ECLI:NL:RBROT:2026:2430

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11861927 VZ VERZ 25-5869
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:658 BWArt. 7:658a BWArt. 7:660a BWArt. 7:668a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending ketenregeling en billijke vergoeding wegens onrechtmatige opzegging arbeidsovereenkomst

De kantonrechter behandelde een geschil tussen een werknemer en Yource Operations B.V. over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en de toepassing van de ketenregeling. De werknemer was sinds november 2023 in dienst op basis van opeenvolgende tijdelijke contracten, die volgens de rechter doorlopen tot een contract voor onbepaalde tijd. De werkgever had de arbeidsovereenkomst per e-mail aangekondigd te beëindigen, maar dit werd niet als een geldige aanzegging beschouwd.

De werknemer had zich ziekgemeld na een auto-ongeluk en de werkgever had de loonbetaling tijdelijk stopgezet wegens het niet starten met re-integratie. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever haar re-integratieverplichtingen correct was nagekomen en de loonstop rechtmatig was. De werknemer had onvoldoende medewerking verleend aan de re-integratie.

De opzegging van de arbeidsovereenkomst werd echter als onrechtmatig beoordeeld omdat de ketenregeling was geschonden en de werkgever niet had voldaan aan de opzegtermijn. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €5.000 aan de werknemer. Verzoeken tot betaling van achterstallig loon en schadevergoeding werden afgewezen. Tevens werd de werknemer veroordeeld tot medewerking aan de loonregreskwestie.

Uitkomst: Werkgever schendt ketenregeling en moet billijke vergoeding betalen; loonstop en overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11861927 VZ VERZ 25-5869
datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster, verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,
gemachtigde: mr. N. Gierdharie,
tegen
Yource Operations B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster, verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek,
gemachtigde: mr. B. Bosma.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘Yource’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het (gewijzigde) verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 14 oktober 2025), met bijlagen, ter vervanging van het op 31 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift;
  • het verweerschrift van Yource met een zelfstandig tegenverzoek, met bijlagen;
  • de brief van [verzoekster] van 26 januari 2026, met aanvullende bijlagen;
  • de e-mail van Yource van 29 januari 2026, met aanvullende bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van Yource.
1.2.
Op 5 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [verzoekster] aanwezig, samen met haar broer de heer [naam 1] en bijgestaan door mr. N. Gierdharie. Namens Yource was aanwezig mevrouw [naam 2] (compliance officer), bijgestaan door mr. B. Bosma (legal counsel).

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoekster] is op 1 november 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Yource als klantcontactmedewerker. Daarvóór werkte zij al bij Yource via een uitzendovereenkomst met Olympia Services B.V. De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is door Yource drie keer verlengd. Op 2 januari 2025 is [verzoekster] betrokken geweest bij een auto-ongeluk, waarna zij zich op 3 januari 2025 heeft ziekgemeld. Vanaf 17 februari 2025 heeft Yource de loonbetaling aan [verzoekster] opgeschort en vanaf 20 februari 2025 stopgezet, omdat [verzoekster] volgens Yource geen contact opnam over het starten van de re-integratie. De bedrijfsarts heeft op 7 maart 2025 geoordeeld dat [verzoekster] op dat moment tijdelijk niet inzetbaar was voor eigen of tijdelijke passende werkzaamheden, waarna Yource de loonstop per 9 maart 2025 heeft opgeheven. Op 24 april 2025 heeft Yource per e-mail aan [verzoekster] medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 31 mei 2025 en niet zal worden verlengd.
2.2.
Volgens [verzoekster] heeft Yource ernstig verwijtbaar gehandeld door haar re-integratieverplichtingen niet na te komen, een onrechtmatige loonsanctie op te leggen, te zorgen voor onnodige schadelijke psychosociale arbeidsbelasting en door zich schuldig te maken aan discriminatie bij het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst. Daarom eist [verzoekster] in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro), haar verplichtingen uit de ketenregeling (artikel 7:668a BW), haar zorgplicht (artikel 7:658 BW Pro), de re-integratieverplichtingen (artikel 7:658a BW jo. Wet verbetering poortwachter) en/of het verbod op discriminatie bij ziekte te schenden. Daarnaast verzoekt [verzoekster] voor recht te verklaren dat het handelen van Yource als onrechtmatige daad moet worden aangemerkt. Verder verzoekt [verzoekster] Yource te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de periode van 17 februari tot en met 9 maart 2025 met de wettelijke verhoging en rente daarover, een billijke vergoeding en een vergoeding van materiële en immateriële schade.
