank dit onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die toelating tot de regeling ondanks het ontbreken van goede trouw rechtvaardigen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en nakoming van verplichtingen.