Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2383

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
12056817 VV EXPL 26-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a lid 1 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis wegens feitelijke misslag huurachterstand

In deze zaak huurt eiser een bedrijfspand van gedaagde sinds januari 2020 voor vijf jaar. Gedaagde vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens een vermeende huurachterstand van acht maanden. De huurachterstand werd vlak voor de zitting betaald, waarna de vordering tot betaling werd ingetrokken.

De kantonrechter wees op 14 november 2025 het vonnis toe tot ontbinding en ontruiming, dat uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Eiser startte een executiegeschil om de ontruiming te voorkomen, stellende dat het vonnis berust op een evidente feitelijke misslag, omdat de huurachterstand in werkelijkheid vijf maanden bedroeg in plaats van acht.

De kantonrechter constateerde dat de dagvaarding onjuist was en dat de feitelijke situatie op de zitting anders was dan in het vonnis vermeld. Omdat de volledige huurachterstand inmiddels was ingelopen, achtte de kantonrechter het verschil tussen vijf en acht maanden substantieel genoeg om de tenuitvoerlegging te schorsen tot het hoger beroep is beslist.

Gedaagde's verweer dat de ontbinding ook bij vijf maanden huurachterstand zou zijn toegewezen, werd verworpen. De kantonrechter veroordeelde gedaagde in de proceskosten en verklaarde de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter schorst de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wegens een feitelijke misslag tot het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12056817 VV EXPL 26-25
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 19 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
vestigingsplaats: Bergschenhoek,
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Boeters,
tegen
[gedaagde] Vastgoed B.V.,
vestigingsplaats: Bleiswijk,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.A.A. Voermans.
De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
De kantonrechter is mr. C. J. Frikkee en de griffier is mr. M. Groot.
Aanwezig zijn:
  • De heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , bijgestaan door hun gemachtigde, mr. W. Boeters;
  • De heer [gedaagde] , bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H.A.A. Voermans;

1.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
1.1.
[eiser] huurt vanaf 1 januari 2020 een bedrijfspand van [gedaagde] aan de [adres] te Bergschenhoek. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar. Volgens [gedaagde] had [eiser] een huurachterstand van acht maanden laten ontstaan. Daarom heeft [gedaagde] bij dagvaarding de kantonrechter (onder meer) verzocht om de huurovereenkomst te ontbinden en [eiser] te veroordelen de bedrijfsruimte te ontruimen. De huurachterstand is door [eiser] vlak voor de zitting betaald. Daarom heeft [gedaagde] haar vordering tot betaling van de huurachterstand op de zitting van 14 oktober 2025 ingetrokken. De kantonrechter heeft de eis van [gedaagde] ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de bedrijfsruimte toegewezen in het vonnis van 14 november 2025 met zaaknummer 11523282 CV EXPL 25-2297 (hierna: het vonnis).
1.2.
[gedaagde] is voornemens de woning op 20 januari 2026 te ontruimen. [eiser] wil dit voorkomen en is daarom dit executiegeschil begonnen. Volgens [eiser] zou [gedaagde] misbruik maken van haar bevoegdheid indien zij het vonnis zou executeren, nu het vonnis volgens [eiser] berust op evidente feitelijke en juridische misslagen. Ook voert [eiser] aan dat het belang van [eiser] bij het schorsen van de executie groter is dan het belang van [gedaagde] bij het ontruimen van de bedrijfsruimte.
1.3.
De kantonrechter schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het juridisch kader in dit executiegeschil
1.4.
[eiser] is in het vonnis van 14 november 2025 veroordeeld om de bedrijfsruimte te ontruimen. Vast staat dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is. [eiser] heeft aangegeven dat zij op 14 januari 2026 in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof Den Haag. In het vonnis van 14 november 2025 is gemotiveerd waarom het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Dat betekent dat slechts de schorsing van de executie kan worden toegewezen in de volgende gevallen: (a) in het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, (b) nieuwe feiten of omstandigheden die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen. [1]
De kantonrechter schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis
1.5.
[eiser] heeft onder meer aangevoerd dat het vonnis berust op een evidente feitelijke misslag. Volgens [eiser] was geen sprake van een huurachterstand van acht maanden, zoals in het vonnis van 14 november staat. Ter zitting is inderdaad gebleken dat dit een huurachterstand van vijf maanden betrof. Deze feitelijke misslag heeft kunnen plaatsvinden omdat in de dagvaarding in de bodem procedure ten onrechte is aangevoerd dat sprake was van een huurachterstand van acht maanden, terwijl uit de specificatie van de huurachterstand in diezelfde dagvaarding blijkt dat het ten tijde van dagvaarden een achterstand van vijf maanden betrof (berekend tot eind januari 2025). Uit het vonnis in eerste aanleg blijkt niet dat daarover enig debat is geweest, zodat de kantonrechter ervan uit gaat dat de kantonrechter in het vonnis van 14 november is uitgegaan van de juistheid van deze stelling in de dagvaarding. In januari 2025 is na dagvaarding nog een maand huur door [eiser] voldaan. Verder had [eiser] op moment van mondelinge behandeling de volledige huurachterstand ingelopen, zie rechtsoverweging 1.3. Er was toen een voorstand van € 75,-. Deze feitelijke misslag rechtvaardigt de gevraagde schorsing van de executie tot in hoger beroep is beslist.
1.6.
Het verweer van gedaagde dat ook als de kantonrechter zou zijn uitgegaan van een huurachterstand van vijf maanden, de ontbinding en ontruiming zou zijn toegewezen, en om die reden geen sprake is van een kennelijke misslag, slaagt niet. De kantonrechter vindt het verschil tussen vijf en acht maanden huurachterstand, in combinatie met het feit dat de volledige huurachterstand was ingelopen kort na de dagvaarding in de bodemprocedure, zodanig groot dat denkbaar is dat de ontbinding en ontruiming zou zijn afgewezen, gelet op de grote belangen van [eiser] bij behoud van hun bedrijfsruimte, gezien hun lopende onderneming.
1.7.
Het voorgaande betekent dat de primaire eis van [eiser] wordt toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst tot dat het Gerechtshof Den Haag in het hoger beroep heeft beslist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
1.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 128,65 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 945,65. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend.
Deze uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad
1.9.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat deze uitspraak meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verbiedt [gedaagde] om het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 14 november 2025 met zaaknummer 11523282 CV EXPL 25-2297 ten uitvoer te leggen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep;
2.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 945,65;
2.3.
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
Dit proces-verbaal is op 19 januari 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026