Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2626

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/10/639005 / HA ZA 22-448
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding en toewijzing deelbetaling aanneming werk woning

Deze civiele zaak betreft een geschil tussen MKR Gevelelementen B.V. en een particuliere opdrachtgever over de afrekening van aannemingswerkzaamheden aan diens woning die niet volledig zijn afgerond. MKR vordert betaling voor het uitgevoerde werk, terwijl de opdrachtgever een schadevergoeding eist wegens niet voltooid werk en gebreken.

Na meerdere tussenvonnissen en een aanvullend deskundigenbericht concludeert de rechtbank dat MKR 98% van de werkzaamheden conform de offerte van 5 mei 2021 heeft uitgevoerd, exclusief meerwerk dat niet is toegewezen. De waarde van het uitgevoerde werk wordt vastgesteld op €34.945,53 inclusief btw. De opdrachtgever heeft reeds €47.000 betaald, zodat nog een bedrag van €34.543,84 verschuldigd is, vermeerderd met wettelijke rente.

De klachten over de vloerverwarming en het dak worden door de deskundige en rechtbank niet als gebreken erkend. De vorderingen van de opdrachtgever tot schadevergoeding worden afgewezen omdat de gestelde gebreken niet zijn vastgesteld en de schade onvoldoende is onderbouwd. De opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De rechtbank wijst de buitengerechtelijke incassokosten af wegens niet-naleving van wettelijke vereisten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en het vonnis is gewezen door rechter M. Aukema op 18 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van MKR tot betaling van €34.543,84 toe en wijst de schadevorderingen van de opdrachtgever af.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/639005 / HA ZA 22-448
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
MKR GEVELELEMENTEN B.V.,
te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: MKR,
advocaat: mr. C. Choy te ‘s-Gravenhage,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Matadien te Rotterdam.

1.De zaak in het kort

1.1.
Dit geschil gaat over de afrekening van het werk dat MKR aan de woning van
[gedaagde] heeft uitgevoerd, maar niet heeft voltooid. MKR wil dat [gedaagde] haar daar nog
een geldbedrag voor betaalt en [gedaagde] wil dat MKR hem een vergoeding betaalt voor de
schade die hij lijdt doordat MKR het werk niet heeft afgemaakt en gebreken in het werk niet
heeft hersteld.
1.2.
Nadat zij een deskundigenbericht en een aanvullend deskundigenbericht heeft bevolen, wijst de rechtbank wijst nu eindvonnis. Hierbij wijst zij de vordering van MKR toe tot het bedrag van € 34.543,84 en de vorderingen van [gedaagde] af.
1.3.
Hierna worden de procedure, de inhoud van het aanvullend deskundigenbericht en de standpunten van partijen, voor zover hier van belang, nader omschreven en wordt het
oordeel van de rechtbank uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 15 maart 2023, 31 januari 2024 en 14 mei 2025,
- het aanvullend deskundigenbericht van 16 oktober 2025,
- de aanvullende conclusie na deskundigenbericht van MKR,
- de conclusie aanvullend deskundigenbericht van [gedaagde] ,
- de aanvullende loonbepaling deskundige?
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling in conventie en reconventie

3.1.
In het tussenvonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank een schriftelijk
deskundigenbericht bevolen voor het geven van een toelichting over:
 de zienswijze van de deskundige over het percentage van de door MKR uitgevoerde
werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 (exclusief elektra en
keukenvoorbereiding) en meer in het bijzonder
wat waren de restpuntjes die nog moesten worden verricht?
wat was het meerwerk dat bij de sloop is opgetreden en hoe verhoudt zich dat tot het daar tegenoverstaande minderwerk?;
 de vloerverwarming en meer in het bijzonder:
wat zijn de normen voor de diepte waarop een vloerverwarming dient te worden aangelegd?
op welke diepte kon de vloerverwarming in de gegeven omstandigheden volgens die normen (maximaal) worden aangelegd?