2.3.
Yource is het niet eens met de verzoeken van [verzoekster] en betwist dat zij ernstig verwijtbaar of onrechtmatig heeft gehandeld. Yource voert aan dat zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat het juist [verzoekster] is die dat niet heeft gedaan, omdat zij niet meewerkte aan haar re-integratie. Yource vindt daarom dat zij terecht een loonsanctie heeft toegepast. Daarnaast betwist Yource dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet verlengd is wegens haar ziekte of dat zij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd in strijd met haar verplichtingen op grond van de ketenregeling. Ook betwist Yource dat er sprake is van een causaal verband tussen enig handelen van Yource en de door [verzoekster] gestelde (psychische) klachten. Volgens Yource is zij niet aansprakelijk voor de gestelde materiële en immateriële schade, omdat ook daar het causale verband met het handelen van Yource ontbreekt. Zij betwist ook dat [verzoekster] recht heeft op een billijke vergoeding.
Yource wil zelf de loonschade, die zij lijdt als gevolg van het auto-ongeluk van [verzoekster] , verhalen op de veroorzaker van dat ongeluk. Volgens Yource verleent [verzoekster] hier geen medewerking aan. Daarom eist Yource dat [verzoekster] veroordeeld wordt om haar volledige medewerking te verlenen aan en alle informatie te verschaffen met betrekking tot de loonregreskwestie, op straffe van een dwangsom.
2.4.
De kantonrechter verklaart voor recht dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de norm van goed werkgeverschap en haar verplichtingen uit de ketenregeling te schenden en veroordeelt Yource om een billijke vergoeding van € 5.000,- aan [verzoekster] te betalen. Alle andere verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. Het tegenverzoek van Yource wordt toegewezen, met uitzondering van de daaraan gekoppelde dwangsom. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De e-mail van [verzoekster] van 11 februari 2026 en de e-mail van Yource van 18 februari 2026 worden buiten beschouwing gelaten
2.5.
[verzoekster] heeft op 11 februari 2026 een e-mail, met bijlagen, aan de griffie gestuurd en Yource heeft op 18 februari 2026 een e-mail (cc) aan de griffie gestuurd. De kantonrechter zal deze e-mails en de bijlagen niet bij de beoordeling van de verzoeken betrekken. Aan het einde van de zitting van 5 februari 2026 is de inhoudelijke behandeling van de zaak immers gesloten en is bepaald dat op 5 maart 2026 uitspraak zal worden gedaan. Dat betekent dat partijen daarna geen gelegenheid meer hebben alsnog aanvullende stukken in te dienen.
Yource is haar re-integratieverplichtingen nagekomen en heeft terecht een loonstop opgelegd
2.6.
[verzoekster] heeft aan een groot deel van haar verzoeken ten grondslag gelegd dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door haar re-integratieverplichtingen niet na te komen, ten onrechte een loonsanctie op te leggen en daarmee onnodige psychosociale (arbeids)belasting te veroorzaken bij [verzoekster] .
2.7.
De kantonrechter stelt voorop dat op de werkgever en de arbeidsongeschikte werknemer re-integratieverplichtingen rusten. De werkgever moet zodanige maatregelen treffen en voorschriften geven als redelijkerwijs nodig is, zodat de arbeidsongeschikte werknemer in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten (artikel 7:658a BW). De arbeidsongeschikte werknemer moet meewerken aan re-integratie (artikel 7:660a BW). Dit betekent dat de werknemer gevolg moet geven aan redelijke voorstellen van de werkgever, moet meewerken aan maatregelen van de werkgever en aan het opstellen van een plan van aanpak, en passende arbeid moet verrichten. Dat geldt ook voor maatregelen en voorschriften van door de werkgever ingeschakelde deskundigen, zoals bijvoorbeeld de bedrijfsarts.
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat Yource voldoende gemotiveerd uiteengezet en met stukken onderbouwd heeft dat zij haar re-integratieverplichtingen is nagekomen. Gebleken is dat zij op zorgvuldige wijze met de ziekmelding van [verzoekster] is omgegaan door direct de bedrijfsarts in te schakelen en, nadat de inzetbaarheidsdeskundige een probleemanalyse heeft uitgevoerd en advies heeft gegeven over de re-integratie van [verzoekster] , vervolgens afspraken te maken met [verzoekster] over de start van de re-integratie en een plan van aanpak heeft opgesteld.
