Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2399

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
11813056 CV EXPL 25-16250
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 3:53 BWArt. 6:119 BWArt. 7:650 BWArt. 7:653 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming concurrentiebeding en vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens misbruik omstandigheden

De zaak betreft een arbeidsconflict tussen een arbeidsbemiddelingsbureau en een voormalige werknemer, die als projectconsultant werkte. De werknemer had een concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding in zijn arbeidsovereenkomst. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst sloten partijen een vaststellingsovereenkomst (VSO) waarin boetes en verrekeningen werden geregeld.

De werknemer stelde dat de VSO onder druk en misbruik van omstandigheden tot stand was gekomen en vernietigde deze op grond van artikel 3:44 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat de werkgever onzorgvuldig handelde door de werknemer rechtstreeks te benaderen terwijl diens advocaat zich had gemeld, en dat daardoor sprake was van misbruik van omstandigheden. De VSO werd vernietigd met terugwerkende kracht.

De primaire vorderingen van de werkgever op grond van de VSO en boetes wegens overtreding van het concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding werden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en omdat het nevenwerkzaamhedenbeding nietig werd verklaard wegens strijd met artikel 7:653a BW.

De werknemer vorderde achterstallig salaris, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en schadevergoeding. De rechtbank wees de salarisvordering af wegens onvoldoende bewijs van een afspraak over minder uren en omdat de werknemer zelf nevenwerkzaamheden verrichtte. Wel werd de werkgever veroordeeld tot betaling van vakantiegeld, eindejaarsuitkering en een beperkte vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank veroordeelde de werknemer tot nakoming van het concurrentiebeding tot 1 april 2026, maar wees de gevorderde dwangsom af. Proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vaststellingsovereenkomst vernietigd wegens misbruik van omstandigheden; nakoming concurrentiebeding toegewezen tot 1 april 2026; betaling vakantiegeld, eindejaarsuitkering en kosten aan werknemer; overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11813056 CV EXPL 25-16250
datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] B.V.,
vestigingsplaats: Capelle aan den IJssel,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. B.J. Bongaards,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. M. van Zeijderveld .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 juli 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie en de wijziging van eis in conventie, met bijlagen.
1.2.
Op 22 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De feiten

2.1.
[eiser] houdt zich bezig met arbeidsbemiddeling. Vanaf 1 september 2022 is [gedaagde] bij haar gaan werken als Projectconsultant voor 36 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is in respectievelijk artikel 8 en Pro 11 een concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. Daarin staat:
‘8.1 Zonder expliciete, schriftelijke toestemming van [eiser] , is de Werknemer gehouden de
onderneming van [eiser] geen concurrentie aan te doen. Het is de Werknemer niet
toegestaan voor een periode van 12 maanden na afloop van het arbeidscontract:
• op enigerlei wijze werk te verrichten, te participeren of bij te dragen aan enigerlei vorm van activiteiten die zich bezighouden met of betrokken zijn bij activiteiten die lijken op of gelijk zijn aan de bedrijfsactiviteiten van [eiser] , zowel direct als indirect, of
(...)
• indirect via derden de werkzaamheden voort te zeten bij de Opdrachtgever en/of bij de organisatie waar de werkzaamheden zijn uitgevoerd.
8.2
[eiser] heeft zwaarwegende bedrijfsbelangen om dit concurrentiebeding ook in een tijdelijke arbeidsovereenkomst op te nemen. Die belangen bestaan hieruit dat [eiser] actief is in een competitieve en innoverende markt met grote investeringen en een zorgvuldig opgebouwd bedrijfsdebiet met directe en indirecte concurrenten die specifiek belang kunnen hebben bij de door de Werknemer opgedane kennis en contacten.
8.3
Indien de Werknemer in strijd met zijn/haar verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in lid 1 van dit artikel handelt, zal hij/zij in afwijking van artikel 7:650 lid Pro 3, 4 en 5 aan [eiser] , zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een boete verbeuren ten bedrage van € 5.000 euro te vermeerderen met € 500 euro voor elke dag dat de overtreding voortduurt na mededeling van [eiser] aan de Werknemer dat deze in strijd met zijn/haar verplichtingen van het bepaalde in lid 1 van dit artikel handelt. In plaats daarvan is [eiser] gerechtigd om volledige schadevergoeding te vorderen.
