Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2316

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
12074603 VV EXPL 26-48
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 RvArt. 430 RvArt. 6:228 lid 2 BWArt. 7:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op ontruiming woning wegens misbruik executiebevoegdheid en belangen minderjarige kinderen

Eisers huren sinds 1 februari 2025 een woning van gedaagde op basis van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 februari 2026. Gedaagde vorderde in kort geding ontruiming wegens huurachterstand en boetes. Partijen sloten op 13 november 2025 een proces-verbaal met afspraken over ontruiming en betaling.

Eisers betwisten de executie van het proces-verbaal en beroepen zich op dwaling vanwege onjuiste advisering door hun advocaat. De kantonrechter oordeelt dat dwaling niet slaagt omdat eisers zich hebben laten bijstaan en eventuele fouten van de advocaat voor hun eigen risico zijn.

Het proces-verbaal geeft gedaagde een executoriale titel tot ontruiming na 31 januari 2026. Hoewel gedaagde bevoegd is tot ontruiming, leidt onmiddellijke executie tot misbruik van bevoegdheid vanwege het belang van de minderjarige kinderen en het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging. Daarom wordt ontruiming tot 1 maart 2026 verboden met een dwangsom, zodat eisers tijd krijgen voor alternatieve huisvesting.

Uitkomst: Ontruiming van de woning wordt tot 1 maart 2026 verboden wegens misbruik van bevoegdheid en belangen van minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12074603 VV EXPL 26-48
datum uitspraak: 3 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: [gemachtigde 2],
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] en [eiser 2] ’ en ‘[gemachtigde 2]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 30 januari 2026, met bijlagen;
  • de mail van de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] met nadere producties;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 2 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser 1] en [eiser 2] , bijgestaan door hun gemachtigde en door hun tolk mevrouw Bierhoff, die hen bijstaat bij het vertalen van het Nederlands naar het Portugees. Tevens waren aanwezig [gedaagde] , bijgestaan door haar gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] huren vanaf 1 februari 2025 de woning aan de [adres] van [gedaagde] . De maandelijkse huurprijs is op dit moment € 1.972,- inclusief huur van meubilair, servicekosten en een voorschot voor gas, water en licht. Het betreft, volgens de tekst van het contract, een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk vanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2026. [gedaagde] heeft bij dagvaarding van 22 oktober 2025 in kort geding gevorderd dat [eiser 1] en [eiser 2] de woning moeten verlaten, een bedrag van € 1.972,- aan achterstallige huur moeten betalen en € 38.759,01 aan boetes. Tijdens de zitting van 13 februari 2025, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] werden bijgestaan door een advocaat, hebben partijen met elkaar afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgesteld in een proces-verbaal.
2.2.
[gedaagde] is voornemens op grond van dit proces-verbaal de woning op 3 februari 2026 gedwongen te ontruimen. [eiser 1] en [eiser 2] willen dit voorkomen en zijn daarom dit executiegeschil begonnen. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is het bovenstaande proces-verbaal niet executabel. Tevens is de schikking volgens hen tot stand gekomen onder invloed van dwaling, nu de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] hen verkeerd heeft ingelicht en hen daarbij ten onrechte heeft aangeraden de schikking te ondertekenen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de schikking daarom buitengerechtelijk vernietigd. Tot slot voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de belangen van hun minderjarige kinderen. [eiser 1] en [eiser 2] eisen in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] verbiedt om over te gaan tot ontruiming van de woning aan de [adres] op basis van het proces-verbaal op straffe van een dwangsom.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] in afgezwakte vorm toe, in die zin dat [gedaagde] tot 1 maart 2026 niet mag ontruimen. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een spoedeisend belang
2.4.
Het spoedeisend belang bij een executiegeschil als dit is een gegeven. De spoedeisendheid is door [gedaagde] ook niet betwist.
Juridisch kader
2.5.
Als uitgangspunt geldt dat [gedaagde] bevoegd is het proces-verbaal ten uitvoer te leggen (zie artikel 89 en Pro 430 Rv), mits een daarin voor tenuitvoerlegging vatbare aanspraak is opgenomen. Zo ja, dan kan schorsing van de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal alleen worden uitgesproken als [gedaagde] door tenuitvoerlegging van het proces-verbaal misbruik zou maken van haar executiebevoegdheid.
Het beroep op dwaling slaagt niet