2.9.
Dat de probleemanalyse door een inzetbaarheidsdeskundige is opgesteld en niet door de bedrijfsarts zelf maakt dit niet anders. De bedrijfsarts mag bepaalde taken overdragen aan andere professionals, voor zover deze professionals daartoe bekwaam kunnen worden geacht. Het beoordelen van de belastbaarheid van de werknemer behoort tot de taken, die een bedrijfsarts in dat verband mag overdragen [1] . Omdat de kantonrechter geen concrete aanleiding heeft te twijfelen aan de bekwaamheid van de inzetbaarheidsdeskundige die de probleemanalyse heeft opgesteld, mocht Yource in de gegeven omstandigheden van het advies van de inzetbaarheidsdeskundige uit gaan.
2.10.
De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in haar stelling dat het plan van aanpak ondeugdelijk is, omdat zij deze niet heeft ondertekend en het plan niet met haar besproken is. [verzoekster] heeft niets aangevoerd op basis waarvan aangenomen moet worden dat het plan van aanpak inhoudelijk niet juist is. Daarnaast heeft Yource gesteld dat in het plan van aanpak is vastgelegd, wat door de heer [naam 3] (de verzuimspecialist van Yource) vooraf met [verzoekster] is besproken. [verzoekster] heeft dat niet meer betwist, zodat de kantonrechter uit gaat van de juistheid van die stelling van Yource. Het enkele feit dat [verzoekster] het plan van aanpak niet heeft ondertekend, leidt onder deze omstandigheden dan ook niet tot de conclusie dat het plan ondeugdelijk is.
2.11.
Van [verzoekster] mocht worden verwacht dat zij het advies van de inzetbaarheidsdeskundige opvolgt, tenzij er aanwijzingen zijn om aan de juistheid van dat advies te twijfelen. Van dergelijke aanwijzingen is echter niet gebleken. Als [verzoekster] het niet eens was met het advies had het op haar weg gelegen daarop actie te ondernemen door een second opinion bij een andere bedrijfsarts aan te vragen of een deskundigenoordeel bij het UWV. Dat heeft [verzoekster] echter niet gedaan. In plaats daarvan heeft zij er voor gekozen haar bezwaren tegen het advies bij Yource te uiten en haar pogingen tot re-integratie per 4 februari 2025 te staken. Yource heeft echter, zoals hiervoor al is overwogen, terecht het advies van de inzetbaarheidsdeskundige als uitgangspunt genomen bij het maken van afspraken met [verzoekster] over (de start van) de re-integratie. Dat Yource daarbij (ook) is uitgegaan van ‘eigen medische aannames’, zoals door [verzoekster] is gesteld, is niet gebleken.
2.12.
Het voorgaande betekent dat Yource in haar e-mail aan [verzoekster] van 14 februari 2025 op terechte gronden heeft medegedeeld dat het advies van de inzetbaarheidsdeskundige (door Yource in haar e-mail aangeduid als ‘de terugkoppeling van de arbodienst’) leidend is en dat [verzoekster] als werknemer daaraan gehoor moet geven. Gelet daarop mocht Yource dan ook van [verzoekster] verlangen dat zij op 17 februari 2025 zou starten met re-integreren, zoals ook in de e-mail van 14 februari 2025 is opgenomen. Daarbij is [verzoekster] er ook op gewezen dat, als zij niet met de re-integratie start, dit gevolgen zal hebben voor de loondoorbetaling.
2.13.
Vast staat dat [verzoekster] op 17 februari 2025 niet is gestart met haar re-integratie. Omdat [verzoekster] daarmee, ondanks waarschuwing, niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen, was Yource gerechtigd per 17 februari 2025 de loonbetaling aan [verzoekster] op te schorten (artikel 7:629 lid 6 BW Pro). Omdat [verzoekster] aansluitend ook geen gehoor heeft gegeven aan het dringende verzoek van Yource om contact met haar op te nemen over de re-integratie, heeft Yource vervolgens op goede gronden de loonbetaling stopgezet (artikel 7:629 lid 3 BW Pro).
2.14.
