Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2280

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
12029922 GZ VERZ 25-10300
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 lid 3 BWArt. 1:441 lid 2 BWArt. 1:450 BWArt. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap wegens wilsonbekwaamheid

Betrokkene, een 91-jarige vrouw met een diagnose dementie, is niet in staat haar financiële en niet-financiële belangen zelf te behartigen. De rechtbank heeft op verzoek van een casemanager dementie en na onderzoek vastgesteld dat betrokkene wilsonbekwaam is.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het instellen van een bewind over de goederen en een mentorschap noodzakelijk is. Hoewel betrokkene een levenstestament heeft met een medische volmacht, is daarin geen financiële volmacht opgenomen. De relatie tussen betrokkene en de medisch gevolmachtigde is ernstig verstoord, met zorgen over financiële transparantie en mogelijke misbruik.

Daarom is besloten een professionele bewindvoerder en mentor te benoemen, waarbij de medische volmacht komt te vervallen. De kantonrechter stelt tevens de beloning van de bewindvoerder en mentor vast. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap toegewezen en professionele bewindvoerder en mentor benoemd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 12029922 GZ VERZ 25-10300
uitspraak: 4 maart 2026

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

inzake het verzoek van:

[verzoekster]

gevestigd te [postcode 2] [vestigingsplaats] , [vestigingsadres] ,
hierna te noemen verzoekster,
tot instelling van een bewind over de goederen van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934,
wonende te [postcode 1] [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen betrokkene.

Verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de stukken genoemd in de bijlage.
Uit privacyoverwegingen voor betrokkene is het verloop van de procedure en de nadere inhoudelijke beoordeling opgenomen in een aparte bijlage bij de beschikking. Deze bijlage maakt in zijn geheel onderdeel uit van deze beschikking. Deze inhoud van de bijlage geldt zowel voor het verzoek om instelling bewind als ook voor het verzoek om instelling mentorschap.

Beoordeling van het verzoek

Uit de processtukken en behandeling ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat betrokkene als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Uit de processtukken en behandeling ter terechtzitting is opgemaakt dat betrokkene niet in staat moet worden geacht de rekening en verantwoording te begrijpen en te beoordelen.
Uit de processtukken en behandeling ter terechtzitting is opgemaakt dat betrokkene niet in staat is toestemming te geven als bedoeld in artikel 1:441 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Tegen benoeming van de voorgestelde bewindvoerder zijn geen afzonderlijke bezwaren gerezen.
Bij beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam met zaaknummer 12029923 GZ VERZ 25-10301, is gelijktijdig met deze onderbewindstelling een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene met benoeming van C.A. Sinon h.o.d.n. CAS Bewindvoering tot mentor.
De kantonrechter zal de beloning van de bewindvoerder en mentor voor de aanvangswerkzaamheden vaststellen overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, ten bedrage van € 1.380,00 ex btw.
De kantonrechter zal de jaarvergoeding van de bewindvoerder en mentor, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting, vaststellen overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 2 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Beslissing

De kantonrechter:
stelt alle goederen die (zullen) toebehoren aan
[betrokkene]voornoemd onder bewind wegens een lichamelijke of geestelijke toestand;
benoemt tot bewindvoerder:
C.A. Sinon h.o.d.n. CAS Bewindvoering
Postbus 53070, 3008 HB Rotterdam;
stelt de beloning van de bewindvoerder en mentor voor de aanvangswerkzaamheden vast overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, ten bedrage van € 1.380,00 ex btw;
stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder en mentor vast overeenkomstig artikel 5 juncto Pro artikel 2 lid 2 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
426
Verzonden op:
Tegen deze beschikking kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.