11.1
De werknemer zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] geen andere gehonoreerde werkzaamheden of tijdrovende niet gehonoreerde werkzaamheden gelijk aan de werkzaamheden verricht gedurende de Projectinzet, bij gelijksoortige bedrijven als [eiser] aanvaarden en zich onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. [eiser] zal het schriftelijke verzoek tot toestemming verlenen tenzij er redelijke (bedrijfsbelangen tegen toewijzing van het verzoek aanwezig zijn.
11.2
[eiser] zal in het voorgaande lid de nevenwerkzaamheden beoordelen op;
o Mogelijkheid tot het voorzien van belangenverstrengeling
o Concurrerend, gelijk aan of vergelijkbaar zijn met de voor [eiser] en met haar gelieerde partijen en/of relaties te verrichten werkzaamheden;
o In strijd met de naleving van de Arbeidstijenwet;
Zulks ter beoordeling van [eiser] . Naar het oordeel en ter distretie van [eiser] kan [eiser] besluiten de beperken of verbieden.
11.3
Indien de Werknemer in strijd met zijn/haar verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in lid 1 van dit artikel handelt, zal hij/zij in afwijking van artikel 7:650 lid Pro 3, 4 en 5 BW aan [eiser] , zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een boete verbeuren ten bedrage van € 1.000 euro te vermeerderen met € 250 voor elke dag dat de overtreding voortduurt na mededeling van [eiser] aan de Werknemer dat deze in strijd met zijn/haar verplichtingen van het bepaalde in lid 1 van dit artikel handelt. In plaats daarvan is [eiser] gerechtigd om volledige schadevergoeding te vorderen.’
2.2.
In een brief van 13 februari 2025 aan [eiser] heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst opgezegd, met een opzegtermijn van een maand.
2.3.
Op 7 maart 2025 stuurt de gemachtigde van [gedaagde] de volgende mail aan [eiser] :
‘(…)Van cliënt heb ik vernomen dat u een bedrag ter hoogte van €800.000,00 vordert in verband met contractuele boetes die cliënt op grond van overtreding van zowel het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen nevenwerkzaamheden als non-concurrentiebeding verschuldigd zou zijn. In dat kader verzoekt u cliënt een regeling met u te treffen waarbij cliënt maandelijks een bedrag van € 5.000,00 dan wel € 4.000,00 netto in verband met de vermeende overtredingen aan [eiser] betaalt. Daarbij hebt u hem de optie gegeven de resterende opdrachten af te ronden met een looptijd tot na 1 april a.s., teneinde de gevorderde boete met € 300.000,00 te verlagen.
Alvorens het dossier ten volle te hebben bestudeerd en inhoudelijk op uw vordering te kunnen ingaan, betwist ik voorshands namens cliënt dat hij de door u gevorderde boetes verschuldigd is. U stelt in uw e-mail dat cliënt zowel op grond van overtreding van het nevenwerkzaamheden- als van het non-concurrentiebeding boetes aan uw bedrijf verschuldigd zou zijn. Deze stelling is reeds onjuist op grond van het feit dat het non-concurrentiebeding pas in werking treedt nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Cliënt heeft de arbeidsovereenkomst weliswaar op 2 april 2024 eenzijdig opgezegd, doch nadien hebben partijen feitelijk geen uitvoering aan deze opzegging gegeven en is de arbeidsovereenkomst daardoor niet geëindigd. Aldus is cliënt bij u in dienst gebleven en kan een eventuele boete op grond van het non-concurrentiebeding thans niet verschuldigd zijn.
Daarnaast betwist ik namens cliënt de hoogte van de boetes, nu de hoogte ervan onbegrijpelijk is. De verlaging van de boete met drie ton door middel van afronding van de resterende opdrachten roept in dat kader vragen op over de contractuele berekening van het bedrag. Daarnaast is de door u verzochte betalingsregeling onrealistisch. U verzoekt dat cliënt maandelijks netto €4.000,00 dan wel €5.000,00 aan u overmaakt. Behalve dat cliënt geen 'netto' bedrag aan u kan overmaken, immers kan dat slechts bij betalingen aan een werknemer bij een arbeidsrelatie, verdient cliënt € 4.600,00 bruto bij uw bedrijf. Hoe u verwacht dat cliënt aan de door u gewenste betalingsregeling kan voldoen is volstrekt onduidelijk.
