ECLI:NL:RBROT:2026:2573

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/1352
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1:3 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
696 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake vertrek gemeentelijke opvang na terugkeerbesluit

Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit, heeft tijdelijke bescherming genoten onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. Zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid is afgewezen en tegen hem is een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Het college heeft verzoeker schriftelijk medegedeeld dat hij de gemeentelijke opvanglocatie uiterlijk 14 februari 2026 moet verlaten, omdat hij Nederland uiterlijk 14 december 2025 had moeten verlaten.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze mededeling en vroeg om een voorlopige voorziening om in de opvang te mogen blijven totdat op zijn bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat de mededeling van het college geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze niet gericht is op het wijzigen van de rechtspositie van verzoeker, maar voortvloeit uit het terugkeerbesluit.

Omdat de mededeling geen besluit is, kan verzoeker daartegen geen bezwaar of beroep instellen en kan de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treffen. De voorzieningenrechter verklaart zich daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de mededeling om de gemeentelijke opvang te verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1352

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, het college

(gemachtigde: mr. C.W.M. Berendsen).

Procesverloop

1.1.
Op 10 februari 2026 heeft het college verzoeker schriftelijk medegedeeld dat hij de gemeentelijke opvanglocatie Havenkerk in Alblasserdam uiterlijk 14 februari 2026 moet verlaten.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Het college heeft met een e-mail van 18 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft tijdelijke bescherming genoten onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. [1] Bij beschikking van 17 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van verzoeker om een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Hierbij is tegen verzoeker een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 5 december 2025. In dit besluit is ook vermeld dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en het uitgevaardigde terugkeerbesluit nog steeds geldt.
3. Met een brief van 10 februari 2026 heeft het college aan verzoeker medegedeeld dat uit informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat tegen verzoeker een terugkeerbesluit is uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken. Verzoeker had Nederland, en dus de opvanglocatie, uiterlijk 14 december 2025 moeten verlaten. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Bij voornoemde brief van 10 februari 2026 heeft het college verzoeker uit coulance tot uiterlijk 14 februari 2026 de tijd gegeven om de opvanglocatie te verlaten.
4. Verzoeker is het er niet mee eens dat hij de opvanglocatie moet verlaten. Met zijn verzoek wil verzoeker bereiken dat de beslissing tot beëindiging van de opvang wordt geschorst en dat hij in de opvanglocatie mag blijven totdat op zijn bezwaarschrift tegen de brief van 10 februari 2026 is beslist.
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt. [2] Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [3] Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de mededeling van het college dat verzoeker de opvanglocatie moet verlaten, geen besluit in de zin van de Awb is omdat deze mededeling er niet op is gericht de rechtspositie van verzoeker te wijzigen. Dat verzoeker de opvanglocatie moet verlaten, vloeit namelijk rechtstreeks voort uit het terugkeerbesluit. [4] Dat in de besluiten van 17 oktober 2025 en 5 december 2025 het recht op tijdelijke bescherming niet expliciet is beëindigd, maakt dit niet anders. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders, zoals verzoeker, op 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd. [5] Nu de brief van 10 februari 2026 geen besluit in de zin van de Awb is, kan verzoeker daartegen geen bezwaar maken of beroep instellen. Daarom kan ook geen voorlopige voorziening bij de bestuursrechter worden gevraagd. Dat verzoeker inmiddels een nieuwe reguliere aanvraag heeft ingediend, zoals hij heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat een reguliere aanvraag geen recht op opvang door het college doet ontstaan.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter zal zich onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG.
2.Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2011.
5.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:320, in samenhang met de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.