hoe kan worden gecontroleerd of daaraan is voldaan?
welke aanwijzingen dat de vloerverwarming te diep is aangelegd zou de deskundige kunnen vinden, maar heeft hij niet aangetroffen?
 het dak en meer in het bijzonder:
op welke tekeningen baseert de deskundige dat MKR zich bij de werkzaamheden aan het dak geheel heeft gehouden aan de tekening van de architect?
bevinden die tekeningen zich in het procesdossier? Zo nee, dan s.v.p. die tekeningen bijvoegen;
Waarom kan uit die tekeningen worden opgemaakt op welke wijze MKR die werkzaamheden heeft uitgevoerd?
3.2.
De deskundige heeft op 16 oktober 2025 zijn aanvullend deskundigenbericht uitgebracht. MKR heeft zich met de daarin vermelde toelichting op de zienswijze van de deskundige verenigd. [gedaagde] heeft bezwaar tegen diverse onderdelen van die toelichting en de zienswijze van de deskundige gemaakt en verzocht een andere deskundige te benoemen. Ook heeft [gedaagde] nader (getuigen)bewijs van zijn stellingen aangeboden.
3.3.
De rechtbank zal hierna de in het aanvullend deskundigenbericht gegeven toelichtingen en de geuite bezwaren van [gedaagde] omschrijven en die bezwaren beoordelen. Daarbij zal de rechtbank ook ingaan op de vraag of plaats is voor nadere bewijslevering. Vervolgens zal de rechtbank uitleggen wat één en ander betekent voor de vorderingen van partijen.
De toelichting op de zienswijze van de deskundige over het percentage van de door MKR uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021
3.4.
In het oorspronkelijk deskundigenbericht heeft de deskundige de uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 (exclusief het elektra en de keuken) gewaardeerd op 98%. Op basis van dat percentage en de in de offerte aangeboden prijs van € 38.695,80 (inclusief btw) heeft de deskundige de waarde van die uitgevoerde werkzaamheden berekend op € 36.761,01 (inclusief btw). Daarbij heeft de deskundige minderwerk, dat bij het slopen van de vloer is opgetreden omdat een bestaande stalen bint niet is gesloopt en afgevoerd, meegenomen, maar ook meerwerk. In zijn aanvullend deskundigenbericht heeft de deskundige toegelicht dat de werkzaamheden die behoren bij die offerte feitelijk waren voltooid en dat de restpunten die nog nodig waren voornamelijk afwerkingen e.d. betroffen. Verder heeft hij toegelicht dat het door hem in de waardering meegenomen meerwerk € 2.510,00 exclusief btw bedraagt (€ 1.500 voor de sloop van de schoorstenen in de woonkamer en keuken en € 1.010,00 voor de schoonmaak van de kruipruimte inclusief container). De deskundige heeft een en ander gebaseerd op een door MKR overgelegde calculatie van het meer- en minderwerk. De genoemde bedragen acht de deskundige in lijn met de kostenstructuur van het minderwerk.
3.5.
[gedaagde] voert daartegen de volgende bezwaren aan:
het meerwerk was niet afgesproken,
het percentage van 98% valt niet te rijmen met het minderwerk ter zake van de omvang van de serreaanbouw. De deskundige heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het minderwerk als gevolg van een kleinere omvang van de serreaanbouw. De serreaanbouw is namelijk slechts 2,2 meter diep is uitgebouwd in plaats van 2,5 meter zoals uit de bouwtekening en de overeenkomst blijkt. Wegens bezwaren van de buurman is de serreaanbouw in overleg met MKR en de buurman ingekort. Hiervan wordt getuigenbewijs aangeboden.
de deskundige heeft ten onrechte niet gekeken naar de werkzaamheden die [naam] heeft uitgevoerd,
er ontbreekt een rekenkundige toelichting voor het percentage van 98%.
3.6.