Gebleken is dat [verzoekster] op 16 februari 2025 een suïcidepoging heeft ondernomen. De samenloop van deze suïcidepoging met de door Yource opgelegde loonsancties is uiteraard zeer ongelukkig te noemen, maar dit leidt er niet toe dat die loonsancties juridisch gezien ten onrechte zijn opgelegd dan wel dat Yource daardoor onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld. Voldoende gebleken is immers dat Yource ten tijde van het opleggen van de loonsancties niets afwist van de suïcidepoging van [verzoekster] en destijds überhaupt geen kennis had van de aard van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] . Van de aard van de arbeidsongeschiktheid heeft Yource pas kennisgenomen door de terugkoppeling van 10 maart 2025 van het consult bij de bedrijfsarts van 7 maart 2025 – waaruit volgt dat [verzoekster] tijdelijk niet inzetbaar was voor eigen of tijdelijk passende werkzaamheden – en daarna heeft Yource ook direct de loonstop opgeheven.
2.15.
De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in haar stelling dat Yource haar de toegang tot de bedrijfsarts zou hebben geblokkeerd. Weliswaar is uit de overgelegde stukken gebleken dat een online-consult bij de bedrijfsarts kort voor aanvang is geannuleerd, maar voldoende gebleken is dat dat online-consult enkel is geannuleerd, omdat [verzoekster] zelf had verzocht om een fysiek consult en die afspraak inmiddels ook al (op 7 maart 2025) was ingepland.
2.16.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat Yource haar re-integratieverplichtingen is nagekomen en de hiervoor genoemde loonsancties op rechtmatige wijze heeft opgelegd. Dat Yource haar zorgplicht om te zorgen voor een veilige werkomgeving heeft geschonden door onrechtmatige financiële druk uit te oefenen en daarmee heeft gezorgd voor onnodige psychosociale arbeidsbelasting is dan ook niet gebleken. De verzochte verklaringen voor recht dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door een schending van haar zorgplicht (artikel 7:658 BW Pro) en door haar re-integratieverplichtingen (artikel 7:658a BW jo. Wet verbetering poortwachter) niet na te komen, worden daarom afgewezen.
Yource hoeft geen achterstallig loon aan [verzoekster] te betalen
2.17.
Omdat Yource, zoals hiervoor is overwogen, terecht is overgegaan tot opschorting en aansluitend stopzetting van de loondoorbetaling aan [verzoekster] , heeft [verzoekster] geen recht op betaling van het loon over de periode van 17 februari 2025 tot en met 9 maart 2025. Ook dat deel van het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen.
Yource heeft wel ernstig verwijtbaar gehandeld door de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig op te zeggen
2.18.
Yource heeft per e-mail van 24 april 2025 aan [verzoekster] medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 31 mei 2025 en niet zal worden verlengd. Anders dan Yource stelt, kan die e-mail naar het oordeel van de kantonrechter niet als een aanzegging van het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden beschouwd.
2.19.
In artikel 7:668a lid 1 aanhef en onder b BW is namelijk bepaald dat vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Vast staat dat [verzoekster] op 1 november 2023 bij Yource in dienst is getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden en dat deze arbeidsovereenkomst vervolgens (zonder tussenpozen) is verlengd op 1 februari 2024 (voor de duur van vier maanden), op 1 juni 2024 (voor de duur van zes maanden) én op 1 december 2024 (voor de duur van zes maanden). In totaal is dus sprake geweest van vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op grond van het hiervoor genoemde artikel geldt de laatste arbeidsovereenkomst dan ook als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2.20.
Yource heeft aangevoerd dat het bepaalde in artikel 7:668a BW niet van toepassing is vanwege artikel 2.3 van de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde CAO (de ‘CAO voor de medewerkers van de facilitaire contactcenters’ van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027), maar daarin volgt de kantonrechter Yource niet. In het laatstgenoemde artikel is bepaald dat de werkgever maximaal zes opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten met een werknemer mag aangaan, maar dat dit alleen geldt ‘voor zover de functie van de werknemer in het bedrijf van de werkgever een onvoorspelbaar karakter heeft’. Dat van die situatie sprake is, is hier echter niet gebleken. [verzoekster] werkte immers (de periode waarin zij via Olympia bij Yource werkzaam was meegerekend) al meer dan twee jaar in dezelfde functie bij Yource met een vaste invulling van haar werkzaamheden. Yource heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat de functie van [verzoekster] desondanks een ‘onvoorspelbaar karakter’ had.