Graag ontvang ik van u dan ook uiterlijk vrijdag 14 maart 2025 een detailleerde opbouw van de door u berekende hoogte van de boete. Verder verzoek ik u vriendelijk al het niet-werkgerelateerde contact met cliënt uitsluitend via mij te laten verlopen.(…)’
2.4.
Partijen hebben op 10 maart 2025 een vaststellingsovereenkomst (VSO) getekend.
Daarin staat onder andere:
‘(…)
B. dat werknemer met zijn brief van 13 februari 2025 zijn arbeidsovereenkomst (…) heeft opgezegd als gevolg waarvan deze eindigt op 31 maart 2025 (…),
C. dat werknemer uit hoofde van de arbeidsovereenkomst boetes verschuldigd is aan werkgever en dat partijen in deze overeenkomst hebben vastgelegd hoe deze in de komende periode worden verrekend met de aanspraken van werknemer;
(…)
2.1.
Werknemer is een bedrag aan boetes verschuldigd aan werkgever van vijfenzeventigduizend euro. Partijen komen overeen dat werknemer € 50.000,- van dit bedrag in één keer betaald, indien mogelijk. Daarnaast zal werkgever verrekenen met al hetgeen werknemer nog te vorderen heeft uit hoofde van de eindafrekening. Dit zal erop neer komen dat geen uitbetaling van vakantiegeld, vakantiedagen of eindejaarsuitkering zal plaatsvinden. Werknemer doet afstand van zijn eventuele rechten terzake.
2.2.
Werkgever behoudt het recht om salarissen terug te vorderen die zijn uitbetaald vanaf april 2024, indien deze onterecht zijn uitbetaald of niet in overeenstemming zijn met de arbeidsovereenkomst.
2.3.
Het resterende bedrag wordt door werknemer in maandelijkse termijnen van € 3.000,- netto voldaan. De eerste betaling vindt plaats uiterlijk op de laatste dag van april 2025.
2.4.
Bij betalingsachterstand heeft werkgever het recht een rentepercentage van (bijv. 2%) per maand in rekening te brengen.(…)’
2.5.
In een mail van 20 maart 2025 aan [eiser] bericht de gemachtigde van [gedaagde] het volgende:

Op 7 maart jl. heeft mijn kantoorgenoot, de heer [naam] , u een mail verstuurd met het
verzoek hem uiterlijk vrijdag 14 maart 2025 een detailleerde opbouw van de door u berekende
hoogte van de boete te doen toekomen. Ook heeft hij u verzocht al het niet-werkgerelateerde
contact met cliënt uitsluitend via hem te laten verlopen. In plaats van aan de verzoeken van mijn
kantoorgenoot te voldoen, hebt u cliënt toch rechtstreeks benadert en hebt u hem ten onrechte
onder druk gezet om een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Dit getuigt niet van goed
werkgeverschap. Deze overeenkomst is door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen.
Namens cliënt vernietig ik deze overeenkomst dan ook op grond van artikel 3:44 BW Pro. Subsidiair
ontbind ik deze met een beroep op de bedenktermijn als bedoeld in artikel 7:670b lid 2 BW.(…)

3.Het geschil

3.1.
[eiser] eist (na wijziging), kort gezegd, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 64.343,54 op grond van de VSO en € 226.500,- vanwege schending van het concurrentiebeding dan wel € 18.000,- vanwege schending van het nevenwerkzaamhedenbeding en, subsidiair, tot betaling van € 1.043.000 vanwege schending van het concurrentiebeding dan wel € 387.000,- vanwege schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. [gedaagde] is het hiermee niet eens en eist zelf, kort gezegd, [eiser] te veroordelen tot betaling van € 35.348, 23 aan achterstallig salaris, met wettelijke verhoging en rente, € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 1.378,48 aan buitengerechtelijke kosten.

4.De beoordeling

In conventie
VSO
4.1.