De rechtbank bepaalt de waarde van de door MKR uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 op € 34.945,53 inclusief btw. Zij oordeelt namelijk dat het bezwaar van [gedaagde] tegen het meerwerk dat de deskundige in zijn waardering heeft meegenomen doel treft, maar de overige voormelde bezwaren niet. De rechtbank licht dit toe als volgt.
3.7.
Het door de deskundige meegenomen meerwerk van € 2.510,10 exclusief btw ( 3.037,10 inclusief btw) moet buiten de waardering van het door MKR uitgevoerde werk worden gelaten. In het tussenvonnis van 15 maart 2023 (onder 4.21 en 4.22) heeft de rechtbank namelijk de niet gespecificeerde vordering van MKR tot betaling van meerwerk (ten opzichte van de in de offertes aangeboden werkzaamheden) afgewezen, omdat MKR niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dat is een bindende eindbeslissing: een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing over een geschilpunt tussen partijen, waaraan de rechter in beginsel in het verdere verloop van het geding in dezelfde instantie is gebonden. Op die regel kan de rechtbank alleen een uitzondering maken indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld. Onder deze omstandigheden kan niet via een omweg betaling van meerwerk worden verkregen door het mee te nemen in de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021. Het bezwaar van [gedaagde] tegen het meegenomen meerwerk treft daarom doel.
3.8.
De omvang van de serreaanbouw is niet relevant voor de waardering van de uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021. De bouw van de serreaanbouw valt namelijk niet onder de werkzaamheden die behoren bij die offerte maar onder de werkzaamheden die behoren bij de offerte van 4 mei 2021.
3.9.
Indien het bezwaar van [gedaagde] de waardering betreft van de uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 4 mei 2021 is dat bezwaar te laat en overigens ook onterecht. In het tussenvonnis van 14 mei 2025 (r.o. 3.11 heeft de rechtbank namelijk de zienswijze van de deskundige dat 90% van de bij de offerte van 4 mei 2021 behorende werkzaamheden zijn uitgevoerd overgenomen. Hetzelfde geldt voor de berekening van de deskundige van de uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 4 mei 2021 op het bedrag van € 46.598,31 (r.o. 3.15). Ook dit zijn bindende eindbeslissingen als bedoeld onder 3.7. Voor een heroverweging van die beslissingen is geen plaats, omdat [gedaagde] geen feiten heeft aangevoerd die hij niet eerder heeft kunnen aanvoeren.
3.10.
Overigens zou een heroverweging niet tot een andere beslissing hebben geleid omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een binnenmaat van de serreaanbouw van 2,5 meter zijn overeengekomen. Van een schriftelijke overeenkomst tussen partijen is geen sprake. De offerte van 4 mei 2021 vermeldt een oppervlakte van de serreaanbouw van 250 x 800 cm. Daaruit valt niet af te leiden dat het om de binnenmaat gaat en niet om de buitenmaat, zoals MKR aanvoert. In de omgevingsvergunning van de gemeente Rotterdam, waarop [gedaagde] zich beroept, staat dat de aanbouw een diepte van 2,5 meter heeft. Dit wijst eerder op een buitenmaat van 2,5 meter dan een binnenmaat van 2,5 meter, omdat anders de buitenmuur buiten de vergunde bouwactiviteiten valt. Ook de door [gedaagde] overgelegde bouwtekening wijst er eerder op dat de diepte van de serreaanbouw een binnenmaat van 2,2 meter moet hebben en een buitenmaat 2,5 meter. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om uit te leggen hoe uit die stukken kan worden afgeleid dat de serreaanbouw een binnenmaat van 2,5 meter moet hebben en dat heeft hij niet gedaan. Uit de stelling dat de serreaanbouw op enig moment in overleg met de buren is verkleind, volgt niet zonder meer wat partijen over de diepte van de serreaanbouw zijn overeengekomen. [gedaagde] stelt ook niet dat zijn buren daarover kunnen verklaren. Het door [gedaagde] aangeboden getuigenbewijs is daarom niet relevant, zodat de rechtbank dat getuigenbewijs niet zou hebben toegelaten als zij tot een heroverweging zou zijn overgegaan.