BIJLAGE

==================================================================
Het verloop van de procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen;
- een bereidverklaring van de voorgestelde bewindvoerder en mentor;
- de mail van verzoekster van 9 januari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026 bij [naam zorginstelling] , waar betrokkene woont. Daarbij waren naast betrokkene mw. [persoon A] , verzoekster en werkzaam als casemanager dementie bij [verzoekster] (hierna: ‘de casemanager’), mw. [persoon B] , belanghebbende volgens het levenstestament van betrokkene (hierna: [persoon B] ), mw. C.A. Sinon (de beoogd bewindvoerder en mentor) en een medewerkster verzorging van [naam zorginstelling] aanwezig.
Overwegingen van de kantonrechter
Betrokkene is een vrouw van 91 jaar. Zij heeft 1 dochter met wie zij al lange tijd geen contact meer heeft. Haar sociale netwerk bestaat verder uit [persoon B] en
mw. [persoon C] (hierna: [persoon C] ). Zij helpen betrokkene al lange tijd met haar financiële en niet-financiële zaken en bezoeken haar vaak in het verpleeghuis.
Betrokkene heeft op 31 januari 2020 een levenstestament laten opmaken ten overstaan van notaris C.M. Fokkema-Schute. In dit levenstestament staat dat het de uitdrukkelijke wens van betrokkene is dat zaken conform de in het levenstestament neergelegde bepalingen worden afgewikkeld. [persoon B] en dhr. [persoon D] zijn in het levenstestament aangewezen al medisch gevolmachtigden. Betrokkene heeft geen contact meer met dhr. [persoon D] .
Op 6 oktober 2025 heeft een verpleegkundig specialist van Stichting Laurens onderzoek gedaan naar de cognitie van betrokkene. De conclusie van dit onderzoek is dat betrokkene een uitgebreide neurocognitieve stoornis heeft, waarschijnlijk de ziekte van Alzheimer, met achterdocht en zorgmijdend gedrag. Op 15 december 2025 heeft ook een specialist ouderengeneeskunde van Stichting Humanitas in het kader van een RM-aanvraag de diagnose dementie gesteld. Vervolgens is de RM afgegeven en is betrokkene in het verpleeghuis opgenomen.
Het verzoek strekt tot het instellen van een bewind over de goederen van betrokkene en tot het instellen van een mentorschap ten behoeve van betrokkene.
De casemanager dementie heeft in het verzoek en op de zitting toegelicht dat [persoon B] en
[persoon C] toegang hebben tot de financiën van betrokkene en dat zij zich daar zorgen over maakt. Zo is volgens haar de relatie tussen betrokkene en [persoon B] ernstig verstoord. Betrokkene wantrouwt [persoon B] en geeft aan dat zij van haar steelt. Tijdens huisbezoeken heeft de casemanager herhaaldelijk wederzijdse verbale agressie tussen beiden geobserveerd. Volgens de casemanager staat betrokkene onder druk van [persoon B] . Dat gevoel werd voor haar bevestigd toen ze voor de zitting de kamer van betrokkene binnenkwam en [persoon B] tegen betrokkene hoorde zeggen dat ze moest zeggen dat alles volgens het levenstestament moest gaan. [persoon B] heeft de casemanager in het verleden meerdere keren in paniek opgebeld, omdat zij overbelast was en de zorg voor betrokkene niet meer aankon. Verder vertelde [persoon B] haar eens dat een geldbedrag van € 10.000 uit de kluis van betrokkene was verdwenen, zonder dat hiervan aangifte was gedaan. Tot slot heeft [persoon B] zich verbaal agressief naar de casemanager gedragen.
[persoon B] heeft op de zitting onder andere naar voren gebracht dat zij en [persoon C] het beste met betrokkene voor hebben en haar altijd hebben geholpen. Zij heeft geen financieel voordeel van betrokkene, want na het overlijden van betrokkene gaat alles naar goede doelen. Volgens [persoon B] is betrokkene door haar ziekte naar iedereen toe wantrouwend. De kwestie over het verdwenen geldbedrag speelde jaren geleden, toen betrokkene nog niet leed aan dementie. Ze vermoedt dat betrokkene het geld heeft weggegeven aan goede doelen of mensen in haar omgeving. Zij benadrukt dat betrokkene een levenstestament heeft laten opstellen waarin alles is geregeld en dat het de uitdrukkelijke wens van betrokkene is dat het levenstestament wordt gevolgd. Dat betekent volgens [persoon B] dat zij als wettelijk vertegenwoordiger de belangen van financiële en van niet-financiële aard voor betrokkene moet (blijven) behartigen.
Met betrokkene was op de zitting nauwelijks een gesprek mogelijk, zo is de kantonrechter gebleken. Zij heeft wel gezegd dat zij niet wil dat anderen zich met haar bemoeien, dat zij alles al heeft geregeld en dat [persoon B] voor haar moet zorgen.
Oordeel van de kantonrechter