[eiser] baseert haar vordering primair op nakoming van de VSO. Volgens haar heeft [gedaagde] niet aan zijn verplichtingen voldaan, zoals overeengekomen. [eiser] maakt aanspraak op € 64.343,54. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Hij stelt echter dat de VSO in de mail van op 20 maart 2025, die hierboven is weergegeven, terecht is vernietigd vanwege misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Daarbij is gewezen op het hoge en, gelet op het loonniveau van [gedaagde] , onrealistische bedrag dat in de VSO is opgenomen en op het feit dat [eiser] , die wist dat [gedaagde] een advocaat had, dit heeft genegeerd en hem direct heeft benaderd en onder druk heeft gezet om zo snel mogelijk te tekenen. [eiser] ziet dit anders.
4.2.
Geoordeeld wordt dat terecht een beroep is gedaan op vernietiging vanwege misbruik van omstandigheden. Dat [gedaagde] onder druk heeft moeten tekenen, is weersproken en kan ook niet zonder meer wordt vastgesteld. Uit de mail die hij na het tekenen heeft gestuurd aan [eiser] met vragen over de VSO is dat niet op te maken. Van een zorgvuldig handelend werkgever had echter tenminste mogen worden verwacht dat de advocaat van [gedaagde] geïnformeerd was over het voornemen om de VSO te sluiten. Op 7 maart 2025 heeft de advocaat zich per mail namens [gedaagde] gemeld en vanaf toen was [eiser] dus bekend met zijn betrokkenheid. Hierbij komt dat in die mail de verschuldigdheid van de boetes, die het onderwerp zijn van de VSO, worden betwist en dat wordt gevraagd om een specificatie van de gestelde hoogte van die boetes. Om hierop vervolgens niet te reageren, maar wel met [gedaagde] zelf in gesprek te gaan over de VSO en deze te laten tekenen, is zodanig in strijd met goed werkgeverschap dat daarmee de misbruik van omstandigheden is gegeven. Door deze manier van handelen valt namelijk niet in te zien dat en in hoeverre [eiser] rekening heeft gehouden met de belangen van [gedaagde] . Dat hij in de VSO afstand heeft gedaan van eventuele rechten die hem toe zouden komen, wijst daar in ieder geval niet op. Het feit dat [gedaagde] jurist is, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat dat geen verschil maakt voor afhankelijkheidsverhouding die er tussen een werkgever en een werknemer bestaat. [eiser] heeft verder aangevoerd dat het boetebedrag in de VSO aanzienlijk lager is dan het daadwerkelijke boetebedrag dat [gedaagde] op grond van de arbeidsovereenkomst verschuldigd zou zijn. Dit kan haar alleen al niet baten, omdat zij daarbij ten onrechte kennelijk ervan uit gaat dat die verschuldigdheid en de hoogte van de boetes vaststonden tussen partijen. Met de mail van de advocaat van [gedaagde] was haar echter al duidelijk gemaakt dat daarvan geen sprake was.
4.3.
De conclusie is dan ook dat door de mail van 20 maart 2025 van de advocaat van [gedaagde] de VSO op goede gronden is vernietigd vanwege misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Omdat vernietiging terugwerkende kracht heeft (artikel 3:53 lid 1 BW Pro), staat vast dat de VSO nooit heeft bestaan en dat de gevolgen daarvan ongedaan gemaakt moeten worden. Voor deze vordering, die op de VSO is gebaseerd, betekent het dat die wordt afgewezen vanwege het ontbreken van enige grondslag.
Concurrentiebeding
4.4.