3.11.
Het bezwaar dat de deskundige niet heeft gekeken naar de werkzaamheden die aannemer [naam] heeft uitgevoerd, treft geen doel. De deskundige heeft terecht opgemerkt dat de rechtbank hem niet heeft gevraagd om naar het werk van [naam] te kijken, maar om de werkzaamheden van MKR te beoordelen. Dat betekent natuurlijk niet dat werk dat [naam] heeft uitgevoerd aan MKR mag worden toegerekend. Het ligt echter wel op de weg van [gedaagde] om concreet te stellen welke door [naam] uitgevoerde werkzaamheden die behoren tot de offerte van 5 mei 2021 ten onrechte door de deskundige zijn aangemerkt als door MKR uitgevoerde werkzaamheden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
3.12.
Het bezwaar dat de deskundige zijn zienswijze, dat MKR 98% van de werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 heeft uitgevoerd, niet rekenkundig heeft toegelicht, treft geen doel. Op grond van zijn kennis, ervaring en intuïtie moet de deskundige in staat worden geacht de omvang van die werkzaamheden in een percentage uit te drukken, zonder dat daaraan een berekening ten grondslag ligt.
3.13.
Met de toelichting van de deskundige dat de restpuntjes die nog moesten worden verricht voornamelijk afwerkingen betroffen, is zijn zienswijze dat MKR 98% van de werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 heeft uitgevoerd voldoende controleerbaar en/of overtuigend. Dit met de kanttekening dat het minderwerk wegens het niet slopen en afvoeren van een bestaande stalen bint daarop in mindering moet worden gebracht. Dat minderwerk waardeert de rechtbank op € 3.037,10 inclusief btw, het bedrag van het meerwerk dat de deskundige tegenover het minderwerk heeft meegenomen maar buiten de waardering moet blijven (zie 3.7).
3.14.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de waarde van de door MKR uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 berekent op
€ 34.945,53 (€ 38.695,80 - € 3.037,10 = € 35.658,70 x 98%), inclusief btw.
De vloerverwarming
3.15.
In zijn oorspronkelijk deskundigenbericht heeft de deskundige de klachten van [gedaagde] over het functioneren van de vloerverwarming niet als het gevolg van een gebrek aan de vloerverwarming aangemerkt. De deskundige kwam tot die zienswijze zonder de vloerverwarming te testen. In zijn aanvullend deskundigenbericht heeft de deskundige op dit punt het volgende toegelicht:
 de diepte waarop de buizen van een vloerverwarming in de vloer moeten liggen, hangt af van het type vloerverwarmingssysteem en de opbouw van de vloer. De algemene richtlijnen hiervoor zijn:
o diepte van de buizen; meestal tussen de 4 à 7 centimeter onder de bovenzijde van de afgewerkte vloer;
o deklaag boven de buizen; minimaal 3 à 5 centimeter afdekking (dekvloer boven de buizen);
o de totale opbouwhoogte inclusief buizen en dekvloer; vaak 6 tot 9 centimeter;
 tijdens de plenaire zitting heeft de aannemer aangegeven dat de leidingen zijn aangelegd in de afwerkvloer die in de gegeven omstandigheden een dikte heeft van circa 5 centimeter. Dit is ook de meest praktische wijze van aanleggen van dergelijke leidingen.
 controle hierop is mogelijk door een destructief onderzoek en door onderzoek met een leidingdetector;
 de deskundigen heeft geen redenen om aan te nemen dat de vloerverwarmingsleidingen dieper liggen dan is aangegeven, omdat onder de betreffende afwerklaag een betonlaag zit met een broodjesvloer.
3.16.
