3.5.Onderhoudsbijdrage
3.5.1.De man verzoekt een kinderbijdrage van € 30,- per kind per maand vast te stellen, door de man aan de vrouw te voldoen.
3.5.2.De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt – na wijziging- een door de man te betalen kinderbijdrage van € 273,- per maand vast te stellen. De vrouw verwijst in haar stuk van 22 juli 2025 naar de bijdrage zoals de rechtbank die op 24 januari 2024 heeft vastgesteld te weten € 241,- per maand, afgerond € 80,- per kind per maand. De vrouw komt op een iets hogere bijdrage uit omdat zij meent dat de zorgkorting op 0% bepaald dient te worden.
De rechtbank begrijpt het gewijzigde verzoek dus zo dat zij verzoekt om een maandelijkse bijdrage van € 273,-, oftewel € 91,- per kind per maand.
Gewijzigde omstandigheden
3.5.3.Tussen partijen is niet geschil dat er, ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 24 januari 2024, sprake is van gewijzigde omstandigheden. Tussen de man en de minderjarigen is geen contact, de vrouw is opnieuw getrouwd en de man heeft twee kinderen uit een nieuwe relatie. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat er reden is voor een herberekening.
3.5.4.Omdat de man expliciet heeft aangegeven dat hij geen geld terug wil ontvangen van de vrouw, zal de kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.
De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
3.5.5.In het jaar 2024 is het eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: de behoefte van de minderjarigen) vastgesteld op € 642,- per maand. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank uit zal gaan van dit bedrag, geïndexeerd naar nu. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 715,- per maand.
De behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5]
3.5.6.De man gaat er in zijn alimentatieberekeningen vanuit dat de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 622,- per kind per maand bedraagt. De vrouw voert daartegen geen verweer, zodat de behoefte op laatstgenoemd bedrag zal worden vastgesteld.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
3.5.7.Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de verschillende onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht. De partner van de man zal daarbij buiten beschouwing worden gelaten, omdat partijen het erover eens zijn dat de draagkracht van de man gelijkelijk over de kinderen van de man zal worden gedeeld, als er sprake is van een tekort en zijn partner niet onderhoudsplichtig is voor de kinderen van partijen samen.
3.5.8.Ter bepaling van de verhouding moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. Daarbij wordt gerekend met de tarieven van 2026-1.
3.5.9.De vrouw stelt dat voor de draagkracht van de man moet worden gerekend met een winst van € 29.415,-, omdat hij geen gegevens van 2025 heeft overgelegd. De winst was meestal € 28.000,- of € 29.000,-. Namens de man is toegelicht dat de man nog niet beschikt over de aangifte inkomstenbelasting 2025. De man is tot een winst van € 28.770,- gekomen door het gemiddelde te nemen van de jaren 2022, 2023 en 2024. De rechtbank is van mening dat de man bij gebrek aan de aangifte inkomstenbelasting 2025 ten minste van de eerste drie kwartalen van 2025 inzage in de omzet en kosten had kunnen geven en daarmee een te verwachten winst over 2025. Dat heeft de man nagelaten. Hij heeft enkel gesteld dat de winst over 2025 ongeveer hetzelfde zal zijn als over 2024, te weten
€ 28.980,-. De rechtbank constateert dat partijen feitelijk maar € 645,- bruto per jaar uit elkaar zitten. Omdat het inkomen van een ondernemer wisselt, zal de rechtbank voor de winst het gemiddelde nemen van de winstbedragen die de man en de vrouw stellen.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2026 dan ook aan de hand van een winst van € 29.093,- op € 3.041,- per maand.
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:
- zelfstandigenaftrek van € 1.200,-.
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 3.542,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.181,-.
3.5.10.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 715,- per maand, waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft.
3.5.11.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 535,- per maand.
3.5.12.De man stelt dat uitgegaan dient te worden van het ‘jaarloon BT’ zoals op de salarisspecificatie van de vrouw van december 2025 staat. Namens de vrouw is gesteld dat uitgegaan dient te worden van het maandloon zoals vermeld op de salarisspecificatie. De rechtbank zal het NBI vaststellen op basis van het maandloon zoals vermeld op de salarisspecificaties, omdat dit afwijkt van het ‘jaarloon BT’ en de meest actuele cijfers betreft. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 4.303,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.481,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- eindejaarsuitkering € 289,96 per maand
- premie OP € 343,34 per maand
- premie AP € 4,21 per maand
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.5.13.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 1.279,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.5.14.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 1.153,- per maand.
3.5.15.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van [naam 2] over het jaar 2026 op
€ 3.060,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 3.150,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- WGA gat uitgebreid € 3,97 per maand
- inh. Pensioen Boels € 68,96 per maand
De rechtbank neemt de bruto reiskosten van € 59,92 per maand niet mee in de berekening, omdat zij ervan uitgaat dat de man daadwerkelijk reiskosten maakt en het ontvangen bedrag hieraan besteedt.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.5.16.De draagkracht [naam 2] wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 544,- per maand.
Toerekening van de draagkracht in gelijke delen
3.5.17.Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw gesteld dat haar eigen draagkracht en die van de man gelijk moet worden verdeeld over de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig zijn. De man stemt hiermee in. Om die reden zal de rechtbank de draagkracht van de onderhoudsplichtigen gelijk verdelen over de kinderen.
3.5.18.De rechtbank zal hierna berekenen hoe de draagkracht van de man toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is. De toerekening van de draagkracht van de man aan de vijf kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend door zijn draagkracht van € 535,- per maand te delen door vijf. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van de man van € 107,- per kind.
3.5.19.Vervolgens zal berekend worden hoe de draagkracht van de vrouw toegerekend moet worden aan ieder van de kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is. De toerekening van de draagkracht van de vrouw aan de zeven (minderjarige) kinderen ten opzichte van wie zij onderhoudsplichtig is, wordt berekend door haar draagkracht van
€ 1.153,- per maand te delen door zeven. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van de vrouw van € 165,- per kind.
3.5.20.De gehele draagkracht van [naam 2] van € 544,- per maand wordt eveneens toegerekend aan de zeven kinderen. Dat komt neer op een toerekening van de draagkracht van € 78,- per kind.
3.5.21.Omdat de gezamenlijke draagkracht van de man en zijn huidige partner op basis van de toegerekende draagkracht lager is dan de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Een overheveling van draagkracht voor deze kinderen naar [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is niet aan de orde.
3.5.22.Voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor deze kinderen beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 321 / € 1.050 x € 715 = € 219
het deel van de vrouw bedraagt: € 495 / € 1.050 x € 715 = € 337
het deel van [naam 2] bedraagt: € 234 / € 1.050 x € 715 =
€ 159
samen € 715
Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een gedeelte van € 219,- per maand voor rekening van de man, een gedeelte van € 337,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van € 159,- per maand voor rekening van [naam 2] .
3.5.23.De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 5%. De vrouw voert verweer.
3.5.24.De zorgkorting bedraagt in beginsel minimaal 5% van de behoefte van de minderjarigen. De man heeft om voor hem relevante redenen het verzoek tot omgang met de minderjarigen ingetrokken, terwijl er geen omgang plaatsvindt of in de nabije toekomst zal plaatsvinden. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de toepassing van de zorgkorting achterwege te laten. De man draagt immers geen kosten voor de minderjarigen.
3.5.25.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 73,- per kind per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.5.26.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.