Gelet op de vernietiging van de VSO kunnen de overige primaire vorderingen van [eiser] onbesproken blijven, omdat die uitsluitend zien op boetes vanwege overtredingen van het concurrentie- of nevenwerkzaamhedenbeding door [gedaagde] na de datum van het tekenen van de VSO. Die periode en boetes maken namelijk ook deel uit van dat wat subsidiair is gevorderd. Aan die vordering tot betaling van meer dan een € 1.000.000,- is ten grondslag gelegd dat [gedaagde] vanaf 2 april 2024 tot en met 31 juli 2025 via concurrenten bij verschillende opdrachtgevers heeft gewerkt en dat hij daardoor het concurrentiebeding heeft overtreden en de overeengekomen boetes is verschuldigd. De onderbouwing van wanneer [gedaagde] bij welke opdrachtgever via welke concurrent heeft gewerkt, bestaat uit een transcript van twee gesprekken tussen (drie personen van) [eiser] en [gedaagde] in februari 2025. Volgens [eiser] blijkt daaruit dat [gedaagde] de overtredingen heeft erkend. Enige nadere concretisering waar dat dan in het transcript van een aanzienlijk aantal pagina’s zou zijn te vinden, is niet gegeven. Ook is onduidelijk gebleven waar alle data op zijn gebaseerd. Het zou namelijk gaan om overtredingen over verschillende periodes bij zeven of acht opdrachtgevers. Of en op welke wijze [gedaagde] dit allemaal zo concreet heeft bevestigd, is niet toegelicht. Voor de gestelde overtredingen van de periode na genoemde gesprekken ontbreekt zelfs iedere onderbouwing. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [eiser] , die nogal wat vordert van [gedaagde] , heeft voldaan aan haar stelplicht. Op zitting is nog gezegd dat zij de informatie heeft gekregen van de tussenpersonen bij de brokers. Als dat zo is dan had zij dat moeten inbrengen als onderbouwing. Daarvoor is meer dan voldoende gelegenheid geweest. In dit stadium van de procedure wordt echter geen aanleiding gezien die ruimte nog te bieden. Deze vordering wordt afgewezen.
Nevenwerkzaamhedenbeding
4.5.
De subsidiaire variant van haar (subsidiaire) vordering baseert [eiser] op het nevenwerkzaamhedenbeding. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat dat beding nietig is op grond van artikel 7:653a BW; ‘
Een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, is nietig, tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden.’ Een dergelijke reden heeft [eiser] volgens [gedaagde] niet. [eiser] weerspreekt dat. Zij stelt dat haar belangen liggen bij het voorkomen van strijd met de Arbeidstijdenwet en bij de omstandigheid dat het nevenwerk niet alleen tijdens werktijd van [eiser] werd verricht maar ook concurrerend was.
4.6.
De vraag is of die belangen zodanig zwaarwegend zijn dat het nevenwerkzaamhedenbeding doelmatig en proportioneel is om deze te beschermen. Hierbij moet het belang van [gedaagde] worden meegenomen. Vast staat dat hij nevenwerk is gaan doen tijdens de maanden dat hij bij [eiser] minder uren dan de overeengekomen 36 kon werken omdat er geen of te weinig opdrachten waren. Ook staat vast dat [eiser] [gedaagde] in de maanden april 2024 tot en met maart 2025 (veel) minder uren heeft betaald dan was overeengekomen. Dat is volgens [eiser] met [gedaagde] afgesproken. [gedaagde] heeft dit betwist en die afspraak is ook niet vastgelegd terwijl dat zonder meer van een goed werkgever had mogen verwacht bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Wat daarvan ook zij, het bewust in strijd met de arbeidsovereenkomst te weinig betalen van een werknemer die vervolgens de uren gaat aanvullen met nevenwerk wijst niet op een werkgever die een zwaarwegend belang had bij een verbod op dat nevenwerk. Sterker nog, [eiser] heeft er zelfs baat bij gehad; minder salaris betalen én aanspraak op boetes. Uit deze houding van [eiser] kan bezwaarlijk worden geconcludeerd dat zij een objectief gerechtvaardigd belang had en heeft bij het nevenwerkzaamhedenbeding. Geoordeeld wordt daarom dat de hoofdregel van artikel 7:653a BW van toepassing is en dat het beding dus nietig is. Dit betekent dat voor de daarop gebaseerde vordering de grondslag ontbreekt. Deze wordt dan ook afgewezen.
Nakoming concurrentiebeding
4.7.
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het concurrentiebeding, op straffe van een dwangsom. Als verweer is onder andere aangevoerd dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij bij handhaving van het beding een zwaarwegend belang heeft. Dat kan zo zijn, maar [gedaagde] verbindt daaraan niet het rechtsgevolg van artikel 7:653 lid 3 BW Pro, namelijk het vorderen van de vernietiging van het beding. Verder is betoogd dat [eiser] op grond van artikel 7:653 lid 4 BW Pro geen beroep toekomt op het beding. In dat artikel staat dat de werkgever daaraan geen rechten kan ontlenen, ‘
indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.’ Deze situatie doet zich volgens [gedaagde] voor omdat [eiser] hem door het betalen van te weinig salaris en vervolgens aanspraak maken op hoge boetes vanwege nevenwerk zodanig onder druk heeft gezet dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd. [eiser] wijst erop dat [gedaagde] zelf heeft opgezegd en dat van onder druk zetten geen sprake was.