Daartegen heeft [gedaagde] de volgende bezwaren aangevoerd:
 de deskundige is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat MKR terzake de vloerverwarming niet deskundige was, dan wel daarvoor niet gecertificeerd was,
 afgesproken is om de vloerverwarming in het midden van de vloerconstructie te plaatsen. Dit is tijdens de comparitie op de rechtbank onbetwist naar voren gekomen;
 de vloerverwarming is niet volgens de gestelde vereisten geplaatst aangezien er sprake is van onvoldoende werking. In de winter behaalt het systeem niet de beoogde kamertemperatuur van 21C;
 de deskundige heeft geen feitelijk of technisch onderzoek uitgevoerd naar de wijze van plaatsing van de vloerverwarming of de oorzaak van de verminderde werking en baseert zich op aannames.
[gedaagde] stelt dat de zienswijze van de deskundige daarom onzorgvuldig en ondeugdelijk is onderbouwd. Verder houdt [gedaagde] zich het recht voor om aanvullend bewijs te leveren of de rechtbank een nader onderzoek door een andere deskundige op dit punt te laten gelasten.
3.17.
De rechtbank verwerpt de bezwaren van [gedaagde] en neemt de zienswijze van de deskundige over. Zij licht dit toe als volgt.
3.18.
Het is niet overeengekomen dat en ook overigens niet relevant of MKR voldoende deskundig en/of gecertificeerd was voor het leggen van een vloerverwarming. Het gaat er om of de gelegde vloerverwarming aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
3.19.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat partijen hebben afgesproken om de vloerverwarming in het midden van de vloerconstructie te plaatsen. Anders dan [gedaagde] stelt is op de mondelinge behandeling (de comparitie) niet naar voren gekomen dat partijen dat hebben afgesproken. [gedaagde] heeft niet eerder dan in zijn conclusie na aanvullend deskundigenbericht gesteld dat die afspraak is gemaakt. Dat is in een zo laat stadium in de procedure dat het in strijd is met de goede procesorde. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank aan die stelling voorbij dient te gaan.
3.20.
Dat betekent dat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of MKR de vloerverwarming te diep heeft gelegd, moet uitgaan van de door de deskundige genoemde algemene richtlijnen. [gedaagde] heeft de juistheid daarvan namelijk niet tegengesproken.
3.21.
Ook moet de rechtbank ervan uitgaan dat MKR de leidingen van de vloerverwarming in de afwerkvloer heeft gelegd, dat die afwerkvloer ongeveer 5 cm dik is en dat onder die afwerkvloer een betonlaag met een broodjesvloer ligt. [gedaagde] heeft dat alles namelijk niet tegengesproken. De deskundige hoefde daarom ook geen nader onderzoek te doen naar de wijze waarop de vloerverwarming is geplaatst.
3.22.
Niet gesteld is dat de tegelvloer die over de afwerkvloer met de vloerverwarming is aangelegd, dikker is dan 1,5 cm.
3.23.
Dit alles maakt de zienswijze van de deskundige, dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de vloerverwarmingsleidingen dieper liggen dan is aangegeven, voldoende controleerbaar en overtuigend. De rechtbank neemt daarom die zienswijze van de deskundige over. Hetzelfde geldt voor zijn zienswijze dat de klachten van [gedaagde] over het functioneren van de vloerverwarming geen gevolg zijn van een gebrek. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet de taak van de deskundige was om de oorzaak van de klachten van [gedaagde] over het functioneren van de vloerverwarming vast te stellen. De deskundige diende slechts te onderzoeken of er gebreken zijn in het werk dat MKR heeft uitgevoerd en daarbij in te gaan op de geschilpunten tussen partijen. Ten aanzien van de vloerverwarming heeft [gedaagde] geen ander gebrek gesteld dan dat deze te diep is aangelegd.
3.24.