De vragen die spelen zijn of het instellen van een bewind over de goederen van betrokkene en het instellen van een mentorschap ten behoeve van betrokkene noodzakelijk zijn en zo ja, wie tot bewindvoerder en mentor moet worden benoemd.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:431 BW Pro kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer bezittingen van een meerderjarige. Dit kan voor een bepaalde of onbepaalde tijd als die persoon door zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet goed voor zijn financiële zaken kan zorgen. Daarnaast kan de kantonrechter op grond van artikel 1:450 BW Pro een mentorschap instellen als een meerderjarige door zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet goed voor zijn belangen van niet-financiële aard kan zorgen.
Artikel 1:435 lid 3 BW Pro bepaalt dat de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ten aanzien van het mentorschap kent de wet een soortgelijke bepaling in artikel 1:452 BW Pro.
Het levenstestament
Het standpunt van [persoon B] dat alles (dat wil zeggen de zaken van financiële aard en van niet-financiële aard) al in het levenstestament van betrokkene is geregeld, klopt niet.
In het levenstestament is alleen een medische volmacht opgenomen waarbij [persoon B] als medisch gevolmachtigde is aangewezen. Er is geen algemene of financiële volmacht in het levenstestament opgenomen. Voor de financiën van betrokkene is dus nog geen voorziening getroffen.
Wilsonbekwaamheid betrokkene
Betrokkene kan hier ook geen voorziening meer voor treffen, want uit de stukken blijkt dat zij wilsonbekwaam is. Zowel de verpleegkundig specialist van Stichting Laurens als de specialist ouderengeneeskunde van Stichting Humanitas hebben eind 2025 de diagnose dementie bij betrokkene vastgesteld. Betrokkene is met een RM opgenomen in het ziekenhuis en de kantonrechter heeft op de zitting zelf ervaren dat een gesprek met betrokkene nauwelijks mogelijk was, dat zij de gestelde vragen niet begreep en ook niet in staat was om gericht antwoord te geven op inhoudelijke vragen.
Met betrekking tot het bewind
Noodzaak bewind
Vast staat dat betrokkene wegens haar geestelijke toestand niet in staat haar belangen van financiële aard te behartigen. Hiermee is voldaan aan het de door de wet gestelde criteria voor onderbewindstelling.
De vraag die vervolgens voorligt is wie tot bewindvoerder moet worden benoemd. De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van betrokkene het meest worden gewaarborgd bij benoeming van een professionele bewindvoerder. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Op de zitting vertelde [persoon B] dat zij in januari 2026 in opdracht van betrokkene een bedrag van € 1.000,-- van haar rekening heeft gepind. Dit bedrag was bedoeld voor haar en [persoon C] als dank voor hun hulp aan betrokkene. De diagnose was in oktober 2025 echter al gesteld en uit het verslag van de verpleegkundig specialist van St. Laurens blijkt dat [persoon B] toen zelf heeft opgemerkt dat betrokkene al twee jaar klachten had en dat ten opzichte van een paar maanden geleden het heel erg slecht gaat. Betrokkene was in januari 2026 naar het oordeel van de kantonrechter dus al niet meer in staat om haar wil te bepalen. Het aannemen van een, zeker in verhouding tot het vermogen van betrokkene, groot geldbedrag vindt de kantonrechter niet in het belang van betrokkene. Naar de kantonrechter begrijpt zijn er hiernaast ook nog bedragen door [persoon B] van de rekening van betrokkene afgehaald voor de reis-en parkeerkosten die zij en [persoon C] moeten maken.
Verder heeft [persoon B] aangegeven dat zij het niet ziet zitten om bonnetjes te bewaren van aankopen die zij voor betrokkene doet en dat zij het ook niet nodig vindt om over uitgaven aan iemand verantwoording af te leggen. Volgens haar heeft betrokkene altijd gezegd dat alles in vertrouwen gaat. Dat mag zo zijn, maar dat laat onverlet dat bij het zijn van wettelijk vertegenwoordiger – waarvan [persoon B] kennelijk meende dat zij dat was op basis van het levenstestament – ook de verplichting hoort om transparant te zijn over de financiën van de betrokkene. De casemanager heeft verteld dat zij een aantal keren aan [persoon B] heeft gevraagd naar de financiën van betrokkene en dat [persoon B] daarover geen openheid van zaken wilde geven. Aangezien betrokkene niet meer in staat is om de uitgaven van haar rekening zelf te controleren, was het verzoek van de casemanager aan [persoon B] om meer transparantie te betrachten rondom de geldzaken van betrokkene alleszins redelijk.