4.8.
Omdat de VSO is vernietigd, moet voor de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, worden gekeken naar de opzegging van [gedaagde] van 13 februari 2025. In die brief staat onder andere: ‘
De afgelopen dagen is er veel gebeurd en heeft bij mij wederom grote spanningen teweeggebracht, wat volgens mij nog steeds niet nodig zou zijn geweest. De persoonlijke verhoudingen zijn daardoor helaas ook beschadigd geraakt en ik denk inmiddels teveel beschadigd.’ Vervolgens schrijft [gedaagde] dat hij een aanbod van een opdrachtgever heeft gekregen, dat hij daarvan gebruik maakt en dat hij daarom opzegt. Met deze opzegging heeft [eiser] ingestemd. Op basis van de opzeggingsbrief kan niet worden vastgesteld dat de reden van de opzegging samenhing met zodanig handelen of nalaten van [eiser] dat als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Duidelijk is wel dat er het een en ander aan vooraf is gegaan, maar wat dat is en aan wie dat te wijten zou zijn geweest, is niet of te weinig concreet geworden. Niet is daarom komen vast te staan dat de situatie als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW Pro zich voordoet. Dat verweer wordt dus verworpen.
4.9.
Voor het overige betwist [gedaagde] de gestelde overtredingen van het beding en bepleit, als deze wel komen vast te staan, matiging van de boete. Ook deze verweren worden verworpen, omdat niet valt in te zien dat en waarom die van belang zijn voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde] het beding moet nakomen, zoals gevorderd. Omdat geen van de verweren slaagt, is de conclusie dat deze vordering van [eiser] wordt toegewezen, behalve wat betreft de gevorderde dwangsom. Het beding voorziet namelijk al in een prikkel tot nakoming door de daarin opgenomen boetebepaling. Volgens [eiser] blijkt uit het meermaals overtreden van het beding dat die boetebepaling kennelijk niet een voldoende afschrikwekkende werking heeft. Maar dit gaat alleen al niet op, omdat niet is vastgesteld dat er sprake is van overtredingen van het beding. Verder wordt aanleiding gezien om in de beslissing op te nemen tot en met welke datum het beding moet worden nagekomen, zodat daarover geen onduidelijkheid kan ontstaan tussen partijen. Bij het bepalen van die datum wordt uitgegaan van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst. En hoewel partijen het daarover ook niet eens lijken te zijn, wordt ervan uitgegaan dat per 1 april 2025 de arbeidsovereenkomst is geëindigd, namelijk opzegging op 13 februari 2025 met een opzegtermijn van een maand. [gedaagde] moet zich dus tot en met 31 maart 2026 houden aan het beding.
In reconventie
Salaris
4.10.
[gedaagde] vordert betaling van achterstallig salaris over april 2024 tot en met maart 2025, omdat hij over die periode minder heeft ontvangen dan overeengekomen. Partijen zijn het daarover eens. Volgens [eiser] was dat echter met elkaar afgesproken, omdat [gedaagde] minder kon worden ingezet bij opdrachtgevers. Zoals al eerder overwogen, kan het bestaan van die afspraak niet worden vastgesteld. Dit betekent in beginsel dat [eiser] verplicht was en is om het volledige, overeengekomen salaris aan [gedaagde] te betalen. Wat echter vast staat is dat [gedaagde] de uren die hij niet bij opdrachtgevers van [eiser] kon maken met nevenwerk is gaan aanvullen via andere aanbieders en dat hij nooit op een eerder moment bij [eiser] aanspraak heeft gemaakt op zijn volledige salaris. Hieruit wordt afgeleid dat [gedaagde] zelf de keuze heeft gemaakt zijn inkomen aan te vullen door middel van nevenwerkzaamheden. Verder heeft hij op zitting gezegd dat hij op die manier ook wel meer uren maakte dan 36 per week. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij nog aanspraak maakt op betaling van achterstallig salaris. De vordering wordt dus afgewezen.