De rechtbank zal [gedaagde] niet in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren van zijn stelling dat de vloerverwarming te diep is aangelegd en ook geen nader onderzoek door een andere deskundige bevelen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding omdat het uitgebrachte deskundigenbericht met de toelichting daarop in het aanvullend deskundigenbericht bruikbaar is. Verder heeft [gedaagde] voor het gestelde gebrek van de vloerverwarming geen getuigenbewijs aangeboden en had hij voor het leveren van andersoortig bewijs geen voorafgaande toestemming van de rechtbank nodig.
Het dak
3.25.
In zijn oorspronkelijk deskundigenbericht heeft de deskundige ten aanzien van het dak geschreven dat uit tekeningen blijkt dat MKR zich heeft gehouden aan de tekening van de architect. In zijn aanvullend deskundigenbericht heeft de deskundige deze zienswijze als volgt toegelicht:
“In de processtukken bevindt zich de brief van Dayma Advocaten te Rotterdam d.d. 6/6/23 met kenmerk 03235. In één van de bijlagen bevindt zich de bouwtekeningen van de woning (14 pagina’s). In de bouwtekeningen, die zijn opgesteld door WA.SA.AS Bouwadviesburo in Den Haag, is zowel de bestaande als de nieuwe situatie vastgelegd. Dit geldt ook voor de achtergevel en de kopgevel, en in het bijzonder de uitbouw. Het betreft hier in alle gevallen een schematische weergave van hetgeen moest worden gebouwd, waarbij op tekening P.07 details van de uitbouw te zien zijn. Tijdens de plenaire zitting heb ik een inspectie uitgevoerd, en aan de hand hiervan heb ik kunnen vaststellen dat de uitbouw voldoet aan de tekeningen zoals eerder omschreven. Hierbij merk ik op dat dit een uitwendige inspectie is geweest, waarbij door mij geen destructief onderzoek is verricht.”
3.26.
De rechtbank stelt vast dat de brief met bijlagen waarnaar de deskundige verwijst de antwoordakte met bijlage van [gedaagde] van 7 juni 2023 is.
3.27.
De rechtbank neemt de zienswijze van de deskundige, dat MKR zich bij het uitgevoerde werk aan het dak heeft gehouden aan de tekening van de architect, over. [gedaagde] heeft namelijk geen bezwaren tegen de voormelde toelichting geuit en met die toelichting is deze zienswijze van de deskundige voldoende controleerbaar en overtuigend.
3.28.
Dit betekent dat geen sprake is van een gebrek in de door MKR uitgevoerde werkzaamheden aan het dak.
[gedaagde] moet nog € 34.543,84 betalen, te vermeerderen met wettelijke rente
3.29.
MKR vordert voor het door haar uitgevoerde werk in hoofdsom € 53.145,65, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 28 oktober 2021. Daarnaast vordert MKR een bedrag van € 1.306,46 aan buitengerechtelijke kosten.
3.30.
De rechtbank wijst de vordering toe het bedrag van € 34.543,84, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 16 november 2021. De gevorderde buitengerechtelijke kosten wijst zij af. De rechtbank licht dit toe als volgt.
3.31.
In het tussenvonnis van 14 mei 2025 (r.o. 3.15) heeft de rechtbank de berekening van de deskundige van de door MKR uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 4 mei 2021 op het bedrag van € 46.598,31 overgenomen. De waarde van de door MKR uitgevoerde werkzaamheden die behoren bij de offerte van 5 mei 2021 heeft de rechtbank berekend op € 34.945,53 (zie hiervoor onder 3.14). Het totaal daarvan bedraagt € 81.543,84. Het bedrag van € 47.000,00 dat [gedaagde] al heeft betaald, moet daarop in mindering worden gebracht (zie tussenvonnis van 15 maart 2023 onder 4.13). [gedaagde] moet daarom nog € 34.543,84 aan MKR moet betalen.
3.32.
[gedaagde] is over het toegewezen bedrag geen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd, maar wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro. Om aanspraak te kunnen maken op wettelijke handelsrente is namelijk vereist dat er sprake is van een handelsovereenkomst tussen partijen. Dat is niet het geval omdat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf).