2.21.
Yource heeft weliswaar gesteld dat zij ten aanzien van de functie van [verzoekster] heeft moeten ‘afschalen’ vanwege de afgenomen vraag van de klanten van Yource, maar naar het oordeel van de kantonrechter valt die situatie niet onder het bereik van artikel 2.3 van de CAO. Bij de uitleg van een CAO-bepaling zijn immers in beginsel de bewoordingen van die bepaling van doorslaggevende betekenis. Uit die bewoordingen kan niet worden afgeleid dat de daarin opgenomen uitzondering ook geldt als er sprake is van afschaling vanwege tegenvallende bedrijfsomstandigheden. In artikel 2.3 van de CAO wordt ten aanzien van het genoemde ‘onvoorspelbare karakter’ gerefereerd aan de ‘intrinsieke aard van de bedrijfsvoering waarin flexibiliteit van cruciaal belang is’. Uit die toelichting leidt de kantonrechter dan ook af dat dit artikel (slechts) ziet op functies in het kader van projectmatige of periode-gebonden werkzaamheden (bijvoorbeeld vakantie- en invalkrachten) en daarvan is in het geval van [verzoekster] geen sprake.
2.22.
Omdat tussen Yource en [verzoekster] (van rechtswege) sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, kan van een aanzegging geen sprake zijn, zodat de e-mail van 24 april 2025 moet worden beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dat [verzoekster] aanvankelijk zelf ook is uitgegaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd doet daaraan niet af. Zoals is overwogen is de laatste arbeidsovereenkomst van [verzoekster] van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geworden en kan onduidelijkheid of verwarring omtrent de status van de arbeidsovereenkomst niet aan de werknemer worden tegengeworpen, maar dient dit voor rekening van werkgever te komen.
2.23.
Niet gebleken is dat Yource de arbeidsovereenkomst met inachtneming van artikel 7:671 BW Pro heeft opgezegd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in de gegeven omstandigheden niet geconcludeerd worden dat [verzoekster] (stilzwijgend) heeft ingestemd met de opzegging. Dat de wil van een werknemer gericht is op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst moet blijken uit een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van deze werknemer, en die ontbreekt. Daarbij komt dat [verzoekster] ook bezwaren heeft tegen het einde van haar arbeidsovereenkomst, omdat zij vindt dat Yource zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan discriminatie wegens haar ziekte. Dat betekent dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Yource onrechtmatig en dus niet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust echter in de opzegging, zodat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 31 mei 2025.
2.24.
Omdat Yource de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd, heeft zij daarmee ernstig verwijtbaar gehandeld. Daarmee heeft Yource zich ook niet als goed werkgever gedragen. De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht op dit punt wordt dan ook toegewezen, in die zin dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro) en haar verplichtingen uit de ketenregeling (artikel 7:668a BW) heeft geschonden. Omdat er – zoals hiervoor al is overwogen – van een aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst geen sprake is, kan in het midden blijven of Yource zich, door haar mededeling dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet zou worden verlengd, schuldig heeft gemaakt aan discriminatie wegens ziekte. De in dat kader verzochte verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.
Yource moet een billijke vergoeding betalen
2.25.
Omdat Yource de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] in strijd met artikel 7:671 BW Pro heeft opgezegd heeft [verzoekster] op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW Pro recht op betaling van een billijke vergoeding.
2.26.
De vraag is vervolgens hoe hoog die vergoeding moet zijn. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding [2] . De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
2.27.
Ter zitting heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat zij nog altijd arbeidsongeschikt is en niet in staat is werkzaamheden te verrichten. Gelet daarop acht de kantonrechter het redelijk om als uitgangspunt te nemen dat, als de onterechte opzegging van de arbeidsovereenkomst zou worden weggedacht, de arbeidsovereenkomst in elk geval tot twee jaar na de dag waarop [verzoekster] arbeidsongeschikt is geworden zou hebben voortgeduurd. Uit de stellingen van partijen en hetgeen zij tijdens de zitting naar voren hebben gebracht is voldoende gebleken dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord, dat het niet aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst na afloop van die termijn van twee jaar nog (veel) langer zou hebben voortgeduurd.
2.28.