De kantonrechter hecht ook waarde aan de indruk van de casemanager over de relatie tussen [persoon B] en betrokkene. Zo vertelde de casemanager op de zitting dat zij meerdere keren heeft waargenomen dat [persoon B] en betrokkene woorden met elkaar hadden en had zij het gevoel had dat betrokkene onder druk stond bij [persoon B] . Dat gevoel werd voor de casemanager bevestigd toen zij [persoon B] voor de zitting op betrokkene hoorde inpraten met woorden met de strekking dat ze moest zeggen dat het levenstestament moet worden gevolgd. Het wantrouwen van betrokkene richting [persoon B] blijkt niet alleen uit de verklaring van de casemanager maar wordt ook bevestigd in het rapport van de verpleegkundig specialist van Laurens van 6 oktober 2025 (
Waarneming: ze spreekt achterdocht uit naar haar vriendin [voornaam persoon B] [kantonrechter: [persoon B] ], beschuldigd haar van stelen).
Ook heeft de casemanager in de stukken benoemd dat [persoon B] haar op een agressieve toon heeft bejegend. Dit komt overeen met de indruk van [persoon B] op de zitting. Ook daar reageerde zij fel en aanvallend op de casemanager. Naar aanleiding van een opmerking van de casemanager, die [persoon B] niet beviel, stond [persoon B] zelfs op en dreigde zij weg te gaan. Deze houding getuigt niet van een coöperatieve instelling. Iets dat wel nodig is bij het zijn van wettelijk vertegenwoordiger op welk gebied dan ook.
Op grond van bovenstaande omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van financiële aard van betrokkene het meeste worden gewaarborgd door een professionele bewindvoerder. Betrokkene heeft op de zitting weliswaar gezegd dat zij wil dat [persoon B] voor haar zorgt, maar voor zover al moet worden aangenomen dat betrokkene hiermee een voorkeur heeft uitgesproken hecht de kantonrechter geen waarde aan die uitlatingen. Dit omdat betrokkene wilsonbekwaam is en ter zitting nauwelijks aanspreekbaar was en op de inhoudelijke vragen van de kantonrechter geen antwoord kon geven.
Tegen de voorgestelde bewindvoerder zijn geen bezwaren gerezen. Daarom zal CasBewindvoering tot bewindvoerder worden benoemd.
Met betrekking tot het mentorschap
Vast staat dat betrokkene wegens haar geestelijke toestand niet in staat haar belangen van niet-financiële aard te behartigen, daarmee is in beginsel voldaan aan het de door de wet gestelde criteria voor het instellen van een mentorschap ten behoeve van betrokkene.
Het uitgangspunt is dat de kantonrechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende volgt. De kantonrechter is echter van oordeel dat er gegronde redenen aanwezig zijn om aan de in het levenstestament en op de zitting geuite voorkeur van betrokkene voorbij te gaan. De kantonrechter verwijst daartoe in de eerste plaats naar de hierboven genoemde omstandigheden. Ook hier geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat betrokkene op de zitting weliswaar heeft gezegd dat zij wil dat [persoon B] voor haar zorgt, maar voor zover al moet worden aangenomen dat betrokkene hiermee een voorkeur heeft uitgesproken hecht de kantonrechter geen waarde aan die uitlatingen. Dit omdat betrokkene wilsonbekwaam is en ter zitting nauwelijks aanspreekbaar was en op de inhoudelijke vragen van de kantonrechter geen antwoord kon geven.
De kantonrechter kent ook veel gewicht toe aan het feit dat [persoon B] op de zitting afwijzend reageerde op het voorstel van de kantonrechter om voor de behartiging van de financiële belangen van betrokkene een professionele bewindvoerder te benoemen en [persoon B] als mentor. [persoon B] merkte op dat zij die verantwoordelijkheid niet wil en zei op felle toon op dat zij “haar handen van betrokkene zou aftrekken” als er een professionele bewindvoerder zou worden benoemd.
De kantonrechter heeft [persoon B] na die opmerking nog voorgehouden dat zij in de veronderstelling was dat zij en betrokkene vriendinnen zijn, maar [persoon B] bleef erbij dat zij geen mentor wil zijn als er een bewindvoerder komt en in dat geval geen bemoeienis meer wil met betrokkene.
Op grond van bovenstaande omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat ook de belangen van niet-financiële aard van betrokkene het meeste worden gewaarborgd door een professionele mentor.
Tegen de voorgestelde mentor zijn geen bezwaren gerezen. Daarom zal CasBewindvoering tot mentor worden benoemd. De medische volmacht komt daarmee te vervallen.
De conclusie van het voorgaande is dat de verzoeken worden toegewezen
C.J. Frikkee Datum: 4 maart 2026
Kantonrechter