3.33.
Die wettelijke rente is [gedaagde] verschuldigd vanaf 16 november 2021, omdat [gedaagde] op die dag in verzuim is geraakt met zijn betalingsverplichting. De laatste factuur is namelijk pas op 6 november 2021 naar [gedaagde] gezonden met een betalingstermijn van 10 dagen.
3.34.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar. Die vordering moet namelijk worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is, betekent dit dat de rechtbank moet controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Dat is niet het geval. MKR heeft namelijk aan [gedaagde] geen aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De brief van 28 oktober 2021 bevat namelijk geen betalingstermijn van 14 dagen. Bovendien was [gedaagde] op die datum nog niet in verzuim, omdat hij toen slechts een factuur van € 18.150,00 had ontvangen en die volledig had betaald. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn daarom niet toewijsbaar.
De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen
3.35.
[gedaagde] vordert – samengevat:
Onvoorwaardelijk:
voor recht te verklaren dat MKR toerekenbaar is tekort geschoten danwel onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de geleden schade;
MKR te veroordelen tot (terug)betaling van € 47.000,00;
Voorwaardelijk voor het geval dat de vordering in conventie (deels) wordt toegewezen:
3. MKR te veroordelen tot betaling van € 30.020,00 aan schade of een in goede justitie te bepalen bedrag;
subsidiair:
MKR te veroordelen tot betaling van € 88.584,00 aan schade of een in goede justitie te bepalen bedrag;
4. de vordering in conventie te verrekenen met de vorderingen van MKR.
3.36.
De rechtbank wijst al deze vorderingen af en licht dat toe als volgt.
3.37.
In het tussenvonnis van 15 maart 2023 (r.o. 4.24 t/m 4.29) heeft de rechtbank geoordeeld dat MKR door de onterechte opschorting tekort is geschoten in de nakoming van
haar verplichtingen jegens [gedaagde] en dat MKR daarom aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] lijdt doordat zij het werk niet afmaakte en eventuele gebreken in het uitgevoerde werk niet herstelde.
3.38.
In dat tussenvonnis heeft de rechtbank ook geoordeeld dat onder die schade niet de kosten vallen die [gedaagde] heeft gemaakt om de niet door MKR verrichte werkzaamheden door [naam] te laten uitvoeren (r.o. 4.33) en dat de door [gedaagde] gederfde huur niet voor vergoeding in aanmerking komt (r.o. 4.34).
3.39.
De door [gedaagde] gestelde gebreken in het door MKR uitgevoerde werk zijn niet vast komen te staan (zie hiervoor onder 3.23 en 3.28 en r.o. 3.20 en 3.25 van het tussenvonnis van 14 mei 2025).
3.40.
[gedaagde] heeft niet gesteld dat hij door de onterechte opschorting van de werkzaamheden andere schade heeft geleden dan hiervoor is vermeld.
3.41.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de geldvorderingen van [gedaagde] als ongegrond moeten worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht moet bij gebrek aan belang ook worden afgewezen. Deze dient namelijk geen doel nu [gedaagde] door de onterechte opschorting van MKR geen schade heeft geleden.
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie en reconventie betalen
3.42.
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en in reconventie geheel in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten in conventie en reconventie (inclusief de kosten van de deskundige en nakosten) betalen. De proceskosten van MKR worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,22
- griffierecht
2.837,00
- salaris advocaat conventie
3.870,00
(3 punten × € 1.290,00)
- salaris advocaat reconventie
1.935,00
(3 punten × 0,5 × € 1.290,00)
- kosten deskundige
1.867,02
(€ 1.052,38 + € 814,64)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.912,24
3.43.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan MKR te betalen een bedrag van € 34.543,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 november 2021, tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
4.2.
wijst de vorderingen af;
verder in conventie en reconventie
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.912,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart de onder 4.1, 4.3 en 4.4 vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het door MKR meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
2515/2629