[verzoekster] heeft, eveneens onweersproken, gesteld dat zij op dit moment een Ziektewetuitkering ontvangt ter hoogte van 70% van haar laatstverdiende loon. Op grond van artikel 7.4.1 van de CAO zou [verzoekster] , als de onterechte opzegging van de arbeidsovereenkomst zou worden weggedacht, tijdens de eerste zes maanden van haar arbeidsongeschiktheid recht hebben gehad op 80% van haar laatstverdiende loon en in de daaropvolgende zes maanden op 75% van dat loon. Uit het artikel volgt ook dat [verzoekster] in het tweede ziektejaar recht zou hebben gehad op 70% van het laatstverdiende loon, welk bedrag gelijk is aan de Ziektewetuitkering, die zij al ontvangt.
2.29.
Het bovenstaande betekent dat bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding (slechts) rekening zal worden gehouden met de inkomensschade van [verzoekster] in het eerste ziektejaar. [verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat zij wekelijks gemiddeld 27 uur werkte, hetgeen Yource onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Uitgaande van het in de laatste verlenging van de arbeidsovereenkomst opgenomen uurloon van € 15,09 en van de vakantietoeslag van 8% bedraagt het bruto maandloon € 1.906,77 ((€ 15,09 x 27 uur x 52 weken x 8%) ÷ 12 maanden). De inkomensschade over de eerste zes maanden van het eerste ziektejaar bedraagt daarmee € 190,68 (€ 1.906,77 x 10%) per maand, oftewel in totaal
€ 1.144,08 (6 x € 190,68). Dat is het verschil tussen de maandelijkse Ziektewetuitkering (70% van het bruto maandloon) en het maandelijkse bedrag waarop zij op grond van de CAO recht zou hebben gehad (80% van het bruto maandloon).
2.30.
Over de tweede zes maanden van het eerste ziektejaar bedraagt de inkomensschade van [verzoekster] € 95,34 (€ 1.906,77 x 5%) per maand, oftewel in totaal € 572,04 (6 x € 95,34). Dat is het verschil tussen de maandelijkse Ziektewetuitkering (70% van het bruto maandloon) en het maandelijkse bedrag waarop zij op grond van de CAO recht zou hebben gehad (75% van het bruto maandloon). De totale inkomensschade van [verzoekster] over het eerste ziektejaar bedraagt daardoor € 1.716,12 (€ 1.144,08 + € 572,04).
2.31.
De kantonrechter ziet geen aanleiding in het kader van de hoogte van de billijke vergoeding rekening te houden met de door [verzoekster] gestelde schade door studievertraging, nu van een causaal verband met de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet is gebleken. Yource heeft daarnaast ook nog betwist dat [verzoekster] daadwerkelijk met de door haar genoemde opleiding ‘Social Work’ is begonnen en, voor zover dat wel het geval zou zijn, dat er sprake zou zijn van enige vertraging. [verzoekster] is daar ter zitting niet meer op ingegaan en heeft haar stellingen verder niet meer onderbouwd. Dat er sprake is van studievertraging tengevolge van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst is dan ook niet komen vast te staan.
2.32.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan ook worden meegewogen dat er enige afschrikwekkende werking voor de werkgever van uit mag gaan [3] . Gelet daarop en op de hiervoor genoemde inkomensschade vindt de kantonrechter in dit geval een billijke vergoeding van (afgerond) € 5.000,- bruto passend. Yource wordt veroordeeld dat bedrag aan [verzoekster] te betalen.
Yource hoeft geen schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen
2.33.
[verzoekster] maakt ook aanspraak op een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW Pro) door Yource. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoekster] in dit verband zo dat zij van mening is dat door het handelen van Yource de fysieke en psychische schade, die [verzoekster] heeft geleden als gevolg van het auto-ongeluk op 2 januari 2025, is verergerd en dat zij daarnaast door dat handelen inkomstenverlies heeft geleden en studievertraging heeft opgelopen.
2.34.