2.6.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een beroep gedaan op vernietiging van de in het proces-verbaal opgenomen overeenkomst wegens dwaling. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich in de oorspronkelijke kort geding procedure laten bijstaan door een advocaat. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft deze advocaat hen op verschillende essentiële punten verkeerd ingelicht, waardoor zij geen juiste voorstelling van zaken hadden op het moment dat zij akkoord gingen met de schikking. Zo zou de advocaat ten onrechte hebben gesteld dat de huurovereenkomst van [eiser 1] en [eiser 2] van rechtswege zou eindigen. Gelet op de huidige wettelijke regeling van artikel 7:271 BW Pro is dit onjuist. Daarnaast zou hij hebben aangegeven dat tegen het proces-verbaal hoger beroep openstond. Tevens heeft de advocaat [eiser 1] en [eiser 2] onjuist geadviseerd over de te verwachten uitkomst van de oorspronkelijke kortgeding procedure, nu de vordering van [gedaagde] , anders dan hun advocaat zei, hoogstwaarschijnlijk zou zijn afgewezen vanwege een huurachterstand van slechts een maand. Tot slot stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat de advocaat heeft nagelaten de belangen van hun minderjarige kinderen in de procedure naar voren te brengen.
2.7.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat het beroep op dwaling niet slaagt. Vast staat dat [eiser 1] en [eiser 2] zich hebben laten bijstaan door een advocaat. Eventuele misvattingen aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] over hun positie in het kort geding dienen onder die omstandigheden in hun verhouding tot [gedaagde] voor hun eigen rekening en risico te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW Pro). Als hun stellingen over de slechte advisering door hun advocaat juist zijn, is aannemelijk dat die advocaat een beroepsfout heeft gemaakt, maar dat levert in de verhouding tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde] anderzijds geen grond voor vernietiging wegens dwaling op. [eiser 1] en [eiser 2] zijn dus gebonden aan de afspraken die zij met [gedaagde] hebben gemaakt.
Het proces-verbaal van 13 november 2025 biedt [gedaagde] bevoegdheid tot ontruiming
2.8.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben verder aangevoerd dat voor de aangezegde ontruiming op 3 februari 2026 een geldige titel ontbreekt. In het proces-verbaal van 13 november 2025 zijn partijen (onder andere) tot de volgende afspraken gekomen:
“1. De huurovereenkomst tussen partijen eindigt op 31 januari 2026. [eiser 1] en [eiser 2] zullen uiterlijk 31 januari 2026 de woning aan de [adres] te [woonplaats] leeg en ontruimd opleveren aan [gedaagde] onder afgifte van de sleutels.
2. [eiser 1] en [eiser 2] betalen aan [gedaagde] vanaf vandaag de huur voor de maanden december 2025 en januari 2026 op tijd (uiterlijk de laatste van de voorgaande maand). Als [eiser 1] en [eiser 2] de huur niet of te laat betalen, moeten [eiser 1] en [eiser 2] het totale bedrag dat op dat moment openstaat direct in één keer aan [gedaagde] betalen. Over dit bedrag moet dan ook direct wettelijke rente betaald worden.
3. Als [eiser 1] en [eiser 2] de lopende huur niet of te laat betalen, mag [gedaagde] vanaf veertien dagen na betekening van dit proces-verbaal de woning aan de [adres] in [woonplaats] laten ontruimen. [eiser 1] en [eiser 2] betalen vanaf het einde van de huurovereenkomst tot de dag van de ontruiming aan [gedaagde] een vergoeding die net zo hoog is als de huur.”
2.9.
In randnummer 1 van het proces-verbaal is uitdrukkelijk bepaald dat [eiser 1] en [eiser 2] verplicht zijn de woning uiterlijk 31 januari 2026 te ontruimen en aan [gedaagde] op te leveren. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze verplichting met voldoende bepaaldheid in het proces-verbaal omschreven. [1] Onmiskenbaar volgt hier immers uit dat [eiser 1] en [eiser 2] niet het recht hebben de woning na 31 januari 2026 nog te gebruiken. Het proces-verbaal levert daarom een executoriale titel tot ontruiming op voor het geval, zoals hier aan de orde, [eiser 1] en [eiser 2] de woning nu nog bewonen. Anders dan zij menen, doet hier niet aan af dat in randnummer 1 niet met zoveel woorden de bevoegdheid tot ontruiming is genoemd.
2.10.
[gedaagde] heeft de ontruiming doen aanzeggen bij exploot van 8 januari 2026. Zij was bevoegd de ontruiming al lopende de huurovereenkomst aan te zeggen en behoefde daarmee niet te wachten tot na het verstrijken van de einddatum. Vanzelfsprekend mocht zij op de grondslag van het verstrijken van de einddatum van de huurovereenkomst (randnummer 1) niet vóór die einddatum tot ontruiming overgaan, maar dat heeft zij ook niet gedaan. De einddatum is inmiddels immers verstreken.
2.11.
De kantonrechter concludeert daarom dat [gedaagde] in principe bevoegd is het proces-verbaal ten uitvoer te leggen en dus over te gaan tot ontruiming.
2.12.
Uit het voorgaande volgt dat niet beslissend is of [gedaagde] ook tot tenuitvoerlegging mag overgaan omdat [eiser 1] en [eiser 2] hun verplichting tot het tijdig betalen van de huur hebben geschonden. Dat zou alleen van belang zijn geweest als [gedaagde] eerder dan 31 januari 2026 zou hebben willen ontruimen.
2.13.