April 2025
4.11.
Volgens [gedaagde] heeft hij in april 2025 nog gewerkt bij een opdrachtgever van [eiser] , maar daarvoor geen salaris ontvangen en dat wil hij alsnog hebben. [eiser] heeft dit betwist en erop gewezen dat door de opzegging van [gedaagde] de arbeidsovereenkomst per 1 april 2025 is geëindigd. Hierboven is al vastgesteld dat dit laatste klopt. Dat daarna toch zou zijn doorgewerkt, heeft [gedaagde] verder niet geconcretiseerd, terwijl dat wel van hem had mogen worden verwacht. Niet is dan ook komen vast te staan dat hij in april 2025 uren heeft gewerkt, laat staan uren die voor rekening van [eiser] zouden moeten komen. Ook deze vordering wordt afgewezen.
Vakantiedagen
4.12.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] in oktober en november 2024 ten onrechte in totaal 100 vakantie-uren heeft afgeboekt. Omdat voor deze (betwiste) vordering geen enkele onderbouwing is gegeven, kan niet worden gezegd dat is voldaan aan de stelplicht. Deze vordering wordt daarom eveneens afgewezen.
Eindejaarsuitkering
4.13.
Bij de eindafrekening heeft [eiser] volgens [gedaagde] ten onrechte het vakantiegeld van € 2.429,30 en de eindejaarsuitkering van € 867,93 verrekend. Hij vordert daarom betaling daarvan. [eiser] heeft de verrekening niet betwist. Deze bevoegdheid had zij, zo is gesteld, op grond van de VSO dan wel vanwege dat wat [gedaagde] aan haar verschuldigd was. Dit kan geen stand houden. Geoordeeld is namelijk dat de VSO terecht is vernietigd en dat wat op basis daarvan is uitgevoerd dus ongedaan gemaakt moet worden. En dat [gedaagde] , de VSO weggedacht, nog wat aan [eiser] verschuldigd zou zijn, is, gelet op wat hiervoor is geoordeeld, niet komen vast te staan. De conclusie is dan ook dat zij een totaalbedrag van € 3.297,23 bruto aan [gedaagde] moet betalen.
Wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke kosten
4.14.
Voor zover over het hiervoor genoemde bedrag de wettelijke verhoging is gevorderd, wordt die gematigd tot nihil, omdat tot de beslissing in dit vonnis [eiser] ervan heeft kunnen uit gaan dat wel op goede gronden was verrekend. De wettelijke rente, die ook is gevorderd, wordt toegewezen als hierna vermeld. Verder wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Aan de voorwaarden voor toewijzing is voldaan. Wel wordt de hoogte van de vergoeding berekend over de toe te wijzen hoofdsom. Dat komt neer op € 550,21.
Schadevergoeding
4.15.
Ten slotte vordert [gedaagde] een schadevergoeding van € 25.000,-. Dit ziet, zo wordt begrepen, op immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van stress dat is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van [eiser] . Zonder vast te kunnen stellen dat van dergelijk handelen sprake is, kan aan [gedaagde] worden toegegeven dat [eiser] zich niet altijd als goed werkgever heeft gedragen en dat dat tot spanningen heeft geleid. Maar dat hij hierdoor schade heeft geleden en dat die schade een vergoeding rechtvaardigt van € 25.000,- of welk ander bedrag dan ook is niet onderbouwd en kan dus ook niet worden beoordeeld. De vordering wordt afgewezen.
In conventie en reconventie
Proceskosten
4.16.
In de uitkomst van deze zaak waarbij partijen grotendeels over en weer in het ongelijk zijn gesteld wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren in die zin dat zij hun eigen kosten dragen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.17.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van het concurrentiebeding, zoals neergelegd in artikel 8 van Pro de arbeidsovereenkomst, tot 1 april 2026;
5.2.
veroordeelt [eiser] aan [gedaagde] te betalen € 3.297,23 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
veroordeelt [eiser] aan [gedaagde] te betalen € 550,21 aan buitengerechtelijke kosten;
5.4.
compenseert de proceskosten in conventie en in reconventie in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
568