Hiervoor is al geoordeeld dat Yource haar re-integratieverplichtingen correct is nagekomen. Dat Yource er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen te starten met re-integreren levert dan ook geen onrechtmatig handelen van Yource op. Yource volgde daarbij immers het advies van de bedrijfsarts, zoals ook van haar mocht worden verwacht. De zeer ongelukkige samenloop van het dringende verzoek van Yource om met re-integratie te starten en de suïcidepoging van [verzoekster] maakt dit niet anders, zeker niet nu gebleken is dat Yource geen weet had van de suïcidepoging op het moment dat zij bij [verzoekster] aandrong om te starten met re-integreren. Nog los van het voorgaande heeft [verzoekster] bovendien onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband tussen het aandringen van Yource op het starten met de re-integratie en de door [verzoekster] gestelde schade. Anders dan [verzoekster] heeft gesteld, volgt een dergelijk causaal verband ook niet uit het verslag van de psychiater van 20 februari 2025.
2.35.
Wel is vast komen te staan dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] op niet-rechtsgeldige wijze op te zeggen. Voor zover dat al als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt, geeft dit echter ook geen aanleiding om Yource tot betaling van een schadevergoeding te veroordelen. Ook hier geldt dat [verzoekster] onvoldoende gesteld heeft om een causaal verband tussen dit handelen van Yource en de door [verzoekster] gestelde schade aan te nemen. Daarnaast is het handelen van Yource op dit punt en de mate waarin daarbij aan Yource een verwijt kan worden gemaakt al verdisconteerd in de hoogte van de billijke vergoeding, waarin ook al rekening is gehouden met de inkomensschade van [verzoekster] .
2.36.
Omdat het causale verband tussen enig handelen van Yource en de door [verzoekster] gestelde schade niet is komen vast te staan bestaat er geen aanleiding Yource op grond van artikel 6:162 BW Pro te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Dat verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen. Dat geldt ook voor de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het handelen van Yource als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt. Hiervoor is al overwogen dat voor recht zal worden verklaard dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij de norm van goed werkgeverschap en haar verplichtingen uit de ketenregeling heeft geschonden. [verzoekster] heeft niet uitgelegd waarom zij, naast de hiervoor genoemde verklaring voor recht, ook nog voldoende belang heeft bij een verklaring voor recht dat dat handelen van Yource als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt.
[verzoekster] moet haar volledige medewerking verlenen aan de loonregreskwestie
2.37.
Yource heeft uiteengezet dat zij de loonschade, die zij lijdt als gevolg van het auto-ongeluk van [verzoekster] , wil verhalen op de veroorzaker van dat ongeluk. Zij heeft uitgelegd dat zij voor de loonregreskwestie de medische gegevens van [verzoekster] nodig heeft. Daarvoor is noodzakelijk dat [verzoekster] de medische gegevens zelf verstrekt dan wel dat zij een machtiging afgeeft waarmee de medisch adviseur van Yource wordt gemachtigd de relevante gegevens uit het medisch dossier van [verzoekster] te gebruiken voor het beoordelen van de regresvordering. Vast staat in elk geval dat [verzoekster] hiertoe (nog) niet is overgegaan. Tijdens de zitting heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat er geen bezwaren bestaan om alsnog de medische gegevens of de bedoelde machtiging te verstrekken en heeft zij toegezegd hieraan mee te werken.
2.38.
Het voorgaande leidt er toe dat het verzoek van Yource om [verzoekster] te veroordelen om, binnen vijf dagen na sommatie door Yource, volledige medewerking te verlenen en alle informatie te verstrekken met betrekking tot de loonregreskwestie zal worden toegewezen. Gelet op de toezegging van [verzoekster] ter zitting dat zij hieraan zal meewerken, ziet de kantonrechter echter geen concrete aanleiding om een dwangsom aan deze veroordeling te verbinden.
Partijen dragen ieder de eigen proceskosten
2.39.
Gelet op de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat zij ieder de eigen kosten dragen en geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij voor deze rechtszaak heeft gemaakt.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.40.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
ten aanzien van het verzoek van [verzoekster]
3.1.
verklaart voor recht dat Yource ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro) en haar verplichtingen uit de ketenregeling (artikel 7:668a BW) te schenden;
3.2.
veroordeelt Yource om aan [verzoekster] een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto te betalen;
ten aanzien van het tegenverzoek van Yource
3.3.
veroordeelt [verzoekster] om, binnen vijf dagen na sommatie door Yource, volledige medewerking te verlenen en alle informatie te verschaffen met betrekking tot de loonregreskwestie;
zowel ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] als het tegenverzoek van Yource
3.4.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Leidraad delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie 2025
2.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
3.bijv. Hof Den Haag 6 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1238; Hof Den Haag 8 maart 2022,