Overigens is de kantonrechter van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] de huurtermijn over januari niet tijdig hebben betaald, zij het dat zij slechts één dag te laat waren. Anders dan zij hebben bepleit, moet het bepaalde in randnummer 3 van het proces-verbaal in samenhang met randnummer 2 worden gelezen. Daarin is uitdrukkelijk vastgelegd dat onder tijdige betaling moet worden verstaan betaling van de huur “uiterlijk de laatste dag van de voorgaande maand”. Voor de uiterste datum van betaling konden zij dus niet meer terugvallen op de oorspronkelijke bepalingen uit de huurovereenkomst, waaruit volgde dat zij de huur ook nog op de eerste van de maand mochten betalen.
Ontruiming per vandaag levert misbruik van bevoegdheid op
2.14.
In principe is [gedaagde] dus bevoegd om over te gaan tot executie van het proces-verbaal. Alleen als sprake is van misbruik van die bevoegdheid kan de kantonrechter die executie verbieden. Van misbruik van bevoegdheid kan bijvoorbeeld sprake zijn als de tenuitvoerlegging door na de totstandkoming van het proces-verbaal gebleken feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] een noodtoestand zal veroorzaken. Ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat een wezenlijke onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de uitoefening van de executiebevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad.
2.15.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben er destijds, bijgestaan door een advocaat, voor gekozen om akkoord te gaan met de regeling zoals opgenomen in het proces-verbaal. De juridisch-inhoudelijke omstandigheden die zij nu aanvoeren om de executie tegen te houden (de onjuiste voorlichting door hun advocaat over hun positie) liggen in hun risicosfeer en leveren op zichzelf geen noodtoestand op.
2.16.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben in dit executiegeschil verder gewezen op het belang van hun twee minderjarige kinderen (3 en 5 jaar oud). Volgens hen is het belang van de kinderen bij behoud van hun woonplek destijds in het kort geding niet aan de orde gekomen. Dat staat op zichzelf vast. De kantonrechter acht het daarom nodig dat in dit executiegeschil alsnog het belang van de kinderen in de beoordeling wordt betrokken. [2]
2.17.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat hun kinderen lijden onder de onzekerheid van het behoud van hun woonplek. Ook hebben zij gesteld dat het gezin in geval van ontruiming dakloos zal worden. [gedaagde] heeft dit betwist. Concreet is dit debat niet geworden, zodat de kantonrechter het risico dat de kinderen na ontruiming daadwerkelijk op straat komen te staan niet kan uitsluiten. Een nader onderzoek is in dit geding niet mogelijk, omdat [gedaagde] vasthoudt aan het doorgaan van de executie later vandaag.
2.18.
Het onverkort doorzetten van die executie per vandaag leidt in deze omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter tot misbruik van bevoegdheid, omdat sprake is van een onevenredigheid tussen het belang bij die onmiddellijke executie en het belang dat daardoor wordt geschaad. Het belang van de kinderen is tot nu toe buiten beschouwing gebleven, terwijl een deugdelijke weging van dat belang nu niet kan plaatsvinden. Dit vergt dat een pas op de plaats wordt gemaakt. Hier tegenover staat het gerechtvaardigde belang van [gedaagde] om weer de beschikking over haar woning te krijgen. Daarbij is van belang dat zij, zoals zij heeft aangevoerd, een particuliere verhuurder is die haar eigen woning tijdelijk heeft willen verhuren en deze vanwege persoonlijke omstandigheden nu weer nodig heeft om zelf te gaan bewonen. Daarom behoort het respijt voor [eiser 1] en [eiser 2] niet langer te duren dan redelijkerwijs noodzakelijk. Alles bij elkaar brengt dit mee dat de bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan tijdelijk wordt opgeschort, zodanig dat [eiser 1] en [eiser 2] nog enkele weken langer de tijd hebben om met hun kinderen onderdak te vinden. Na ommekomst van die – beperkte – periode is [gedaagde] dan bij ongewijzigde omstandigheden alsnog bevoegd ontruiming af te dwingen. Het spreekt vanzelf dat [eiser 1] en [eiser 2] tot hun vertrek uit de woning verplicht zijn de overeengekomen gebruiksvergoeding te betalen. Vast staat overigens dat zij die vergoeding over de lopende maand al hebben betaald.
2.19.
De kantonrechter zal de vordering daarom in zoverre toewijzen dat het [gedaagde] wordt verboden het proces-verbaal tot 1 maart 2026 ten uitvoer te leggen. Hieraan zal een dwangsom worden verbonden.
De proceskosten worden gecompenseerd (partijen dragen hun eigen kosten)
2.20.
Beide partijen krijgen deels ongelijk. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verbiedt [gedaagde] tot 1 maart 2026 over te gaan tot ontruiming van de woning aan de [adres] te [woonplaats] op basis van het proces-verbaal van de zitting van 13 november 2025, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 als zij niet aan dit verbod voldoet;
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.
64362

Voetnoten

1.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1807.
2.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1877.